“La belle vielleuse”, originele, Franse muziek voor vielle à roue of draailier

In de 18de eeuw waren de draailier (“vielle à roue” of “hurdy-gurdy”), de doedelzak (“cornemuse” en “musette”) en de “épinette des Vosges” (een plankciter), heel populair. De draailier en de musette waren even waardig als andere instrumenten en stonden zelfs zoals blijkt uit verschillende schilderijen, zoals van de hofschilder François-Hubert Drouais, in de gunst van aristocratische dames.

De draailier werd toen immers net als het klavecimbel, beschouwd als “un instrument pour des personnes de qualité de sexe féminin”. Een doedelzakspeler als Nicolas Chédeville kreeg zelfs de titel “Maître de musette de Mesdames de France”. Er werden verschillende methoden voor draailier gepubliceerd, waaronder deze in 1783 van Michel Corrette (1707-1795), “La belle vielleuse, Méthode de vielle”, en een aantal virtuozen als Danguy of Dupuits, verbeterden de techniek. De charme van het instrument werd  geprezen door dichters wier teksten libretti werden voor cantaten. De musette kreeg dan weer alle aandacht van Jacques-Martin Hotteterre (1673-1763) in zijn “Méthode pour la Musette contenant des principes, par un recueil d’airs et quelques préludes” (1738) en zijn “Airs et brunettes à deux et trois dessus avec la basse – Tirez des meilleurs autheurs” (1721).

De draailier verscheen vanaf de negende eeuw. Er bestaan tal van voorstellingen van draailieren op gebeeldhouwde kapitelen van kerken of op schilderijen, o.a. van Bosch en Brueghel de Jonge. Oorspronkelijk was het een hofinstrument waarvoor Charles Bâton, bv. “4 sonates pour vielle & continuo, 2 pour 2 vielles” op. 3, opgedragen aan Madame de Senozan, componeerde. Het instrument werd echter in de loop van de 18de eeuw onttroond door de fortepiano, Gravicembalo col piano e forte of Hammerflügel van Cristofori, Marius en Schröter, geperfectioneerd door Silbermann. De draailier werd dan het instrument van bedelaars, zoals te zien is op schilderijen van Georges de La Tour.

In de late 17de eeuw was het instrument nog steeds eenvoudig en rustiek, met een eerder vierkantige vorm. Men noemde het instrument toen “chiffonie”. Pas aan het eind van de 17de eeuw bevestigde een instrumentenbouwer uit Versailles het draaiend mechanisme met een soort van  toetsen of “sautereaux” en tangenten op de klankkast van een gitaar of een luit. Dat gaf het instrument naast zijn karakteristieke, nasale klank met de aanhoudende bourdon toon, ook een zachtere toon. Vanaf de jaren ‘30 van de 18de eeuw en tijdens de regering van Louis XV, maakte de rijkelijk gedecoreerde draailier in Frankrijk opnieuw zijn entree aan het hof en bij de “noblesse de la robe”.

Louis Guersan (ca. 1713-1781), bekend om zijn prachtig vernis- of vioollakwerk, Jean-Nicolas Lambert (ca. 1700-1760), Pierre & Jean Louvet, Varquain, bekend voor zijn draailieren in de vorm van een gitaar (“vielles en guitare”) (die de Suite à deux vielles van Ravet uitgaf), en Jean-Baptiste Salomon/Deshaye, waren bekende luthiers. Tijdens deze periode werd dan ook veel gecomponeerd voor het instrument, met inbegrip van zes sonates “Il Pastor Fido” (1737), “Sonates, pour la musette, viele, flûte, hautbois, violon, avec la basse continüe”, toegeschreven aan Vivaldi, maar in werkelijkheid van de hand van de Franse doedelzakspeler, Nicolas Chédeville “le jeune” of “le cadet” (1705-1782).

In 1737 maakte Chédeville nl. een valselijke overeenkomst met de uitgever Jean-Noël Marchand om enkele van zijn (eigen) composities te publiceren onder de naam Antonio Vivaldi met als titel “Il pastor fido” op. 13. Chédeville’s interesse in Italiaanse muziek leidde in 1739 tot het maken van arrangementen voor musette of draailier van concerti en sonaten van de fluitisten Johann Joachim Quantz en Antoine Mahaut, en van wel tien Italiaanse componisten. “Le printems, ou Les saisons amusantes” (1739) was een arrangement voor draailier, viool en fluit of blokfluit van Vivaldi’s “Il cimento dell’armonia e dell’inventione” op. 8, 12 concerti waarvan de eerste vier bekend zijn als “Vier Jaargetijden”. Chédeville verving Vivaldi’s originele “Zomer” door zijn op. 8 nr. 9 concerto, verplaatste de muziek van de midden beweging van de ”Winter” naar de “Herfst”, en verving de “Winter” door op. 8 nr. 12. Dit alles was vrij gearrangeerd en gecombineerd met wat extra muziek in de stijl van Vivaldi. Een cd opname vindt u op het label “Arts Music” door het ensemble “Les Éclairs de Musique” met als solist de Oostenrijkse “Drehleierspieler”, Matthias Loibner. Heel bijzonder.

Chéneville’s eerste gepubliceerde werken waren stukken voor musette of draailier met als titel “Amusements champêtres” (1729). Een andere verzameling “Amusements” was technisch en muzikaal meer geavanceerd. In zijn “Amusements de Bellone, ou Les plaisirs de Mars” op. 6, voor musette de Cour uit 1736, bevonden zich stukken genoemd naar gevechten en oorlogstaferelen. Ze waren geïnspireerd door een militaire campagne van Louis-François de Bourbon, prince de Conti, die Chédeville had meegemaakt. Tussen haakjes, het was deze Prince de Conti die in 1766 de 10-jarige Mozart ontving, en het was deze prins die in 1760, na een verbeten concurrentiestrijd met Madame de Pompadour, een wijngaard kocht in de Bourgogne en er zijn eigen naam aan toevoegde, “Romanée-Conti”, één van de legendarische “grands crus” van de “côte de Nuits”. Op de cd staat overigens werk van Louis-Claude Daquin (1694-1772), “ordinaire de la musique du prince de Conti”.

Wie een levendig beeld wil krijgen van de draailier, gaat best naar de regio Auvergne-Rhône-Alpes. In het “Maison du luthier”, het huis van de luthier Jacques Antoine Pajot (1845-1920) in Jenzat, bevindt zich nl. het “Musée, consacré à l’histoire de la vielle à roue et de sa fabrication”. Combineer dit met de lectuur van de boeken “The Hurdy-Gurdy in eighteenth-century France” van Robert A. Green (Indiana University Press, 2016) en de twee delen “Histoire de la lutherie parisienne du XVIIIe siècle à 1960” van Sylvette Milliot (Les Amis de la Musique, 1997).

Hoewel Chédeville niet vertegenwoordigd is, staat op de cd hoofse en rustieke muziek met bijwijlen zeer virtuoze partijen voor de draailier. U ontdekt de cantate (“cantatille”) “La Vièle” van de componist en uitgever Christophe Le Menu de Saint-Philibert (ca.1720-1774), de suite “La dupuits”, de cantate “Le Bouquet” en een Sonate van Jean-Baptiste Dupuits (periode 1741-ca.1757), “Musette en Rondeau” van Louis-Claude Daquin, een Sonate en een “Duo de vielle et violon” van Monsieur Ravet, “La Furstemberg” van Michel Corrette, een Sonate van Charles Bâton, en “Musette en Rondeau” van Jean-Philippe Rameau.

De uitvoerders zijn de schitterende, Duitse sopraan Monika Mauch, de Canadese violiste Ellie Nimeroski, de Engelse gambiste Caroline Ritchie, Marc Meisel, klavecimbel, Esteban La Rotta, theorbe en de Canadese Tobie Miller, draailier en directie. Tobie Miller schreef daarnaast ook nog eens de heel interessante tekst in het bijhorend boekje. De teksten van de mooie cantaten staan er ook in. Een heel bijzondere, originele cd. Niet te missen!

La Belle Vielleuse The virtuoso hurdy-gurdy in 18th century France Ensemble Danguy Tobie Miller cd Ricercar RIC 382