Opera “Rübezahl”

Hans Sommer (1837-1922), eigenl. Hans Friedrich August Zincken, was wetenschapper en wiskundige van beroep maar ruilde vanaf zijn veertigste zijn functie als Direktor das Polytechnikum in Braunschweig voor de muziek. Sommer studeerde privé muziek en volgde compositieles bij o.a. Julius Otto Grimm en Franz Liszt. In 1875 ontmoette Sommer voor de eerste keer Richard en Cosima Wagner. Daarop stichtte hij een Wagner Vereniging in Braunschweig. Een jaar later bezocht hij als hun persoonlijke gast de eerste Bayreuther Festspiele waarna hij in de jaren die volgden deel uitmaakte van de groep kunstenaars rond de Villa “Wahnfried”. Vanaf 1882 publiceerde hij meer dan honderd liederen en balladen, o.a. de cyclus “Der Rattenfänger von Hameln”. Naar aanleiding van het succes van zijn opera/Bühnenspiel “Loreley”  die Richard Strauss in 1892 in Weimar dirigeerde, werd hij een gevestigde en voor de verdere Duitse operageschiedenis, invloedrijke operacomponist.

Het libretto van Sommers nu vergeten opera in vier akten “Rübezahl und der Sackpfeifer von Neisse” was van Eberhard König (1871-1949). Die schreef overigens in 1917 ook nog “Wenn der Alte Fritz gewusst hätte… (Eine Rübezahlmär). Sommers opera werd voor het eerst uitgevoerd in 1904 in het Hoftheater in  Braunschweig en het volgende jaar in Berlijn en Weimar o.l.v. Richard Strauss. Sommer was nl. bevriend met Richard Strauss. Het bijzondere van Sommers muziek was de sterk post-romantische melodievorming in de lijn van Wagner. Ook sloot zijn opera stilistisch mooi aan bij Richard Strauss’ “am Sonnwendtage zu fabelhafter Urzeit spielende Singgedicht, Feuersnot” uit 1901. Dit is de opera met de prachtige orkestrale Liefdesscène (“Feuer aus heiss jungfräulichem Leibe“) die de eerste seksuele ervaring van Diemut, de dochter van de burgemeester, evoceert. “Erlösung durch Sex”, typisch Duits fin-de-siècle.

Rapen tellen

Rübezahl is de naam van de reus of berggeest waarnaar het Reuzengebergte is genoemd, een gebergte op de grens tussen Tsjechië en Polen. Volgens de verhalen was Rübezahl de eigenlijke heerser van dat gebied. Hij was eeuwen oud en kwam slechts af en toe eens uit zijn onderaardse vertrekken. Als hij dat deed kon hij iedere gedaante aannemen die hij wou. Als hij op een dag een prinses zag baden, werd hij verliefd en ontvoerde haar. Om haar gunstig te stemmen gaf hij haar een mand met rapen en de macht om iedere raap die ze pakte, om te toveren in wie of wat ze wou. Zo verdreef zij haar eenzaamheid en probeerde de reus haar gunst te winnen. Een zomer en een winter gingen voorbij. Als het lente werd beloofde de prinses dat ze met de reus wilde trouwen, op voorwaarde dat ze veel gasten op haar bruiloft zou hebben. Ze wilde daarom een groot veld met rapen in bruiloftsgasten omtoveren maar ze wilde wel precies weten hoeveel dat er zouden zijn. Daarop begon de reus de rapen te tellen. Om zeker te zijn telde hij ze opnieuw om er tot zijn schrik achter te komen dat de aantallen niet overeenkwamen. Dus begon hij ze voor een derde maal te tellen, en een vierde maal en een vijfde maal… Ondertussen vergat hij op de prinses te letten die aldus kon vluchten. De reus werd dan ook spottend “Rapenteller” of… “Rübezahl” genoemd.

Weber, von Flotow en Spohr

Tussen 1804 en 1902 componeerden wel negen componisten een opera op het gegeven van Rübezahl. Daartoe waren Carl Maria von Weber en Friedrich von Flotow. Weber componeerde ze tussen 1804-1805 maar het bleef bij een fragment, Flotows opera ging in 1853 in première. Eduard Heinrich Gehe, lid van de “Dresdner Liederkreis”, die in 1823 reeds het libretto had geschreven voor de opera “Jessonda” van Louis Spohr, verwerkte aanvankelijk de stof in zijn libretto voor Spohrs opera “Der Berggeist” (1825). De componist vond de tekst maar wat ongelukkig, zodat uiteindelijk de toneelschrijver, hoboïst en componist Georg Döring (1789-1833), Legationsrat van de hertog van Meiningen, belast werd met het definitief libretto voor Spohrs opera.

Dilemma van Wido

Liefde voor een vrouw of loyaliteit aan de mensen die hem als hun leider kozen in de strijd voor vrijheid tegen de tiran, dit is het dilemma waar de jonge schilder Wido voor staat. Wido’s minnaar, Gertrud, is de dochter van Buko, die de bevolking van de stad Neisse aan de voet van het Reuzengebergte, onderdrukt. In zijn wanhoop, roept Wido de legendarische Berggeist Rübezahl aan, die onmiddellijk verschijnt. Rübezahl neemt de vorm aan van Ruprecht, een doedelzakspeler, een eenvoudige muzikant. Rübezahl brengt mensen soms van het rechte pad en verschijnt soms als hun beschermer. Vaak neemt hij de vorm aan van anderen, bedrijft bedrog en grijpt in in het lot. In de opera bevrijdt hij de mensen van de tiran Buko en brengt hij Gertrud en Wido bij elkaar, “heilige Weltvergesenheit : Liebe und Kunst!”. De opera “Rübezahl en de doedelzakspeler van Neisse” gaat over de kracht van de liefde “Du Auserkorner, bleib dein, der Welt Verlorner, bleib mein, heut Neugeborner,blein mein”. De opera is een ode aan de kracht van de muziek en de betekenis van kunst. Luister meteen naar de dans uit de finale van de 1ste akte “Droben in Rübezahls heiligem Reich”, prachtig “heiter und munter”, in de lijn van Humperdinck. De première op 23 december 1893 van diens “Hänsel und Gretl” in Weimar was trouwens ook o.l.v. Richard Strauss.

Live uit Gera

Uitvoerders zijn Magnus Piontek (Rübezahl), Johannes Beck (Herr Buko), Anne Preuß (Gertrud), Hans-Georg Priese (Wido), Jueun Jeon (Bernhard Kraft), Kai Wefer (Otto Kettner) en Alexander Voigt (Hieronymus Stäblein). Het Philharmonisches Orchester Altenburg-Gera en het Opernchor von Theater&Philharmonie Thüringen staan o.l.v. de Franse dirigent Laurent Wagner (°1960) uit Lyon. Hij is nl. sedert 2013 Generalmusikdirektor am Theater Altenburg/Gera (Theater & Philharmonie Thüringen). De opname is een live opname uit Gera, gemaakt tussen 31 maart en 2 april 2016 door Deutschlandradio Kultur. Een heuse herontdekking voor iedereen, een must voor Wagnerianen.

Hans Sommer Rübezahl und der Sackpfeifer von Neiße Magnus Piontek (Rübezahl), Johannes Beck (Herr Buko), Anne Preuß (Gertrud), Hans-Georg Priese (Wido), Jueun Jeon (Bernhard Kraft), Kai Wefer (Otto Kettner), Alexander Voigt (Hieronymus Stäblein) Opernchor von Theater&Philharmonie Thüringen Philharmonisches Orchester Altenburg-Gera Laurent Wagner Pan Classics PC10367