Een hoogst verfijnde “La descente d’Orphée aux enfers” van Charpentier door het “Ensemble Desmarest” op het label Glossa.

“La descente d’Orphée aux enfers”, een kameropera in twee akten van Marc-Antoine Charpentier, werd waarschijnlijk begin 1686 gecomponeerd en werd waarschijnlijk in het privé-appartement van de Dauphin of in Fontainebleau uitgevoerd. Cyril Auvity leidt de cast in een deze nieuwe opname.

“La Descente d’Orphée aux Enfers”, Charpentiers laatste kameropera, werd gecomponeerd voor Mademoiselle de Guise, Marie de Lorraine, Duchesse de Guise, Duchesse de Joyeuse, Princesse de Joinville (1615-88). Vanaf 1670 begon Marc-Antoine Charpentier te componeren voor de Guise. Mlle de Guise beschermde hem en vergrootte zijn carrière door opdrachten voor hem te bekomen van zij die haar patronage opzochten. Gedurende achttien jaar bevorderde haar patronage een groot aantal composities, waarvan de meeste religieuze muziek, sterk beïnvloed door de Italiaanse muziek. In 1672 gaf ze Charpentier de kans om een comédie-ballet te componeren bij Molière’s “Le Malade Imaginaire”.

Charpentier zong zelf de titelrol en werd vergezeld door de musici van Mademoiselle de Guise en de leden van het klein ensemble van de Dauphin. Het was de laatste verschijning van Charpentier met het Guise-ensemble. Het libretto, waarvan de auteur onbekend is, is gebaseerd op de mythe van Orpheus zoals verteld door Ovidius in boek 10 van zijn Metamorfosen. Het is de vraag of de opera zoals ze overleefde in het manuscript, compleet is of niet. De musicoloog H. Wiley Hitchcock gelooft dat Charpentier misschien een derde, afsluitende akte heeft gepland en gecomponeerd. De opera is niet te verwarren met een eerder werk van Charpentier, “Orphée descendant aux enfers”, een cantate voor drie mannenstemmen.

Hoogstwaarschijnlijk is Charpentiers muziek bij de mythe van Orpheus nooit buiten de muren van het huis de Guise (“Hôtel de Guise”, later het “Hôtel de Soubise”) in Parijs uitgevoerd. Opvallend is het open einde. Heeft Charpentier het zo gewild of heeft hij het werk nooit voltooid?

“Orpheus in de onderwereld”, een bekend onderwerp van Ovidius over de kracht van de muziek, werd omstreeks 1686-1687 een opera. Charpentier componeerde dit kort drama voor tien vocale solisten, Orphée, Eurydice, Oenone, Daphné, Aréthuse, Proserpine, Ixion, Tantale, Apollon/Titye en Pluto, en voor de donkere kleuren van drie begeleidende basgamba’s. De schriftuur is ongebruikelijk maar desondanks bijzonder rijk. Orpheus’ reis naar de onderwereld op zoek naar Eurydice bv., is memorabel expressief.

Charpentier maakte gebruik van alle 10 zangers die bij Mademoiselle de Guise in dienst waren. Vandaar de vocale bezetting. Hij was overigens één van de eerste Franse componisten om dit verhaal in zijn volledige dimensie te toonzetten. Charpentier had overigens al een kort “divertissement” genaamd “Orphée descendant aux Enfers” gecomponeerd, Deze kan beschouwd worden als de voorloper of het vroegste voorbeeld van de Franse cantate, een miniatuur vocaal genre dat bloeide in de aristocratische kringen van de late 17de– en vroege 18de eeuw. Op grotere schaal ontstond zijn “La Descente d’Orphée aux Enfers” in twee akten.

De eerste akte is een pastorale, bevolkt door nimfen en geleid door Daphne, Arethusa en Oenone. Die zijn samengekomen zijn om de bruiloft van Eurydice met de herder Orpheus te vieren. Eurydice wordt echter door een slang gebeten en haar plotselinge dood laat haar metgezellen en Orpheus verdrietig achter. De meer uitgebreide, tweede akte verklankt Orpheus’ moeizame zoektocht door de Onderwereld, waar hij allereerst de verdoemde zielen en Proserpina en Pluto charmeert met zijn zang, in de hoop om Eurydice terug te vinden. Hij mag uiteindelijk met Eurydice vertrekken, hoewel hij gewaarschuwd wordt dat hij haar blik niet mag ontmoeten tot hij het daglicht heeft gezien, anders zal hij haar voor eeuwig in het dodenrijk moeten achterlaten. Het manuscript van Charpentier stopt echter op het ogenblik dat Orpheus begint aan zijn terugreis naar het licht.

Cyril Auvity (foto) is de verliefde Orpheus die met zijn lier naar de onderwereld trekt om met Pluto (Etienne Bazola) te pleiten voor de terugkeer van zijn Eurydice (Céline Scheen), die door een slangenbeet is geraakt, aangemoedigd door Proserpine, de vrouw van de heerser van Hades (Floriane Hasler). Nog steeds lijkt de componist aanzienlijke inspiratie te hebben geïnvesteerd in het werk, dat zal zijn uitgevoerd voor de patroonheilige van de componist, Mademoiselle de Guise, door een groep zangers die werkten binnen de regels, opgelegd door Jean-Baptiste Lully’s “muzikaal monopolie” van die tijd. Voor deze opname dirigeert Ronan Khalil zijn heerlijk “Ensemble Desmarest”. De veeleisende hoofdrol zet de sterke aanwezigheid van Auvity in de Franse barokmuziek voort, evenals zijn connectie met het label Glossa. Zijn Orpheus volgt op zijn vorige Charpentier “Stances du Cid”-release op het label, evenals vertolkingen in opera’s van Campra, Destouches en Lully.

De uitvoerders zijn Cyril Auvity, Orphée, Céline Scheen, Eurydice, Etienne Bazola, Pluton, Floriane Hasler, Proserpine, Maïlys de Villoutreys, Daphné, Virgile Ancely, Apollon & Titye, Jeanne Crousaud, Œnone, Dagmar Saskova, Aréthuze, Kevin Skelton, Ixion, Guillaume Gutierrez, Tantale, François-Nicolas Geslot, haute-contre en David Witczak, bas. Het Ensemble Desmarest staat o.l.v. Ronan Khalil (foto) en Marc Trautmann informeert in zijn begeleidend essay in het bijbehorend boekje. De cd werd opgenomen in het Théâtre de Poissy, met als tooningenieur en producer Florent Ollivier en producer Carlos Céster. Uitermate verfijnd. Warm aanbevolen.

MARC-ANTOINE CHARPENTIER La Descente d’Orphée aux enfers Cyril Auvity Ensemble Desmarest Ronan Khalil cd Glossa GCD 923602

http://www.stretto.be/2020/08/18/constantijn-huygens-1596-1687-pathodia-sacra-et-profana-paris-1647-door-3-topuitvoerders-op-het-label-glossa-een-gestileerde-ontdekking/