Sir William Walton, The Collector’s Edition bij EMI. Niet te missen!

Walton is meer dan alleen  “Façade” en “Belshazzar’s Feast”. Meer dan 30 solisten, 9 dirigenten en  wel 8 orkesten  nodigen U uit om 44 schitterende composities van de Britse componist William Walton (1902-1983) te ontdekken. 

De collectie biedt een uitgebreid overzicht van de lange en boeiende carrière van William Walton en onthult de vele facetten van zijn hoogstaande en eigenzinnige stijl. Van de levendige scherzando-stijl  van zijn vroege ouvertures, de energie en de dramatische kracht  van “Belshazzar’s Feast” en de Eerste Symfonie, de warme romantiek van de concerti, tot de pracht en praal van zijn Coronation marsen en zijn filmmuziek. Een aantal opnamen o.l.v. Walton zelf geven ons nog meer inzicht in de fascinerende wereld van de componist.

“Walton Collector’s Edition” is een verzameling van 12-cd’s. Uitvoerders en opnamen zijn historisch, wat een meerwaarde is. Onder de  uitvoerders bevinden zich Dame Janet Baker, Richard Cassilly, Ida Haendel, Thomas Hampson, Lynn Harrell, Nigel Kennedy, de tenor Anthony Rolfe Johnson en de gitarist  Tom Kerstens    en de dirigenten zijn Sir Adrian Boult, Carl Davis, Sir Charles Groves, Louis Frémaux, Bernard Haitink, Richard Hickox, Sir Neville Marriner, Andre Previn, Sir Simon Rattle en Sir William Walton zelf. Zij dirigeren het Philharmonia Orchestra, het London Symphony en het London Philharmonic Orchestra, het Bournemouth Symphony Orchestra, het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, het English Chamber Orchestra, het Royal Opera House Covent Garden Orchestra en het Royal Opera House Covent Garden Chorus.

Walton even voorstellen

William Walton werd geboren in 1902 in het grauwe, industriële Oldham, vandaag een burough van Manchester, in Lancashire. Hij werd geboren in een muzikale familie, als de tweede zoon in een gezin van drie jongens en een meisje. Zijn vader, Charles Alexander Walton, was een muzikant die  aan het Royal Manchester College of Music nog les had gekregen van Charles Hallé, en was beroepshalve, zangleraar en kerkorganist. Charles’ vrouw, Louisa Maria (geb. Turner), was een zangeres.

De decaan van Christ Church, dr. Thomas Strong, merkte het muzikaal talent van de jonge William  op en Sir Hubert Parry (foto), die de manuscripten van zijn vroege composities zag,  maakte de opmerking “There’s a lot in this chap,  you must keep your eye on him.”

Op de leeftijd van zestien werd Walton  een undergraduate van Christ Church. Er wordt wel eens gezegd dat hij  de jongste undergraduate in Oxford  was sinds Hendrik VIII. In elk geval was hij één van de jongste. Hij kwam onder  invloed van de organist Hugh Allen, de dominante figuur in het muzikale leven van Oxford, die hem  introduceerde in de  moderne muziek en de geheimen van het orkest. Walton bracht daarop veel tijd door in de universiteitsbibliotheek met het bestuderen van partituren van o.a. Stravinsky, Debussy, Sibelius en Roussel. Hij verwaarloosde echter zijn niet-muzikale vakken, en faalde voor Grieks en algebra.

In Oxford raakte Walton bevriend met verschillende dichters waaronder Roy Campbell, Siegfried  Sassoon en vooral  met Sacheverell Sitwell. Walton werd in 1920 weggestuurd  van Oxford  zonder diploma of  concrete plannen, waarop Sitwell hem uitnodigde om in Londen bij hem en zijn literaire broer en zus, Osbert en Edith, te komen inwonen. Walton nam zijn intrek in de zolder  en herinnerde zich later, “Ik ging voor een paar weken en bleef ongeveer vijftien jaar”.

De Sitwells zorgden voor hun protegé,  zowel materieel als cultureel, waardoor hij niet alleen een thuis, maar ook een hoogstaande, stimulerende, culturele vorming kreeg. Hij kreeg muzieklessen van Ernest Ansermet, Ferruccio Busoni en Edward J. Dent, woonde voorstellingen bij van de Ballets russes, ontmoette Stravinsky en Gershwin, en hoorde de  Britse Band, The Savoy Orpheans in het Savoy Hotel. Walton componeerde  een experimenteel strijkkwartet dat sterk beïnvloed was door de Tweede Weense School, en dat in 1923 uitgevoerd werd  op het festival van nieuwe muziek  in Salzburg. Alban Berg was er bij en was zo onder de indruk dat hij de jonge Walton voorstelde aan  Arnold Schoenberg.

In 1923 had Walton, in samenwerking met Edith Sitwell (1884-1964),  zijn eerste grote succes, al  was het een succès de scandale. “Façade” werd dat jaar voor het eerst uitgevoerd in het openbaar in de Aeolian Hall in London. Het werk bestond uit Ediths verzen, die ze reciteerde door een megafoon van achter een scherm, terwijl Walton  een ensemble van zes spelers aanvoerde. De pers was over het algemeen negatief. Onder het publiek waren Evelyn Waugh, Virginia Woolf en Noël Coward. Deze laatste was zo verontwaardigd over het avant-garde karakter van Sitwells verzen en de enscenering, dat hij ostentatief de zaal verliet. Ook de muzikanten hielden niet van het werk. Zo vroeg  de klarinettist  de componist, “Meneer Walton, heeft een klarinettist U ooit iets misdaan?” Desalniettemin werd het werk naderhand geaccepteerd, en werd de compositie bekend door de choreografie van Frederick Ashton (1904-1988).

Waltons composities  uit de jaren ‘20, toen hij inwoonde bij de Sitwells, waren onder meer de ouverture “Portsmouth Point”, opgedragen aan Sassoon en geïnspireerd door de gelijknamige, levendige ets van de plaatselijke pubs en bordelen van Thomas Rowlandson (1756-1827), “Siesta” (1926), en een Sinfonia Concertante voor piano en orkest (1928).

Het Concerto voor altviool (1929) bracht Walton op de voorgrond van de Britse (klassieke) muziek. Het werd geschreven op voorstel van Sir Thomas Beecham voor de joodse altvioolvirtuoos Lionel Tertis (1876-1975) die een Montagnana uit 1717 bespeelde. Wanneer Tertis het manuscript zag, verwierp hij het ​​echter. De toen veel jongere altist Paul Hindemith  sprong in de bres en gaf de eerste uitvoering. Het werk werd met enthousiasme begroet. In de pers kon je lezen : “Deze jonge componist is een geboren genie”. Tertis veranderde van opinie en nam het werk op in zijn repertoire.

Waltons volgende grote compositie was de massale koorcantate “Belshazzar’s Feast”(1931). Het begon als een werk op bescheiden schaal. De BBC gaf nl. opdracht tot een compositie voor klein koor, een orkest van niet meer dan vijftien spelers, en een solist. Osbert Sitwell stelde een tekst samen,  die hij koos uit verschillende boeken van het Oude Testament. Tijdens het componeren vond Walton dat zijn muziek een veel grotere kracht vereiste dan de BBC had voorgesteld. Uiteindelijk  programmeerde Beecham het werk voor het 1931 Leeds Festival, o.l.v. Malcolm Sargent.

In de jaren ‘30, bekoelde Waltons relatie met de Sitwells. Hij had nl. liefdesaffaires en nieuwe vriendschappen. Zijn eerste  affaire was met Imma von Doernberg, de jonge weduwe van een Duitse baron. Zij en Walton ontmoetten elkaar in de late jaren ‘20 en ze waren samen tot 1934, toen zij hem verliet. Zijn latere affaire met Alice, Viscountess Wimborne (1880-1948) (foto),  van 1934 tot aan haar dood, veroorzaakte een nog een grotere breuk tussen Walton en de Sitwells. Zij had nl. een even grote hekel aan hen als zij hadden aan haar. In de jaren ‘30 verdiende Walton  genoeg met componeren, dat het hem voor de eerste keer in staat stelde, financieel onafhankelijk te zijn. Door een erfenis van een muzikale weldoenster in 1931 verbeterde zijn financiële toestand nog. In 1934 verliet hij het huis van de Sitwells  en kocht een eigen huis in de luxueuze wijk Belgravia in Londen.

Waltons eerste belangrijke compositie na “Belshazzar’s Feast”, was zijn Eerste symfonie. Ze werd niet geschreven in opdracht, en Walton werkte er langzaam aan, van eind 1931 tot 1935. Hij componeerde de eerste drie van de vier bewegingen tegen het einde van 1933 en beloofde de première toe aan  Hamilton Harty (1879-1941). Walton merkte echter dat hij niet in staat was om het werk te voltooien. Het componeren van de muziek viel immers samen met het einde van zijn affaire met Imma von Doernberg. Harty haalde Walton over om hem in 1934 de drie voltooide bewegingen te laten uitvoeren met het London Symphony Orchestra. Tijdens 1934 onderbrak Walton het werk aan de symfonie om zijn eerste filmmuziek te componeren, “Escape Me Never” (1934). Na acht maanden hervatte Walton het werk aan zijn symfonie en voltooide ze in 1935. Harty leidde de première met het BBC Symphony Orchestra op 6 november 1935, maakte de eerste opname, en de symfonie wekte internationale belangstelling. Aan Wilhelm Furtwängler en Willem Mengelberg werden kopieën van de partituur gestuurd, Eugene Ormandy en het Philadelphia Orchestra gaven de Amerikaanse première, en de jonge George Szell voerde de symfonie uit in Australië.

Violist Jascha Heifetz gaf opdracht aan Walton tot het componeren van een Vioolconcerto. In dit  concerto uitte Walton  zijn liefde voor Alice Wimborne, geboren als the Honourable Alice Grosvenor, de dochter van Robert Grosvenor, 2nd Baron Ebury. Ter gelegenheid van het huwelijk van the Honorable Ivor Guest met Lady Mabel Fox-Strangeways, de zoon van Lady Alice Wimborne, legde Walton het vioolconcerto even opzij en componeerde voor het huwelijk zijn a capella anthem “Set me as a seal upon thine heart”, op tekst van het 6de en 7de vers van hoofdstuk 8 uit het Hooglied van Salomon. En omdat Elgar gestorven was  in 1934, wendden de autoriteiten zich in 1937 tot Walton voor een mars in  Elgar traditie, voor de kroning van George VI. Zijn “Crown Imperial” was meteen een succes. Andere werken uit die periode waren filmmuziek, toneelmuziek bij Shakespeare’s “As you like it” (1936), een  ballet voor een West End revue (1936), en het koorwerk “In Honour of the City of London” (1937), muziek bij het gedicht van William Dunbar (1465-1520).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd Walton vrijgesteld van militaire dienst, op voorwaarde dat hij muziek zou componeren voor oorlogspropagandafilms. Naast het rijden met ambulances, was hij verbonden aan de Film Unit als muziekadviseur. Tijdens de oorlog componeerde hij muziek voor zes films waaronder Laurence Oliviers bewerking van Shakespeare’s “Henry V” (1944) en componeerde hij zijn aanstekelijke prelude “The First of the few” over vliegtuigbouwer R.J.Mitchell (1895-1937), de ontwerper van de Spitfire, voor de gelijknamige film  van Leslie Howard met David Niven,  naar de woorden van Winston Churchill, “Never in the field of human conflict was so much owed by so many to so few.”

Voor de BBC componeerde Walton de muziek voor een grootschalig radiodrama over Columbus, geschreven door Louis MacNeice met Olivier. Afgezien van deze commissies, componeerde Walton in oorlogstijd toneelmuziek bij John Gielguds productie van “Macbeth” (1942), twee werken voor het Sadler’s Wells Ballet, “The Wise Virgins”, gebaseerd op  muziek uit cantaten van J. S. Bach (uitgekozen door Constant Lambert), en “The Quest”,  gebaseerd op Spensers “The Faerie Queen”, en, voor de concertzaal, een suite van orkestrale miniaturen, Muziek voor kinderen, en een komische ouverture, “Scapino”, gecomponeerd voor de vijftigste verjaardag van het Chicago Symphony Orchestra.

Waltons huis in Londen werd in mei 1941 verwoest door Duitse bombardementen, waarna hij veel van zijn tijd doorbracht in het huis van Alice Wimborne’s familie in Ashby St. Ledgers, op het platteland van Northamptonshire,  in het midden van Engeland. De schitterende, oude Tudor Manor was verbouwd door architect Sir Edwin Lutyens voor Ivor Guest, 1st Viscount Wimborne, de vader van Alice..

In 1947 kreeg Walton de Gouden Medaille van de Royal Philharmonic Society en in hetzelfde jaar accepteerde hij een uitnodiging van de BBC om een  (eerste) opera te componeren. Zijn keuze viel op Chaucers “Troilus and Criseyde”, maar zijn voorbereidend werk kwam tot stilstand in april 1948 toen Alice Wimborne overleed. Om Waltons gedachten af ​​te wenden van zijn verdriet, haalde de muziekuitgever Leslie Boosey hem over om als Brits afgevaardigde, deel te nemen aan een conferentie over het auteursrecht in Buenos Aires. Daar ontmoette Walton Susana Valeria Rosa María Gil Passo (1926-2010), de heel mooie dochter van een Argentijnse  advocaat. Met haar  22 jaar was ze 24 jaar jonger dan Walton (Alice Wimborne was 22 jaar ouder), en aanvankelijk vond ze zijn romantische interesse in haar, belachelijk. Hij hield echter vol, en  uiteindelijk accepteerde ze zijn voorstel om met haar in het huwelijk te treden. De bruiloft werd gehouden in Buenos Aires in december 1948. Vanaf het begin van hun huwelijk, bracht het paar  de helft van het jaar door op het paradijselijke Italiaans eiland Ischia in de baai van Napels en vanaf midden jaren ’50, woonden ze er permanent.

Waltons laatste werk uit  de jaren ‘40 was zijn filmmuziek voor “Hamlet” (1948) van Laurence Olivier. Daarna richtte hij zijn aandacht opnieuw op zijn opera “Troilus and Cressida”. Op advies van de BBC, nodigde hij Christopher Hassall (1912-1963) uit om het libretto te schrijven. Dit viel niet in goede aarde bij  de Sitwells, van wie elk dacht dat hij of zij gevraagd zou worden om het libretto te schrijven. In 1950 namen Walton en Heifetz  het Vioolconcerto op voor EMI. In 1951  werd Walton geridderd en in 1953 werd hem gevraagd om een kroningsmars te componeren voor de kroning van Elisabeth II, “Orb and Sceptre”. Hij kreeg ook de opdracht om een Te Deum voor de gelegenheid te schrijven.

In 1956 verkocht Walton zijn huis in Londen en verhuisde naar Ischia. Hij bouwde een huis op een heuvel in  Forio en noemde het “La Mortella”. Susana Walton legde daar een prachtige tuin aan. Waltons andere werken van de jaren ‘50 waren onder meer de muziek voor een vierde Shakespeare film, Oliviers “Richard III”, en het Celloconcerto (1956) voor Gregor Piatigorsky, die de première speelde  in januari 1957 met het Boston Symphony Orchestra o.l.v. Charles Munch.

In 1966 werd Walton met succes geopereerd aan longkanker. Tot dan toe was hij  een verstokte pijproker. Terwijl hij herstelde werkte hij aan een komische eenakter, “The Bear”, die in première ging op Brittens Aldeburgh Festival, in juni 1966, en enthousiast werd ontvangen. Walton kreeg in 1967, na Elgar, Vaughan Williams en Britten, in 1967 de prestigieuze Order of Merit.

Waltons orkestwerken uit  de jaren ‘60 waren onder meer zijn Tweede Symfonie (1960), Variaties op een thema uit het Celloconcerto van Hindemith (1963), Capriccio Burlesco (1968), en Improvisaties op een thema uit de derde beweging “Impromptu” van het Pianoconcerto van Benjamin Britten (1969). Dit laatste was een opdracht van de Joods-Amerikaanse biochemicus Ralph Dorfman (1911-1985), die in navolging van Gregory Pictus en de Belgische gynaecoloog Ferdinand Peeters, de birth control pill verder ontwikkelde. De compositie werd opgedragen aan het San Fracisco Symphony Orchestra en hun dirigent, Josef Krips (1902-1974). Zijn liedcycli uit deze periode werden gecomponeerd voor Peter Pears (Anon. in Love, 1960) en Elisabeth Schwarzkopf (“A Song for the Lord Mayor’s Table”, 1962). In 1969 kreeg hij de opdracht om  muziek te componeren voor de film “Battle of Britain”, maar de filmmaatschappij liet het grootste deel vervangen door muziek van Ron Goodwin (1925-2003), die ook de muziek componeerde voor de films “Where Eagles Dare”,” 633 Squadron”, “Operation Crossbow”, “Those Magnificent Men in Their Flying Machines” en  Alfred Hitchcocks “Frenzy”. Een concertsuite eruit werd gepubliceerd en opgenomen na Waltons dood. Na zijn negatieve ervaring met “Battle of Britain”, verklaarde Walton dat hij geen filmmuziek meer wou componeren. Hij werd weliswaar in 1969 door Laurence Olivier (foto) toch overgehaald, om ook nog de muziek voor de film “Drie Zusters” naar Tsjechov te componeren.

De laatste tien jaar vond Walton componeren almaar moeilijker. Hij probeerde herhaaldelijk  om een ​​derde symfonie te componeren voor Andre Previn (°1929), maar zag uiteindelijk af van het idee. Veel van zijn laatste werken waren herorkestraties of herzieningen van eerder gecomponeerde muziek. Hij orkestreerde bvb. zijn liedcyclus “Anon. in Love” (oorspronkelijk voor tenor en gitaar), en op verzoek van Neville Marriner, bewerkte hij zijn  Strijkkwartet tot zijn Sonata for Strings. Een origineel werk uit deze periode was zijn Jubilate Deo, in première gespeeld als één van de evenementen om zijn zeventigste verjaardag te vieren. De Britse premier, Edward Heath, gaf een verjaardagsdiner voor Walton in 10 Downing Street, bijgewoond door leden van de Koninklijke familie en Waltons meest eminente collega’s. Britten (foto) presenteerde een Walton avond in Aldeburgh, en Previn dirigeerde een all-Walton concert in de Royal Festival Hall.

Walton herzag  de partituur van Troilus and Cressida voor Janet Baker en de opera met haar pornografisch liefdesduet zoals Walton het omschreef, “with words so impassioned as to set fire to the typewriter”,  werd opgevoerd in Covent Garden in 1976.

De componist  overleed in La Mortella op 8 maart 1983, op de leeftijd van 80. Zijn as werd begraven op Ischia en de herdenking werd gehouden in Westminster Abbey, waar een gedenksteen aan hem werd onthuld in de buurt van deze van Elgar en Britten. Deze box brengt hulde aan één van Engelands grootste componisten van de 20ste eeuw en nodigt uit tot meer kennis en erkenning van Waltons fantastische muziek, van zijn grandioos oeuvre. Niet te missen!

Walton – The Collector’s Edition diverse uitvoerders 12 cd EMI 4408582

http://www.stretto.be/2017/11/22/muziek-van-william-walton-1902-1983/