EVENEPOEL EN DE MUZIEK

De Bezige Bij gaf de biografie van Eric Min uit over Henri Evenepoel. Uit het lijvig boek blijkt overduidelijk welk een heel belangrijke rol muziek speelde in het leven van de schilder. Wel 30 componisten komen aan bod.

Musiceren en luisteren

Na biografieën over James Ensor en Rik Wouters en het boek “De eeuw van Brussel, Biografie van een wereldstad (1850-1914)”, beschreef Eric Min nu in detail het kort maar gestoffeerd leven van Henri Evenepoel (1872-1899). In honderden brieven aan zijn vader en aan Brusselse vrienden waaruit Min een schat aan informatie kon putten, schreef Henri Evenepoel over wat hij zag, voelde en beleefde. Uit deze correspondentie bleek een tragisch maar verheven kunstenaarsleven maar vooral een heel, heel directe betrokkenheid bij musiceren en muziek beluisteren.

Vader was Wagneriaan

Evenepoel werd geboren in Nice, maar groeide op in Schaarbeek, een toen nog landelijke en mooie, burgerlijke buitenwijk van Brussel. Zijn moeder overleed toen hij twee jaar oud werd. Vader was ambtenaar en Wagneriaan. Als liefhebber van kunst en muziek schreef vader in 1891 een boek over de Wagner cultus in Brussel, “Wagnerisme Hors D’Allemagne”, opgedragen aan de schrijver en muziekjournalist Félix Delhasse uit Spa. “Sa nature intransigeante, la grandeur de ses projets artistiques et leur étonnante préconception, la réalisation finale dépassant tout ce que pouvait rêver l’esprit le plus optimiste, donnent a sa personnalité un relief qui n’a son pareil dans aucune des périodes de l’histoire de l’art” (vader Evenepoel over Richard Wagner).

Opgevoed met Wagner

Min schrijft over Henri’s vader, “Net als heel wat Brusselse intellectuelen is hij een Wagneriaan van het eerste uur. Vaak gaat hij op bedevaart naar het muziekfestival van Bayreuth, en in 1891 zal hij de stapel artikels die hij voor de gezaghebbende “Guide musicale” van hoofdredacteur Maurice Kufferath en voor de krant “La Flandre libérale” heeft geschreven, verwerken tot het boek “Le Wagnérisme hors d’Allemagne”. Het is een erudiet getuigenis uit eerste hand over de triomftocht die Wagners oeuvre in Brussel en België te beurt valt. Vader Edmond schittert ook als amateurpianist. De eerste schetsen van de jongen waren tekeningen naar borstbeelden van Wagner.”

Wallner

Samen met zijn vriend Leopold Wallner ontfermde vader zich over Henri’s muzikale opvoeding. Leopold Wallner (1847-1913), componist van o.a. een “Berceuse” en een “Rhapsodie Russe”, beide uit 1909 en beide voor altviool & piano, was de zoon van een Poolse moeder en een Oostenrijkse vader. Zijn vader was een bekende muziekuitgever in Kiev. In 1866 verhuisde het gezin naar Brussel. Hij studeerde daar harmonie en compositie bij Fétis en Henry van Synghel. In 1867, toen zijn vader stierf, moest hij zijn studie stoppen en voorzag hij in zijn levensonderhoud door het onderwijs. Wallner geraakte goed bevriend met de Belgische harpist Jean Risler en met Eugène Ysaÿe, en met de leden van het “Quatuor Ysaÿe”, in het bijzonder met de 2de violist, Leon van Hout. In een later leven doceerde Wallner aan de conservatoria van Brussel en Gent en aan de muziekscholen van Schaarbeek, Leuven en Bergen. Leopold Wallner was het petekind van…Franz Liszt.

Evenepoel in Parijs

“Tekenen zal hij, en musiceren. Misschien kan hij een piano huren. Wil zijn vader er niet via zijn Brusselse vrienden ervoor zorgen dat Henri bij de Parijse firma’s Pleyel en Gaveau een instrument kan krijgen voor een prix d’artiste?”. “Na zijn opleiding aan de Brusselse Académie des Beaux-Arts”, vertelt Min, “ging Evenepoel naar Parijs waar hij kon inwonen bij zijn nicht”. “De jonge Henri”, vervolgt Min, “kwam in Parijs in contact met de symbolistische schilder Gustave Moreau. Evenepoel ontmoette in het atelier van Moreau aan de rue de La Rochefoucauld, Matisse en Rouault, leerde Toulouse-Lautrec en Marcel Proust kennen, en ontmoette in Parijs tal van Franse musici en componisten.” “Moreau woonde in “La Nouvelle Athènes”, de wijk die in het begin van de eeuw in het negende arrondissement is ontstaan en uitgroeide tot het epicentrum van de toenmalige, hedendaagse kunst. Naast Moreau zijn onder anderen Eugène Delacroix, George Sand en Frédéric Chopin, schrijvers als Alexandre Dumas en Victor Hugo en de nieuwlichters Monet en Gauguin er thuis”, schrijft Eric Min.

Tyfus

Evenepoel bezocht in Parijs tal van concerten en musiceerde met vrienden en kennissen. Het bleek echter dat Henri de vader was van de jongste zoon van zijn nicht, Charles. Vader Edmond stuurde daarop zijn zoon Henri naar Algerije en Tunis. Die reis werd voor Henri rampzalig. Zijn werken werden in Parijs en in Brussel tentoongesteld, hij maakte naam als schilder, maar Henri werd doodziek. Hij stierf op 27-jarige leeftijd aan tyfus in Parijs.

Geen dag zonder muziek

Het boek geeft een treffend beeld van het muziekleven in het Brussel en Parijs van toen. Voor Evenepoel was muziek even belangrijk als schilderkunst. We lezen, “Henri associeert het appartement van tante Sophie in de Koningsstraat met de fuga’s van Bach die zijn vader er speelt. Het huis in de de Lochstraat staat bol van Wagnermuziek, fragmenten uit “Tristan und Isolde” en “Die Walküre”. En wel duizend keer heeft hij tijdens lange wandelingen de aria van Leporello uit “Don Giovanni” doen weerklinken. Henri stuint langs de Seine op zoek naar prenten en bladmuziek. Voor zijn vader heeft hij bij de boekverkopers op de kaden een eerste uitgave gevonden van Wagners partituren van “Die Walküre”, “Siegfried” en “Götterdämmerung”. In de zaal van de “Concerts Lamoureux” savoureert hij (Henri Evenepoel) Schumann, Wagner, Weber en de alomtegenwoordige Saint-Saëns. In één van zijn brieven lezen we dat zijn vader net niet onder vier ogen met Tsjaikofski kon dineren toen de Russische componist in Brussel een uitvoering van zijn werk kwam dirigeren.” Heerlijke anekdotiek.

Rozenkruisers en Saint-Gervais

In de “Salons de la Rose-Croix” organiseerde men van 1892 tot 1897 een reeks belangrijke door Wagners “Parsifal” beïnvloede, symbolistische kunsttentoonstellingen. Evenepoel bewoog zich tussen esoterische mystiek en christelijk historicisme. “De salon van het mystiek-artistieke genootschap “Ordre laïque de la Rose+Croix”, schrijft Min, “opende eind maart zijn deuren onder de centrale koepel van het paleis op het Champ-de-Mars. Bij de ingang troonden bustes van Wagner en Dante. Een affiche kondigde de opvoering aan van een ‘Wagnérie en cinq actes’, de tragédie ‘Le Fils des Etoiles’ van Sâr Péladan.” Waar het de kerk betrof lezen we “Is Henri op Witte Donderdag stiekem de kerk van Saint-Gervais binnengeslopen tijdens een concert met werken van Palestrina, Vittoria, Nanini en Gallus. Op de eerste rij zat de componist Charles Gounod te luisteren.”

Offenbach en Donizetti

Min vervolgt, “Al in het midden van de eeuw beleeft de fascinatie voor het Verre Oosten een hausse. In 1855 componeert Jacques Offenbach de muzikale chinoiserie “Ba-ta-clan”. Deze populaire eenakter blijft jarenlang op het programma en geeft zijn naam aan een grand café met theaterzaal in Parijs. Het toneelgordijn is een gigantische waaier en het dak een pagode.” En verder lezen we dat Evenpoel  “een muziekavond kon bijwonen in het superbe atelier met slaapkamer in de Rue des Beaux-Arts van Harlin, een jonge schilder en violist uit Lyon. Voor een zestal kunstbroeders speelt de man fragmenten uit “La Fille du Régiment” en “Lucia di Lammermoor” van Donizetti, waarna Henri het overneemt met Lohengrin, Grieg en Delibes. Trots laat hij zijn vader weten dat hij met zijn pianostukken het hoogtepunt van de soiree was.

In het milieu van kamermuziek

“Op een dag is hij te gast bij advocaat en melomaan Maurice Delfosse”, vertelt Min. “In Delfosse’s appartement worden sonaten van Brahms en een trio van Schumann gespeeld. Enkele dagen later ontmoet hij tijdens een soiree bij meneer Nêtre zowel Robert Goldschmidt (de Belgische wetenschapper) als de ‘woeste wagneriaan’ Georges Aubé of Hobé. Na het diner droomt het gezelschap weg bij de muziek uit het tweede bedrijf van Tristan und Isolde, die Henri samen met de vrouw des huizes laat opklinken. Bij een andere gelegenheid is Evenepoel op een avondje in het atelier van een zoon van de componist Georges Bizet.”

Vriend en cellist Henri Huklenbrok

De brieven van Henri Evenepoel aan zijn vader zijn ook de belangrijkste getuigenissen die we over Henri Huklenbrok bezitten. Huklenbrok was leerling aan de Académie Julian in Parijs en was ook een leerling van Gustave Moreau. In januari 1895 maakte hij kennis met Henri Evenepoel in Parijs. Ze werden goede vrienden die zich ook in de muziek vonden. Evenepoel was een behoorlijk pianist en Huklenbrok speelde cello. Ze kwamen regelmatig samen in Evenepoels atelier om er bewerkingen en sonaten voor piano en cello te spelen. “Lucien Wollès heeft zijn Parijse vriend een kennis doorgestuurd”, schrijft Eric Min, “een Brussels kunstenaar en amateurcellist die zijn onmogelijke naam Henri Hochlenbroich tot ‘Huklenbrok’ heeft getransformeerd. ’s Anderdaags al spelen beide mannen samen uren lang Bach en Schumann. De volgende zondag brengt Huklenbrok de partituren van de sonates van Mendelssohn mee, die het duo nu zal spelen. Weer een week later is de violist Deperthes terug van weggeweest, en dan willen de beide Henri’s samen met hem trio’s spelen. Een tijdlang zullen de mannen ’s zondags samen musiceren. Na Mendelssohn staan trio’s van Beethoven op het menu.”

Kamermuziek op zondag

“Op zondag biedt de muziek wat troost. Dan spelen Henri, Depethes en Huklenbrok trio’s van Beethoven of Schumann en een sonate van Rubinstein, ‘briljant maar leeg, met veel effecten en noten’. ’s Maandags studeren zij bij hun vriend Garin kwartetten en zelfs kwintetten in, waarbij ook onbekend werk aan bod komt: een oude partituur van ene Alexis de Castillon, die bij Deperthes rondslingerde en origineel genoeg is om er de tanden in te zetten. De muziek herinnert Henri aan Borodin en de Russen”, lezen we.

Saint-Julien-le-Pauvre

“Een week later speelt Henri zelf op het harmonium in het oude romaans kerkje Saint-Julien-le-Pauvre, waar de Grieks-orthodoxe gemeenschap gebedsdiensten houdt. In dit juweeltje, ‘dat de reisgids van Baedeker niet kent en dat enkel wordt bezocht door liefhebbers van kunst en archeologie’, hebben Henri en zijn vrienden jammer genoeg een vreselijke prestatie neergezet. Op een plek waar gregoriaanse gezangen, motetten van Palestrina en stukken van Bach moeten opklinken, hebben ze middelmatige werken van Fauré en Massenet uitgevoerd, en nog slecht gespeeld ook.”