Guido van Hengel De zieners Toekomstvisioenen uit een verloren Europa bij Ambo/Anthos.

Net voor de Eerste Wereldoorlog kruisten de wegen van de Nederlandse schrijver en utopist Frederik van Eeden, de Duitse mystieke filosoof Erich Gutkind en de Servische goeroe Dimitrije Mitrinović elkaar. Samen probeerden ze een ‘bloedbond van Europese genieën’ op te richten. Met hun hooggestemde idealen over het redden van de mensheid en Europese integratie wilden ze een schijnbaar stuurloos Europa de weg wijzen.

De ‘zieners’, gaat over kleine en grote profeten van Europees onbehagen uit de tijd van Spengler. Het is een verhaal van visionairen die in hun kamers associëren en fantaseren, terwijl daarbuiten de duisternis valt van de Europese twintigste eeuw. Deze geschiedenis is opgehangen aan de levens van de Nederlandse schrijver en utopist Frederik van Eeden (1860-1932), de Duitse mystiek filosoof Erich Gutkind (1877-1965) en de Bosnisch-Servische goeroe Dimitrije Mitrinovic (1887-1953) – drie Europeanen in een tijd van wereldoorlogen, revoluties, economische crisis en opkomend fascisme. Zij dachten na over een toekomstige orde die voorbijging aan de toen heersende ideologieën van het liberalisme, het socialisme, het fascisme en het nationalisme.

De eeuw van het duistere continent begon met utopisch vergezichten en ontspoorde halverwege met massaslachtingen, goelags, concentratiekampen en barbaarse cultuurpolitiek. De Holocaust, het absolute dieptepunt van de ‘donkere eeuw’, werd zo de negatieve ‘oprichtingsmythe’ van Europa. Die Tweede Wereldoorlog en de Holocaust zouden daarom een voorlopig einde maken aan het visionaire denken, en Europa kon in 1945 afscheid nemen van het ‘epische en het tragische’. Het was zaak geworden de geschiedenis, het heden en de toekomst opnieuw in te vullen met een Europa waar je je niet voor hoefde te schamen. De Britse premier Winston Churchill deed in de naoorlogse jaren een paar memorabele pogingen tot een peptalk en was in 1949 een belangrijke initiator van de oprichting van de Raad van Europa, een organisatie voor mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie. Maar de contouren van de Koude Oorlog doemden op, en voor veel Europeanen in het oosten gloorde er geen hoop aan de horizon.

Tijdens de oorlog schreef de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper zijn beroemd traktaat ‘De open samenleving en haar vijanden’, dat na de oorlog werd uitgebracht. Hierin maakte hij gehakt van het totalitaire denken, en waarschuwde hij voor de mystieke, irrationele profetieën van de zieners (oorspronkelijk zou het boek zelfs ‘De valse profeten’ gaan heten). Hij stelde vast dat de filosoof Plato mensen had ‘betoverd’ en dat Marx en Hegel ‘profeten’ waren geweest. De boodschap aan zijn lezers was helder: ‘Het streven om de hemel op aarde te realiseren leidt onvermijdelijk tot een hel’.

Historici dateren de belle époque van Europa vóór 1914. Daarna verloor Europa zijn glans. Maar bovenal raakte Europa in de eerste drie decennia van de twintigste eeuw doordrongen van het besef in een ‘moderne tijd’ te leven, die een cesuur aanbracht met het irrationele, domme, onverklaarbare en geestelijke onrijpe, ooit magische verleden. Socioloog Max Weber noemde dit proces de ‘onttovering van de wereld’.

In deze overgangstijd werkten en leefden Van Eeden, Gutkind en Mitrinovic. De titel van het boek is ‘De Zieners’. ‘Ziener’ (een kenner van de buitenzintuiglijke wereld) is hier overdrachtelijk bedoeld. Goedbeschouwd was Frederik van Eeden helemaal geen ziener, en van Gutkind en Mitrinovic zou je het kunnen betwisten. ‘Ziener’ in deze context, schrijft van Hengel, verbind ik daarom vooral aan geestelijk en moreel leiderschap dat de politieke of sociale context overstijgt. Toch waren de drie hoofdrolspelers, net als veel intellectuele tijdgenoten, gegrepen door het occulte. Van Eeden stond in contact met geesten van overleden collega’s, Gutkind was een anti-wetenschappelijke mysticus en Mitrinovic sprak een zelfbedachte orakeltaal die ‘de achter- en onderliggende werkelijkheid moest aanraken’. Niet de ratio, maar de mystieke ervaring bracht hun kennis. In die zin waren deze drie intellectuelen óók zieners.

Hun zielenstrijd met moderniteit en magie, vervolgt van Hengel, vond plaats in de context van drie religieuze tradities, te weten het katholicisme, het Jodendom en de Slavische orthodoxie. Tevens verpersoonlijken ze, als Nederlandse wereldburger, Joods-Duitse Europeaan en Bosnisch-Servische en voormalig Oostenrijks-Hongaarse Londenaar, een historisch Europa. Ze correspondeerden met elkaar, leerden van elkaar, schreven artikelen voor elkaars tijdschriften en manifesten – het betreft een transnationaal intellectueel netwerk. Het boek bevat grofweg twee grote thema’s, te weten de redding van de moderne mens, en de ordening van het nieuwe Europa.

‘De zieners’, vervolgt de auteur, gaat over geestelijk leiderschap op het kruispunt van socialisme, liberalisme en fascisme – ideologieën die Bauman van binnenuit had leren kennen. Op dat kruispunt is het moeilijk kiezen, helemaal als je behept bent met charisma en mensen je woorden heel serieus nemen en in praktijk gaan brengen. Daarom balanceren Van Eeden, Gutkind en Mitrinovic voortdurend tussen bedrog en verbeelding, aanstelleritis en bezieling en het redden van de mensheid en het verdragen van welgeteld één enkele persoon. De zieners spraken van grote geheimen, eeuwige waarheden, mystieke ervaringen, diepe essenties en occulte ontmoetingen.

Hitlers NSDAP, schrijft van Halen, kwam voort uit het occulte ‘Thule-Genootschap’, een geheime orde waarvan de leden theosofische ideeën combineerden met rassentheorieën. Minder occult maar eveneens symbolisch was het werk van Spengler, profeet van ‘De ondergang van het Avondland’. Zijn belangrijkste conclusies waren niet gebaseerd op empire, maar op het ‘Verstehen’ (verstaan) – een intuïtieve en irrationele observatie van het wezen en karakter der dingen. Over de foutheid van Spengler (foto) bestaat geen twijfel. Hij steunde begin jaren dertig de nationaalsocialistische beweging en bracht zijn stem uit op Hitler. Later keerde hij zich af van de NSDAP omdat hij ze als partij te democratisch en te ‘volks’ vond.

Veel kunstenaars en filosofen uit de jaren twintig en dertig, vervolgt van Hengel, ondersteunden totalitaire regimes vanuit de gedachte dat mensen als Mussolini of Hitler het kille materialisme konden omtoveren tot een vitalistisch, heroïsch levensgevoel. Het zou geschiedvervalsing zin om al die genootschappen en zieners historisch te isoleren. In de jaren tien, twintig en dertig deelden veel Europeanen hun zorgen over moderne spirituele leegte, gebrek aan bezieling en de degeneratie van mensenrassen.

Het verhaal van een verenigd Europa, ten slotte, werd na de oorlog tastbaar gemaakt in de meer profane Gemeenschap van Kolen en Staal. Veel van de politieke personalisten, onder wie ook enige volgelingen van Mitrinovic, zouden zich na de oorlog inzetten voor de Europese eenheid. Mensen als Alexandre Marc koppelden de decentralisering van het personalisme aan de federalisering van Europa. De Europese eenheidsgedachte evolueerde in de tweede helft van de twintigste eeuw echter steeds meer naar een technocratische en administratieve kwestie. Het mythische Europa was voortaan een interne markt met melkquota en landbouwsubsidies. Misschien was het laatste euforische, emotionele moment op weg naar de Europese utopie wel de enorme uitbreiding van de Europese Unie in 2004. De New Group had in het interbellum geplet voor het samenbrengen van het Slavische oosten met het ‘bewuste’ westen. Dit was bereikt, op de drempel van de eenentwintigste eeuw. Maar kort daarna pakten de wolken zich samen boven het continent. De Europese grondwet werd ontworpen, een economische crisis brak uit en daarna kwam de populistische revolte.

Pas recentelijk wordt er (weer) gedebatteerd over de vermeende essentie van zo’n verenigd Europa. Dat heeft alles te maken met een gevoel van dreiging, schrijft van Hengel. Sommigen zien de dreiging in de komst van vreemdelingen, anderen in de bestrijding van die komst van de vreemdelingen. Hoe het ook zij, het einde van een verenigd Europa is denkbaar geworden, en daarom zoeken Europeanen naar de geestelijke en emotionele wortels.

De pioniers van de jaren twintig en dertig, zo schrijft hij, vonden een tegenhanger van de natiestaten in de ‘gemeenschappen’. Die gemeenschappen behoorden toe aan een hiërarchische samenleving waarin ‘iedereen zijn plaats weet’. Links waren deze Europeanen dus zeker niet. Veel Franse voorstanders van Europese integratie waren rabiaat katholiek, ze verlangden naar de middeleeuwen of hadden nostalgische gevoelens bij een vermeende verloren cultuur. Bovendien zagen ze geen problemen in het in die tijd vast geankerde kolonialisme en antisemitisme.

Als ondogmatische en atypische visionairen, zo lezen we, streefden Van Eeden (foto), Gutkind en Mitrinovic niet naar nationale eenheid, maar naar persoonlijke eenheid, die stap voor stap bereikt zou kunnen worden – uiteraard in het licht van de eeuwigheid. Van Eeden geloofde dat hij door middel van zijn activiteiten in de woonkolonie Walden en in de Forte-Kreis in staat was zijn eigen, diepgevoelde persoonlijke overtuigingen te delen met andere personen, en zo te verspreiden. Hij beïnvloedde Gutkind en ook Martin Buber, die de thematiek van de échte menselijke ontmoeting later verwerkte in zijn ‘Ik en jij’. Mitrinovic, vervolgens, hoopte met zijn ‘Senaat’ een klein laboratorium te stichten om de mensheid te trainen in ontmoetingen, hoe moeilijk ook, teneinde een soort kosmopolitisch burgerschap te kweken. Van Eedens Walden mislukte, en Mitrinovic’ Senaat was niets minder dan een ongemakkelijke sekte. Gutkind faalde in Potsdam, in Capri en in 1928 in Hagen, besluit van Hengel.

De protagonisten zijn onderverdeeld in Forte-Kreis/Bloedbond (Potsdam) The New Age (Londen) Blaue Reiter (München), de Adler Society en de New Europe Group. Het zijn naast de genoemde drie beroemdheden, de Nederlandse sinoloog en schrijver Henri Borel, de Zweedse psychotherapeut Poul  Bjerre, de Duitse mystiek filosoof Erich Gutkind, de Duitse grootindustrieel en minister in de Weimar republiek Walter Rathenau, de Duitse theoloog en schrijver Florens Christian Rang, de Russische avant-gardistisch schilder en kunsttheoreticus Wassily Kandinsky, de Duitse expressionistische schilder Gabriele Münter, de Britse econoom, bedenker van Social Credit Major C. H. Douglas, de Britse redacteur en schrijver Alfred Orage, de Oostenrijkse psychoanalyticus Alfred Adler, de volger van Mitrinovic, organisator en initiator van de 11th Hour, Winifred Gordon Fraser, de Bosnisch-Servische mysticus en goeroe Dimitrije Mitrinovic, de Britse schrijver, redacteur en econoom Charles Purdom, de Britse radiochemicus, Nobelprijs voor Scheikunde 1921 Frederick Soddy, het Russisch medium en grondlegger van de theosofie Helena Petrovna Blavatsky en de Russische christelijke filosoof Vladimir Solovjov. Een bijzonder interessant, deskundig en onderbouwd geschreven boek. Een absolute aanrader.

Guido van Hengel is een getalenteerde schrijver en historicus. In 2014 publiceerde hij “De dagen van Gavrilo Princip”, een uitstekende cultuurgeschiedenis over een generatie jonge revolutionairen aan de vooravond van de Grote Oorlog. Hij studeerde in Groningen, Jena en Belgrado en werkte als redacteur, onderzoeker en vertaler. Hij is momenteel werkzaam bij de vakgroep Eigentijdse Geschiedenis.

Guido van Hengel DE ZIENERS Toekomstvisioenen uit een verloren Europa 224 bladz. Ambo/Anthos ISBN 9789026332104

http://www.stretto.be/2018/03/14/guido-van-hengels-de-dagen-van-gavrilo-princip-hoe-een-jonge-rebel-de-eerste-wereldoorlog-ontketende-een-bijzondere-uitgave-van-ambo-anthos/#more-7563