Anton Bruckners Missa solemnis op het label Accentus. Schitterend!

Het label Accentus bracht een nieuwe cd uit met de opname van Bruckners Missa Solemnis, afgewisseld met composities van Robert Führer, Joseph Eybler en Johann Baptist Gänsbacher.

In deze opname wordt deze zelden uitgevoerde en onlangs opnieuw uitgegeven Mis, niet te verwarren met Bruckners drie andere Missen, in de context geplaatst van de wijding en installatie van de collegiale provoost Friedrich Mayr op 14 september 1854 in St.Florian, voor welke gelegenheid Bruckner de Mis componeerde. In het stift van Sankt-Florian werden die dag als proprium misgezangen, naast Bruckners Mis, het Graduale “Christus factus est” (1830) van Robert Führer (1807-1861) gezongen, het Offertorium “Magna et mirabilia” (1828) van Joseph Eybler (1765-1846) en het Te Deum (1844) van Johann Baptist Gänsebacher (1778-1844). Als sluitstukken, Bruckners Tantum Ergo en Magnificat. De opname op deze nieuwe cd van deze drie composities, alsook van Bruckners “Tantum ergo”, zijn world premiere recordings.

De familie Bruckner bestond uit boeren, herbergiers en drie generaties schoolmeesters. Het leven van de aspirant-componist speelde zich af in Ansfelden, Hörsching, Ebelsberg, St. Florian, Linz, Windhaag, Kronstorf en Enns. Allemaal dorpen en gehuchten in Neder- en Opper-Oostenrijk. In Bruckners tijd heetten die regio’s nog „Österreich unter der Enns“ en „Österreich ob der Enns“.

Anton Bruckner werd onderwijzer, leerde orgel spelen, studeerde muziektheorie en werd in 1856 op 31-jarige leeftijd, organist van de dom in Linz. In 1855 werd Bruckner benoemd tot Dom organist in Linz. Bisschop Rudigier was een van zijn trouwste aanhangers. Daarnaast bleef hij harmonieleer en compositie studeren. Belangrijke leermeesters in zijn Linzer studiejaren waren Simon Sechter in Wenen voor harmonieleer en contrapunt, en in Linz zelf, Otto Kitzler, die hem de weg naar de symfonie zou wijzen. Pas in 1864 en 1865 componeerde Bruckner respectievelijk zijn eerste grote mis (in d-klein) en zijn eerste symfonie (in c-klein).

Tot de leeftijd van 43 was Anton Bruckner weinig meer dan een plaatselijke belofte. Hoewel hij zich onweerstaanbaar aangetrokken voelde tot muziek, zocht hij almaar uitvluchten om te vermijden en uit te stellen dat hij zijn leven zou moeten opbouwen vanuit zijn creatieve ambities. Na elk denkbaar aspect van muziek gestudeerd te hebben, werd hij geconfronteerd met de belangrijkste beslissing van zijn leven. Of naar Wenen gaan en componeren, of in Linz blijven als organist, koorleider en muziekleraar. De druk van deze beslissing dompelde Bruckner in een zenuwinzinking.

Hij ging tussen mei en augustus 1867, in het gezelschap van een priester, drie maanden kuren in het sanatorium van Vinzenz Priessnitz in Bad Kreuzen. De “Anton-Bruckner-Quelle” in het Pfarrerwald herinnert vandaag nog in Bad Kreuzen aan het verblijf van de “Musikant Gottes”. Pas door zijn eerste grote Miscompositie (Mis nr. 1 in re klein (1864)), werd de 44-jarige Bruckner echt erkend als componist. Volgens Bruckners vriend Moritz von Mayfeld, scheen “Bruckner’s Gestirn“ nu „in vollem Glanze, leuchtend am Horizont”.

Het programma werd samengesteld door de Bruckner-specialist Benjamin-Gunnar Cohrs (°1965) (foto), die ook instond voor de nieuwe uitgave van Bruckners 6de–  en 7de symfonie in het kader van de Weense Anton Bruckner Urtext Gesamtausgabe, het vervolg op de Anton Bruckner Kritische Gesamtausgabe.

De Mis, gecomponeerd voor solisten, koor en orkest, vertoonde minder persoonlijke kenmerken in vergelijking met Bruckners in 1849 gecomponeerd Requiem. De Mis werd gecomponeerd in de Weense traditie verwijzend naar het werk van Haydn (de “Theresienmesse” en de “Harmoniemesse”), Mozarts Missa brevis K. 275 en Schubert Messe D. 324. De titel “Missa Solemnis” is enigszins misleidend omdat het werk relatief kort is en een beetje te rudimentair (het orkest in het bijzonder), voor een echte plechtige Hoogmis. Er is daarentegen wel een uitgesproken voorkeur aanwezig voor fugatisch schrijven (Gloria en Credo eindigen met een fuga), voor ritmisch ostinato (ostinato bas in het Credo), voor dramatische chromatiek (de uitroep Gloria in “Resurrexit” en in het Credo), en voor de thematische eenheid van de bewegingen. Sanctus en Benedictus hebben een instrumentaal ritornello, dat in het Agnus Dei sonoor uitgebreid wordt met hoorns en strijkers.

Dit is de 3de release van Accentus met het RIAS Kammerchor en de Akademie für Alte Musik Berlin, na de veelgeprezen opnamen van Mendelssohns “Elias” en Solocantaten voor bas van Johann Sebastian Bach met als solist Michael Volle. De solisten zijn hier Johanna Winkel (sopraan), Sophie Harmsen (mezzosopraan), Sebastian Kohlhepp (tenor) en Ludwig Mittelhammer (bariton). Opnamelocatie was het Konzerthaus in Berlijn. De kwaliteit van deze vier uitmuntende solisten en van de twee top ensembles, het RIAS-Kammerchor en de Berlijnse Akademie für Alte Musik, vormen een meerwaarde voor de uitvoering van deze bijzondere muziek. Schitterend!

ANTON BRUCKNER Missa solemnis Johanna Winkel Sophie Harmsen Sebastian Kohlhepp Ludwig Mittelhammer RIAS Kammerchor & Akademie für Alte Musik Lukasz Borowicz cd Accentus ACC30429

http://www.stretto.be/2019/11/15/requiem-en-trauermusik-van-de-jonge-anton-bruckner-door-rias-kammerchor-berlin-en-de-akademie-fur-alte-musik-berlin-o-l-v-lukasz-borowicz-op-het-label-accentus-hemels/