HET MYSTERIE VAN WENEN – ARNOUT WEEDA

De Bezige Bij gaf  een uitzonderlijk boek uit over  de artistieke grootheden van Wenen in de fin-de-siècle tijd. Uitgangspunt is de vraag hoe zo veel creativiteit en vernieuwing toen mogelijk was. Een mysterie? Wie weet. En eigenlijk is het een boek over Mahler. Jawel, over Gustav Mahler. Ga het vlug  lezen want het boek is onvoorstelbaar  interessant.

De fin-de-siècle tijd in Wenen kreeg vanaf midden jaren ’70 van de 20ste eeuw meer en meer belangstelling n.a.v de herontdekking van de schilderijen van Gustav Klimt. Die herontdekking was een onderdeel van de herontdekking van het Symbolisme in het algemeen. De aandacht voor de nazi-tijd raakte op het achterplan en het modernisme was voorbij. De stad waar men het post modernisme vandaan haalde was Wenen. Maar dan het oude, moderne Wenen, het Wenen van rond 1900. De hernieuwde aandacht die de stad kreeg leidde tot de vaststelling dat rond 1900 Wenen dé stad was van vernieuwende, artistieke creativiteit. Zowel op gebied van kunst (Klimt, Schiele), literatuur (Musil, Schnitzler, Zweig), filosofie (Wittgenstein), muziek (Mahler, Schönberg), architectuur (Loos), economie (Schumpeter) en psychologie (Freud).

De ondertitel van het boek “De creatieve zelfvernietiging van een vermolmd keizerrijk”, laat de context vermoeden waarin al die creativiteit tot stand kwam. In een waardig en oud keizerrijk dat niet meteen besefte dat het gedoemd was ten onder te gaan.

Wonderlijke paradox

De uitgave leidt zichzelf in met de tekst “Rond 1900 leek Wenen nog slechts de residentie te zijn van een vermolmd keizerrijk dat zijn toekomst zocht in het verleden. Maar juist in die tijd groeide de stad uit tot het kosmopolitisch centrum van de Europese cultuur, waarin een nieuwe elite van vooral Midden-Europese joden haar eigen ideaal van de Verlichting nastreefde. Tegen de achtergrond van die wonderlijke paradox deed zich in het eerste decennium van de twintigste eeuw een ware explosie van creativiteit voor in de kunst, de filosofie en de wetenschap. Sinds het Athene van de Griekse oudheid was dat in de westerse wereld niet meer vertoond. Het geheim daarvan kan alleen worden ontraadseld door die ongekende scheppingsdrang op zoveel terreinen tegelijk in hun onderlinge samenhang te doorgronden.”

Het boek steekt vol weetjes, anekdoten en historische verhalen. Er zijn zestien hoofdrolspelers. Vier componisten, drie schilders, een psycholoog en een architect, een taalpurist/criticus en een filosoof, vier schrijvers en één economist. Het Koffiehuis en Kierkegaard lopen als een rode draad doorheen het boek. En eigenlijk meer nog dan Kierkegaard, Gustav Mahler. Een unieke vondst. “Alle pogingen”, schrijft Weeda, “om de uitbarsting van creativiteit in Wenen te verklaren, moeten wel ergens schipbreuk lijden. Maar wellicht brengt het Koffiehuis ons tot de oplossing. Het kosmopolitische centrum van het toen heel tolerante Wenen was relatief klein. Nieuwlichters en gelijkgezinden vonden elkaar in salons en cafés.

Koffiehuis

“Zonder koffiehuizen”, schrijft Arnout Weeda  “was de geschiedenis van de hoofdstad van het Habsburgse keizerrijk wellicht helemaal anders verlopen. Voor de Weners was hun koffiehuis, maar ook het theater, een toevluchtsoord voor een soort metafysische troost. Ze zochten en vonden er een nomadische huiselijkheid, het was een plek ‘om voeling te houden met de wereld en elkaar maar ook met het eigen innerlijk’. Je kon je eenzaam voelen zonder alleen te zijn. Het koffiehuis was, behalve ook een warme pleisterplaats voor de vele daklozen in Wenen, vooral een plaats waar je in kranten en gesprekken de artistieke gebeurtenissen kon volgen, “niet met twee”, volgens de schrijver Stefan Zweig, ‘maar met twintig of veertig ogen’. Wat de een ontging, merkte de ander voor hem op.”

Het boek houdt het midden tussen een historische roman en een wetenschappelijk boek. Eigenlijk is het een populair, wetenschappelijk geschiedenisboek. Maar dan wel één van de beste soort.

De liberaal, artistieke samenleving werd in Wenen bijeen gehouden door tal van artistieke, filosofische en wetenschappelijke relaties. De psychoanalyse van Freud, de taalfilosofie van Wittgenstein, de functionele bouwstijl van Loos, het twaalftoonstelsel van Schönberg, de schilderkunst van Schiele, Kokoschka of Klimt, de literatuur van Musil en Zweig, de aforismen van Kraus.

Allan Janik en Stephen Toulmin,  Carl Schorske en William F. Johnston, die nota bene niet in de bibliografie is opgenomen! – mijn eigen boek over het onderwerp trouwens ook niet, Schande! – hebben stuk voor stuk hun best gedaan om het Wenen van toen af te schilderen als dé plaats van burgerlijke bekrompenheid  binnen de leugenachtige cultuur van de Habsburgse Dubbelmonarchie. Dé hoofdstad van het schijnheilige ‘doen alsof’ van  wat Musil het zogenaamd verzonken Kakanië noemde (afgeleid van de twee k’s in “k.u.k.”, kaiserlich und königlich).

“De Ringstrasse, de statige maar ook protserige boulevard die de grandeur weerspiegelde van de Dubbelmonarchie.” Voilà. Auteurs konden en kunnen het maar niet laten om de kunst van toen te zien als verzet tegen wat ze graag omschrijven als “de ingeslapen en rigide bourgeoisie van het Habsburgse Rijk”. Alsof  alles zo slecht was ten tijde van de keizer.

Het boek speelt zich af in het decor van de Ringstrasse, de statige Weense boulevard met de Hofopera, het nieuwe Burgtheater, de universiteit, het parlement en het raadhuis. “Daar”, schrijft Weeda, “maar ook in de nabijgelegen koffiehuizen, speelde zich het openbare leven af, in de theatrale voorstelling die Wenen onder de Habsburgers langzaam was geworden. En daar kwamen ook alle tegenstellingen aan het licht tussen de keizerlijke adel, de liberale bourgeoisie en de culturele elite.”

Gustav Mahler

Gustav Mahler speelt de hoofdrol. Terecht. Lees meteen het vierde hoofdstuk van het derde deel op bladz. 217. In de Epiloog “Stad der dromen”, heeft hij het in het Nietzscheaanse hoofdstuk “Liefde voor het lot”, bvb. ook specifiek over Mahler. “Zijn laatste symfonieën, zegt Weeda, ‘raken aan het mysterie van Wenen’. Waar Janik en Toulmin nog Wittgenstein in het hart van de Oostenrijkse cultuur plaatsten, is dat bij Weeda, Mahler. “Omdat Mahler zocht naar het “onbegrijpelijk verhevene”, aldus Weeda. Tussen haakjes, Mahler zocht dat niet, hij was dat!

“Het stellen van de meest diepzinnige vragen zonder het antwoord te weten, was typisch Weens”, schrijft Weeda. Neen, dat was en is typisch joods. En inderdaad was Wenen toen meer dan drie vierde joods. Dat verklaart overigens het intellectueel niveau en de geaardheid van wat men toen bij elkaar dacht en opschreef

“Het Wenen van 1900 toonde een onheilspellend dilemma”, schrijft Weeda. “Je kon reikhalzen naar de sprong boven het verstand in het absurde en het paradoxale, of je kon neerdalen in de wereld van het noodlot.”

Zijn boek gaat over de tegenstelling die hij in de epiloog van zijn boek schetst. De tegenstelling  tussen de “stad der dromen” en het “laboratorium voor de vernietiging van de mensheid”. “Wat uiteindelijk overbleef,” schrijft Weeda, “was de nachtmerrie van de Eerste Wereldoorlog”. Ziet u, alles in het Wenen van toen had volgens die auteurs altijd wel op de één of andere manier te maken met mistevredenheid, onmin en de bewuste tot zelfs onderbewuste voorspelling of voorafspiegeling van de tragiek die komen zou. Alsof de zon in Wenen toen nooit  scheen.

“Alle ideeën over artistieke en intellectuele vernieuwing, groeiden in het café,” schrijft Weeda. Café Griensteidl, Café Museum, dat omwille van de doemdenkende prietpraat die er verkocht werd,  “Café Nihilismus” genoemd werd, Café Central. Dat waren koffiehuizen, nu ja, zeg maar café’s want toen waren het lawaaierige, berookte plaatsen, waar heftig discussiërende stamgasten over de vloer kwamen. Dat klopt, maar het waren ook altijd maar weer dezelfden. Mahler was bijvoorbeeld een verstandig mens. Die ging nooit op café. Als je trouwens zo’n mooie vrouw hebt, doe je dat niet. Peter Altenberg daarentegen deed dat wel. Hij woonde er bijna. En hij zit trouwens nog altijd in ’t café, in Café Central met name. Hij zit daar aan zijn tafeltje zijn krant te lezen. Alleen is het nu een pop die herinnert aan zowel het volgens Weeda, “vermolmde Keizerrijk”, als aan die schattige, guitige stamgast van het Weense fin de siècle.

Het boek bestaat uit vier grote delen en de meeste  hoofdstukken worden  ingeleid door een citaat/aforisme  van Karl Kraus, de verteller die volgens de auteur het noodlot aankondigt van de zelfvernietiging van het Keizerrijk en de ondergang van de mensheid.

Het boek heeft achteraan nog een interessante Appendix waarin de zestien “Hoofdrolspelers” worden voorgesteld. Subliem!

Het mysterie van Wenen Arnout Weeda De Bezige Bij 356 blz ISBN 9789023467137