Cello concerti en een Symfonie van Carl Philipp Emanuel Bach door cellist Jean-Guihen Queyras op het label harmonia mundi.

De musici van het Duits strijkorkest Ensemble “Resonanz” spelen Carl Philipp Emanuel Bachs celloconcerti (H.432 en H.439) en symfonie (H.648) op moderne instrumenten. Solist is Jean-Guihen Queyras. Met deze opname maakt dirigent en violist Riccardo Minasi (°1978) zijn debuut bij harmonia mundi.

Jean-Guihen Queyras werd in 1967 in Montréal geboren maar verhuisde met zijn ouders naar Frankrijk. Na zijn studie aan het conservatorium in Lyon vervolmaakte hij zich in Duitsland. Vervolgens studeerde hij bij Timothy Eddy in de Verenigde Staten. Bij zijn terugkeer naar Frankrijk vervoegde hij zich bij het “Ensemble InterContemporain” van Pierre Boulez en onderhield contacten met Luciano Berio, György Ligeti, György Kurtág en Karlheinz Stockhausen. Queyras is docent aan de Musikhochschule Stuttgart en artistiek directeur van de “Rencontres Musicales” van de Haute-Provence. Zijn opname voor harmonia mundi van de zes suites voor cello solo van Bach (foto), werd door BBC Music Magazine bekroond als “Top cd”, en kreeg een Diapason d’or, CHOC du Monde de la Musique en 10 op Classica/Répertoire. Sinds november 2005 bespeelt Queyras een cello van Gioffredo Cappa (1696), uitgeleend door het Mécénat Musical Société Générale.

Tussen 1738 en 1768 woonde en werkte C.P.E. Bach (1714-1788) als klavecinist en componist in Ruppin en Berlijn. Daar componeerde de “Berlijnse Bach” o.a. zijn Magnificat (1749), een Paas cantate (1756), verschillende symfonieën en concerti, drie Liederbände, zijnde Geistliche Oden en liederen op teksten van Gellert (1758), Oden met melodieën (1762) en Sing-Oden (1766), en wereldlijke cantaten. In 1768 werd hij als “städtischer Musikdirektor und Kantor am Johanneum” in Hamburg, de opvolger van zijn overleden dooppeter, Georg Philipp Telemann.

C.P.E. Bach was een productieve componist van concerti, vooral voor klavier. Maar, net als zijn vader componeerde hij vaak een concerto voor verschillende instrumenten, waardoor het moeilijk te bepalen was, welke versie oorspronkelijk was. Zo werden de drie cello concerti (Wq 170-172), aanvankelijk beschouwd als transcripties van de klavecimbel versies, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat ze oorspronkelijk voor cello waren.

Onder de beste composities uit de periode in Berlijn, bevinden zich drie concerti voor cello en strijkers, die C.P.E. Bach tussen 1750 en 1753 componeerde. Hun ontstaansgeschiedenis kan niet achterhaald worden, hoewel aan het niveau van de solo partij te horen is dat de concerti bedoeld waren voor een gevorderde tot virtuoze cellist. Ook de orkestpartijen waren onconventioneel en technisch geavanceerd. In deze concerti vond Bach een stijl die een nieuwe richting liet zien. Orkest en solo-instrument gingen in dialoog, in tegenstelling tot de loutere virtuositeit die kenmerkend was voor veel concerti van zijn tijdgenoten. Bach integreerde de solo partij in een boeiende en doordachte, compositorische textuur met interessante en afwisselende ritornelli en een algemeen interessante muzikale inhoud, rijk aan expressie.

Het Concerto in la klein, Wq 170, gecomponeerd in 1750, presenteert in zijn openingsbeweging een vurig ritornello, gearticuleerd in korte motieven, dat eindigt met een krachtig unisono. De solo cello zorgt daarna voor een onverwacht contrast. De lange notenwaarden en de expressieve melodische lijn lijken een abrupte tempowijziging te suggereren. Pas wanneer het orkest na een paar maten verder gaat, wordt duidelijk dat het oorspronkelijk tempo gehandhaafd blijft. Terwijl de daarop volgende, langzame beweging een ‘gevoelige’ toon treft die kenmerkend was voor de ‘Empfindsamkeit’, neemt de finale opnieuw de gespannen dialoog aan met dansante ritmes.

Het concert in A Wq 172 (1753) laat op een meer dan voorbeeldige wijze, de kenmerken van zijn typische, Berlijnse stijl horen. De eenheid van affect, verlevendigd en omkaderd door motivische details, bevat een verbazingwekkende verscheidenheid. Elke muzikale gedachte lijkt afgeleid en het logisch gevolg te zijn van de voorgaande. De spanning die systematisch is opgebouwd in de langzame beweging, wordt ontladen in de prachtige finale op het ritme van een gigue.

De concerti worden ter afsluiting gevolgd door de briljante Symfonie in G voor strijkers Wq 173 uit het jaar 1741, één van de eerste voorbeelden van de strijkerssymfonie als nieuw genre. In deze symfonie is Bachs meesterschap van omgang met orkestrale kleuren, formele ontwikkeling en individuele bewegingen opmerkelijk. Een fris Allegro assai leidt naar een Andante in de ‘empfindsame’ stijl, gevolgd door een levendig menuet (Allegretto). Adembenemend cellospel bij een fantastisch dynamisch ensemble met een gedreven dirigent. Ronduit schitterend. Warm aanbevolen.

CARL PHILIPP EMANUEL BACH CELLO CONCERTO & SYMPHONY Jean-Guihen Queyras Ensemble Resonanz Riccardo Minasi HMM 902331