Geert Buelens over “De jaren zestig”, een monumentale uitgave van Ambo/Anthos.

In “De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis”, het langverwacht nieuw boek van prof. dr. Geert Buelens, hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, wordt het beeld van het roemrucht decennium gekanteld en aangevuld met cultuuruitingen vanuit de hele wereld.

Een boek over de jaren zestig gaat over The Beatles, Bob Dylan, Provo en de minirok. Maar om dit decennium te begrijpen zijn volgens Buelens internationale kassuccessen als West Side Story en The Sound of Music minstens zo belangrijk. En wat gebeurde er eigenlijk in de rest van de wereld, vraagt hij zich af? Artistieke en culturele ontwikkelingen achter het IJzeren Gordijn, in Afrika, Latijns-Amerika en Azië werpen een verfrissend licht op deze tijd.

De protestsongs van Dylan worden aangevuld met Congolese cha-cha-cha, westerns uit de DDR, Japanse computerkunst, horrorfilms uit Tsjechoslowakije, modefotografie uit Mali, Chinese popmuziek en feministische gedichten uit Iran. Buelens laat zien hoe grote geopolitieke en culturele ontwikkelingen in elkaar grepen en voor een omwenteling van waarden zorgden. Zo werd de populaire cultuur geboren die tot vandaag zowel inspireert als controversieel is.

Nostalgie naar de hippietijd mag ons niet leiden. Ze brengt ons nergens. Was het niet juist de kracht van de sixties dat mensen niet meer omkeken naar het verleden? Ze bestormden het heden en droomden van de toekomst, schrijft Buelens. Hij concludeert dat de wereld er in die periode misschien op vooruitgegaan is, maar dat de grote belofte die de jaren zestig met zich meedroegen, een nieuwe wereld waar iedereen mocht meedoen en waarin iedereen ook wat te zeggen had, die belofte niet is waargemaakt, zo lezen we. “In 1960 werd de wereld beheerst door witte mannen, en die witte mannen zijn nog steeds niet bereid die macht af te staan.”

Buelens benadrukt ook de belangrijke rol die de zwarte cultuur speelde in de jaren zestig. Soulmuziek werd aan de lopende band opgenomen, en naarmate de jaren zestig voortschreden, begon die muziek een rol te spelen in de emancipatie en gelijkheidsstrijd van de zwarte bevolking in de V.S. “Say it loud. I’m black and I’m proud”. De woorden van James Brown blijven vandaag nazinderen. Wij zijn in Europa geneigd om het in onze analyse van de jaren 60 te hebben over Bob Dylan, Jefferson Airplane en The Beatles, maar kijk naar de hitlijsten van vandaag, rock-‘n-roll is er ondergeschikt aan de hiphop. En waar liggen de roots van de hiphop? In de zwarte cultuur van de jaren 60.”

De mondialiseringsgolven van de jaren zestig, schrijft Buelens, waren voornamelijk cultureel, maar ook politiek en economisch. De dekolonisatie maakte de wereld groter; de twee grootmachten leken tijdens deze fase van de Koude Oorlog in een verstikkende en tijdens de Cubacrisis bijna catastrofale omhelzing verwikkeld, maar voor het eerst eisten met Kwame Nkrumah, Léopold Senghor en Julius Nyerere, zwarte leiders hun plaats op het wereldpodium op.

De zwarte politieke cultuur, vervolgt Buelens, stelden de morele heerschappij van het witte Westen in vraag en op een boogscheut van Florida deed het communistische Cuba hetzelfde met de suprematie van de Verenigde Staten. Het communistisch deel van Europa ontpopte zich intussen tot de grote verdediger van de verdrukte volkeren in Afrika, Azië en Latijns-Amerika, in de vergeefse hoop dat daarmee aan het oog zou worden onttrokken hoezeer ze hun eigen bevolking beknotten.

In grote delen van de wereld, schrijft hij verder, waren nu voor het eerst voldoende mensen bemiddeld en vrij genoeg om cultuur een centrale plek in hun leven te geven. Overheden investeerden massaal in onderwijs, wetenschap en kunsten, de Koude Oorlog ging immers ook om de ‘hearts, minds and brains’ van de eigen bevolking. De transistorradio, de televisie en de bandrecorder maakten de cultuur op grote schaal draagbaar.

Inspiratie en motivatie konden in de jaren zestig uit de hele wereld komen. Mao’s ‘Rode Boekje’ dook op in nouvelle-vague films en bij de Black Panthers. Frantz Fanon uit Martinique gold als een revolutionair denker in Algerije en Frankrijk, maar ook in Argentinië. Vanuit India kwam een religieus reveille op gang waardoor westerse jongeren naar Katmandu trokken zoals hun ouders op bedevaart waren gegaan naar Lourdes, Soul en psychedelica regeerden zowel in Memphis en Londen als in Rio, Jakarta en Lagos. Washington D. C. protesteerden tegen de Vietnamoorlog, maar ook Tokio, Havana en Amsterdam. In die laatste stad ontstond met Provo een ecologisch bewuste beweging die Engelse popsongs inspireerde (‘My White Bicycle’ van Tomorrow), evenals de jonge revolutionairen in West-Berlijn en San Francisco, zo lezen we.

De artistieke expressie in het communistische deel van Europa werd alom beperkt, maar dat verhinderde niet dat zich achter het IJzeren Gordijn, een filmcultuur ontwikkelde die inventiever en soms zelfs radicaler was dan die in het zogenaamde vrije Westen, of dat in dat Westen intussen volop toneelstukken en films werden verboden. Tijdens de Koude Oorlog droeg datzelfde Westen met royale subsidies zogenaamde autonome kunst uit, terwijl van Indonesië tot Guinee, en van Cuba tot China, uitgesproken politieke kunst werd gemaakt, bedoeld van en voor het volk. Het bleek een cruciale inspiratiebron voor de artistieke ontwikkeling van de zwarte cultuur in de Verenigde Staten, een protest tegen de witte norm, die door veel Amerikaanse en Europese kunstenaars al te vanzelfsprekend als ‘universeel’ werd gezien.

Van dat optimisme schiet vandaag nagenoeg niets meer over, schrijft Buelens. Op veel gebieden blijken we nog altijd vast te zitten in de maatschappelijke en culturele controverse van vijftig jaar geleden. Actuele debatten over racisme en feminisme, over identiteitspolitiek en de angst van vooral witte mannen voor een verlies aan waarde en macht, maar ook discussies over de verwaandheid van de intellectuele elite kennen hun oorsprong in de culturele oorlogen van de jaren zestig. Het onwrikbaar geloof in vooruitgang en maakbaarheid, vormt waarschijnlijk het meest essentiële verschil met vandaag. Een monumentaal boek dat u absoluut moet lezen! Onnoemelijk deskundig onderbouwd en interessant.

Geert Buelens (°1971) is een Vlaams dichter, essayist en columnist. Hij was enkele jaren docent aan de Universiteit van Antwerpen, en is nu hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht.

Geert Buelens DE JAREN ZESTIG, Een cultuurgeschiedenis 800 bladz. Uitg. Ambo|Anthos ISBN 9789026329395

http://www.stretto.be/2018/05/12/1968/#more-8984