Peter Gülke over “Dirigenten”

Hij heeft voor alles aandacht, maar hij blijft stil. Hij neemt de toejuichingen in ontvangst, stelt creatieve eisen, maar produceert geen enkele toon. Hij is de veel geprezen maar ook controversiële vertegenwoordiger van het concertleven. Vanuit deze invalshoek schreef Peter Gülke een bijzonder interessant en onderhoudend boek over het fenomeen van de dirigent.

Na besprekingen van Hans von Bülow en Richard Strauss volgt een opvallend hoofdstuk over Mahler, »Wo Musik ist, muss ein Dämon sein«, “Mahler als Interpret” en “Mahler und Beethoven”. Daarna komen Felix Weingartner, Arturo Toscanini, “Der Erwählte: Wilhelm Furtwängler” en de vandaag veel minder bekende Hermann Abendroth aan de beurt. Het tweede deel is gewijd aan Eugen Jochum en Rudolf Kempe, en aan de vergeten leerling van Schönberg en Zemlinsky, Joseph Trauneck (1898-1975), die carrière maakte in Johannesburg. Dan volgen Herbert von Karajan, in het bijzonder Karajans Beethoven, Günter Wand, Kurt Sanderling, Igor Markevitch, Carlos Kleiber, Kurt Masur en Nikolaus Harnoncourt.

Gülke zelf is dirigent, maar vooral musicoloog met de gave van het woord, compileert in zijn boek ook herdenkings- en gelegenheidsteksten. Zijn grondige kennis van de bronnen, deels uit eigen ervaring, weet hij altijd levendig, beknopt en verhelderend te verwoorden. Waar het bij von Bülow over diens perfectionisme als psychologisch symptoom van zijn minderwaardigheid complex gaat, komt bij Hermann Abendroth (1883-1956) een gedetailleerde interpretatie analyse van de eerste symfonie van Brahms.

De grotendeels vergeten Abendroth was vanaf 1905 muzikaal leider in Lübeck en vanaf 1911 in Essen. Hij was van 1915 tot 1934 dirigent van het Gürzenich Orchester en werd directeur van het Keulse Conservatorium. Als opvolger van Bruno Walter, dirigeerde hij tot het eind van de oorlog, het beroemd Gewandhausorchester in Leipzig. Abendroth werd vervolgens dirigent van de Staatskapelle in Weimar en dirigeerde tot aan zijn dood de Radio Symfonie Orkesten van Leipzig en Berlijn.

Aangrijpende portretten in Gülke’s boek zijn deze van Rudolf Kempe uit Dresden, o.a. van 1961 tot 1975 chef-dirigent van het Royal Philharmonic Orchestra, en Kurt Sanderling, ooit tweede dirigent, naast Jevgeni Mravinski van het Leningrad Filharmonisch Orkest. Met overwegingen over de relatie tussen universalisme en specialisatie, gezag en democratie, benadrukt Gülke het opvallend beroep van dirigent als dusdanig. Zeker lezen!

Peter Gülke (°1934) uit Weimar was dirigent van de Dresdense Staatsopera en muzikaal directeur van de Staatskapelle in Weimar en Wuppertal. Hij was professor orkestdirectie aan het conservatorium van Freiburg en hoogleraar musicologie aan de Universiteit van Bazel.

Peter Gülke Dirigenten 296 bladz. Duits geïllustreerd Uitg. Olms ISBN 978-3-487-08589-0