Onder de titel “Das Frühwerk”, verschenen op het label Oehms classics, drie vroege opera’s van Richard Wagner. Meer dan een must!

Het label Oehms classics bracht een box uit met Wagners complete, romantische opera “Die Feen” (1833), zijn complete komische opera “Das Liebsverbot oder die Novize von Palermo” (1835) en zijn complete, große tragische Oper, “Rienzi , der letzte der Tribunen” (1842).

“Die Feen” was de eerste opera die Richard Wagner volledig voltooide. Wagner was twintig jaar oud en was koorleider in Würzburg. Daarvoor schreef en componeerde hij “Leubald”, Trauerspiel in vijf bedrijven 1826-1828, “Schäferoper” (fragment, verloren gegaan) 1830 en “Die Hochzeit”, opera (onvoltooid) 1832-1833 (première van het voltooide deel 1933). Zijn Grosse Romantische Oper “Die Feen”, was gemodelleerd naar deze van de Duitse romantische opera, in de lijn van Carl Maria von Weber, Heinrich Marschner en Conradin Kreutzer, en veel van de muziek was sterk Beethoveniaans. 

Voor Wagner zelf was het werk zijn vierde muzikaal toneelwerk. Van zijn debuutwerk, de ‘grote tragedie’ Leubald voltooide hij alleen de tekst. Aan de toonzetting is hij zelfs nooit begonnen. Van die ene scène en een tenoraria uit zijn tweede opera (Schäferoper) “Die Laune des Verliebten” naar Goethe, is niets overgeleverd. Het componeren van zijn opera “Die Hochzeit” (Schaueroper of griezelopera), onderbrak hij rond 1832-33 nadat zijn familie, in het bijzonder zijn zuster Rosalie, de plot verschrikkelijk vond. Begrijpelijk. In 1833 werd het eerste muzikaal drama van de toen 20-jarige Wagner opgevoerd. Het betrof een aria ‚Wie ein schöner Frühlingsmorgen‘ met een nieuw allegro: ‚Doch jetzt, wohin ich blicke, umgibt mich Schreckensnacht‘, dat Wagner had gecomponeerd voor Marschners opera “Der Vampyr”.

Begin 1833 begon Wagner vervolgens aan zijn “Feen”. De literaire oorsprong van deze opera waren twee fabels uit de tien “Fiabe Teatrali” van de Venetiaanse toneelschrijver Carlo Gozzi (1720-1806): “La donna Serpente” (De vrouw als slang) en “Il Corvo” (De Raaf). Sommige personages uit “Die Hochzeit” zijn terug te vinden in “Die Feen” zoals het koppel Ada en Arindal. Wagners feitelijke tweede opera, de komische opera “Das Liebesverbot” (of “Die Novize von Palermo”) over ‘die freie Sinneslust und die Emanzipation der Frau’, naar “Measure for measure” van Shakespeare, componeerde hij in 1834. Deze opera dirigeerde Wagner in 1836 in het theater van Bethmann, Magdeburg, in première. Dat jaar huwde hij in de Tragheimer Kirche in Königsberg met de actrice Minna Planer (1809-1866) uit Oederan. Wagner had haar in 1834 als lid van de Bethmannschen Theatertruppe, leren kennen in Bad Lauchstädt, nabij Halle. 

Hoewel Gozzi’s “La donna Serpente” de bron was voor de plot, nam Wagner de namen van de twee hoofdpersonages in “Die Feen”, Ada en Arindal, over van “Die Hochzeit”. Het libretto introduceerde ook een fantastisch thema dat niet in het origineel stuk voorkwam. Het libretto bezat tal van thema’s en patronen die zouden terugkeren in het later werk van Wagner, verlossing, een mysterieuze vreemdeling, de eis dat geliefden niet aan elkaar mogen vragen wie ze zijn, lang uitgesponnen verhalen en vertellingen.

Wagner voltooide de partituur van “Die Feen” in januari 1834. Een poging om de opera in Leipzig opgevoerd te krijgen lukte niet, ondanks de goede relatie die de Wagners er hadden met de culturele scene. Wagners zuster Louise was bv. gehuwd met de uitgever Friedrich Arnold Brockhaus, en zijn zuster Rosalie was een beroemde actrice in het Theater van Leipzig. Wagner herzag de partituur van “Die Feen” in 1834, toen hij hoopte op een productie. Onder de wijzigingen was onder meer het herschrijven van Ada’s grootse scène ‘Weh’ mir, so nah’ die fürchterliche Stunde’ (2de akte).

Nadat de intendanten de toezegging tot opvoering almaar verschoven, wendde Wagner zich in 1835 definitief af van zijn werk. Vanaf dat ogenblik speelde “Die Feen” geen rol meer in zijn leven tot Kerstmis 1865. Dan schonk Wagner de originele partituur van zijn opera aan zijn beschermheer koning Ludwig II van Beieren. 

De sprookjesopera gaat over de beeldschone fee Ada die haar onsterfelijkheid verliest omdat ze verliefd wordt op koning Arindal. Een interessante vergelijking is deze met de plot van Wagners “Das Liebesverbot”, een opera over ontucht. Daarin moet Isabella haar maagdelijkheid opofferen, ten einde het leven van haar broer Claudio te redden.

In zijn eerste libretti valt op dat Wagner zijn later zo typische alliteratie, nog niet aanwendde. De komische dialogen van “Das Liebesverbot” eindigen wel reeds alle op rijm: „glühen wir-kocht in mir-Freiheit hier“ bv., of “Helft mir, ich komm vor Lachen um!“ (de edelman Luzio), beantwoord met „Ich schlag euch Arm und Beine krumm!“ (de herbergier Danieli), „Was mag das wieder sein?“, „Was Neu’s von Friedrichs Alberein“, „ermannt-entmannt-entbrannt-gekannt“, „Masken all, voller Brust, dreifach Karneval, seine Lust“, enz.

In “Die Feen” komen er (slechts) drie monologen voor nl. deze van Arindals vriend Gernot (1ste akte/2de scène), deze van de Fee Ada (2de akte, Szene und Arie) en deze van Koning Arindal (3de akte). Met uitzondering van Ada’s tekst zijn deze in vergelijking met Rienzi en Parsifal bv., nog relatief kort. Omzeggens alle uitspraken en replieken, zijn voorzien van een uitroepteken! Wagner was echt de dichter van het “Ausrufungszeichen”!. Dit wijst op de geaardheid van de declamatie en voordrachtwijze. Het libretto luidop lezen, dus. Aan emotionele, oververhitte bronstigheid geen gemis. Großartig! Typisch, uitgesproken Wagner. “Wunder über alle Wunder”, “O, welch entsetzliches Geschick”, “Ich füfl’s! Leb wohl, mein Lieb“, „Ihn werde ich verlieren, um ewig tot zu sein“, „welch göttlich schönes Weib!“, enz.

In de 2de scène van de 1ste akte van Wagners “Opernerstling” “Die Feen”, situeert zich het verhaal over de heks dat Gernot als Romanze vertelt. Hier is het nog een Romance, in de “Holländer” wordt het vertellen van een verhaal een Ballade (Senta). Het is het verhaal over de lelijke heks Dilnovaz, die door een toverring “jung und schön” wordt, maar wiens vinger op een bepaald ogenblik  door de koning wordt afgehakt met alle gevolgen van dien. 

Reeds in “Die Feen”, ontmoeten we typische Wagneriaanse elementen, het “Feenreich mit Palast und Gärten”, een “geheimnisvolle Einöde”, het „Frageverbot“, (Arindal mag als voorwaarde voor haar liefde niet vragen aan de Fee Ada wie zij is), een heuse “Kriegsszene”, een “Prüfung”, “Wahnsinn” (van Arindal met name), een „furchtbaren Kluft“ zoals de „Wolfsschlucht“ in Webers „Freischütz“, en een “heroischen Kampf gegen Erdgeister und eherne Männer”. En het hier reeds centraal thema van “Eenheid van liefde en kunst”, zou Wagner in al zijn latere drama’s monumentaal uitwerken. Wagner hoopte op een opvoering van zijn “Feen” in Leipzig maar de nochtans toen heel beroemde pianist en dirigent Ferdinand Stegmayer (1803-1863) en de al even bekende, zingende regisseur  Franz Hauser (1794-1870) die ook arts, bas en zangpedagoog was, (hij was ooit een legendarische Sarastro), dachten daar anders over. De opvoering ging niet door en de première was pas 53 jaar later, op 29 juni 1888 in het Nationaltheater in München o.l.v. Franz Fischer (1849-1918). En dit vijf jaar na de dood van Richard Wagner, ondanks verzet van Cosima, De opvoering was voorbereid door de toenmalige dritter Kapellmeister, de 24-jarige…Richard Strauss. De opvoering was een succes. 

Hoewel dirigent Sebastian Weigle (°1961) (herinner u Meistersinger in Bayreuth in 2007) met het Frankfurter Opern- und Museumsorchester, hier een meer dan puike interpretatie neerzet van deze Wagner opera’s, is de kwaliteit van de stemmen helaas niet in verhouding. Hoewel het een opera betreft van een 20-jarige, was de componist ten overstaan van zijn personages al behoorlijk veeleisend. Dat de opera niet vaak opgevoerd wordt en o.m. daardoor  niet bekend is, heeft zo zijn redenen. De opera heeft bijvoorbeeld een eerder zwakke eerste akte.

Na de vibrerende sopraanstemmen van Anja Fidelia Ulrich als Zemina en Juanita Lascarro in de rol van Farzana (recitatief en duet met koor) is het ondanks de innemende vioolpartij waarmee de scene ‘Was seh ich?’ opent, wachten tot de aria ‘Wohin, wo bist du ?’ van Arindal (6, 2’,48’’), vooraleer er wat vaart in de muziek komt. Dit na een nogal lang arioso ‘Wo find ich dich?. Zelfs het uitgebreide kwartet ‘O welch ehrwürdige Gestalt’ (Arindal, Gunther, Gernot en Morald) en de Kavatine van Ada ‘Wie muss ich doch beklagen’ bevat in het geheel niet echt veel boeiende muziek.

De tenorstem van Buckhard Fritz in de rol van Koning Arindal is spijtig genoeg niet opgewassen tegen de hoge eisen van de partij en ook sopraan Tamara Wilson als de fee Ada moet te veel inspanning leveren om haar partij naar behoren te kunnen zingen. In het duet ‘Mir wird das freudige Glück?’ horen we stilistisch daarentegen de typische Heiterkeit à la Rienzi van Wagners romantische opera’s uit zijn eerste periode. Eigenlijk kan alleen het koor ‘Heil unserer Königin’ in de Finale I bekoren. Vanaf 3’,50’’ krijgen we wel mooie samenzang tussen de personages Morald en Gernot, en tussen Zemina, Farzana, Ada en Arindal en vanaf 14.7’,04’’ de aanstekelijke triomfmars en het koor ‘Dir tönet freudig unser Jubel. Een af en toe wat schreeuwerige Ada moet u er bij nemen.

De eerste hoogtepunten bevinden zich in de tweede akte. Zo is er bv. het indrukwekkend, jawel, Brahmsiaans klinkend openingskoor, dat doet denken aan “Tod wo ist dein Stachel”” uit “Ein Deutsches Requiem” en “Doch uns ist gegeben Auf keiner Stätte zu ruhn” uit het “Schicksalslied”. Daarnaast is er de aria “O, musst du Hoffnung schwinden” van Lora, de zuster van Arindal (mooi gezongen door de Amerikaanse sopraan Brenda Rae), stilistisch in de lijn Gluck-Mozart-Beethoven-Weber en het uitgelaten koor “O König, sei gegrüst” in de stijl van Beethovens Koorfantasie, die onze aandacht vragen. Maar het is vooral het guitig en dansant, Zauberflöte-achtig duet “Wie? Seh ich recht?” tussen de dienster Drolla en Gernot, na een quasi a capella recitatief in de oude 18de-eeuwse stijl, overigens magnifiek gezongen door sopraan Christiane Kerg (Drolla) en bas Thorsten Grümbel (Gernot), dat een heel bijzonder lichtpunt is, in deze tot dan toe niet zo boeiende operamuziek. Dit duet is trouwens stilistisch de opvolger van het duet tussen Pamino en Tamina. Waar die twee laatsten zingen over hun kinderwens, geven Drolla en Gernot hier uiting aan hun vreugde elkaar terug te zien. De daarop volgende dramatische aria van Ada, “Begeistern wird auch in die Liebe” – 7. 6’29”, vergt dan weer evenveel inspanning van de sopraan als Mozart eist van zijn Königin der Nacht. Jammer dat de partij ondanks bepaalde mooie fraseringen, iets te veel vergt van de stem van de Amerikaanse Verdi-sopraan Tamara Wilson. De door het koor beheerste en meer dan 20 minuten durende Finale II van deze tweede akte, bevat menig interessant muzikaal materiaal. Zo is er de orkestinzet die door zijn tremoli vooruit loopt op de intro van de Walkürenritt, en er zijn lyrische hoogtepunten zoals “O sieht die holden Kleinen” waarin Arindal, aangevoerd door Lora, een ode brengt aan zijn kinderen Die holden Kleinen (8. 3’,47”), (een hoogtepunt in Wagners oeuvre in het algemeen!), en de samenzang tussen de feeën Zemina en Farzana en Ada “die Bande sind gelöst” (begin Track 12). Het Beethoveniaans klinkend triomfkoor, samen met Arindal die vreest dat hij waanzinnig zal worden, is een meer dan memorabel moment in Wagners vroege opera’s.

Ook magnifiek is de hemelse, Lohengrinachtige hobomelodie in de aria van Arindal op de tekst “Ich seh den Himmel dort sich öffnen” (3.2’44”) wanneer hij zijn waanbeeld bezingt dat hij een hinde doodt die eigenlijk zijn betoverde vrouw Ada is. In werkelijkheid bevindt Ada zich versteend in een grot en zal ze later door Arindals lierspel bevrijd worden (Orfeo-Arindal-Tannhäuser). De daaropvolgende repliek van Ada “Meine Gatte Arindal” met enkel begeleiding van houtblazers, is een memorabel, lyrisch hoogtepunt dat u zeker niet mag missen en de plechtige passage met de tovenaar Groma – vertrouweling van Arindal – “Auf Arindal was zauderst  du?” enkel begeleid door koperblazers, is een uitgesproken Wagneriaans, niet te missen moment.

De derde akte steekt vol muzikale hoogtepunten. Een indrukwekkende introductie wordt gevolgd door drie scènes met daarin een mooie aria van Arindal. Koren worden gevolgd door een terzet tussen Zemina, Farzana en Arindal dat overgaat in de uitgebreide Finale III. Deze eindigt met een happy end voor de feeën Zemina als Farzana, Ada en Arindal en Morald en Lora, de zus van Arindal.

“Das Liebesverbot”, naar de komedie “Measure for Measure” van Shakespeare, werd gecomponeerd voor de “Schauspieltruppe” van Heinrich Bethmann in Bad Lauchstädt en Maagdenburg. Zij studeerden de muzikale komedie over ontucht, genade en wellustige gedachten, in nauwelijks tien dagen tijd in, en brachten de opera van de 23-jarige, verliefde Richard Wagner, op 29 maart 1836 in Maagdenburg in première. 

In 1866 stuurde Wagner de originele partituren van zijn beide opera’s, zijn twee „Jugendsünden“, vanuit Luzern als kerstgeschenk aan Koning Ludwig II van Beieren. Dit leidde later tot de juridische discussie omtrent het Auffürungsrecht”, wat Cosima er uiteindelijk toe deed beslissen dat Bayreuth de rechten had van alle Wagner opera’s maar niet van “Die Feen” en “Das Liebesverbot”. Daardoor startte in Bayreuth de traditie deze beide opera’s tijdens de Festspiele niet op te voeren. De opera’s werden weliswaar nog opgevoerd tijdens de Wagner cyclus van 1888 in München, in 1923 aan de Münchense Opera (Nationaltheater München) o.l.v. de toen nog jonge, latere nazi dirigent, componist en cellist, Robert Heger (1886–1978).

Wagner componeerde in 1842 “Rienzi, der Letzte der Tribunen”, gebaseerd op een roman van Edward Bulwer-Lytton over de 14de-eeuwse Cola di Rienzo, een Italiaanse diplomaat, politicus en volksmenner, die in 1347, in Rome, een staatsgreep pleegde en de stad regeerde als volkstribuun. De opera bestaat uit vijf bedrijven. Het was de eerste opera waarmee Wagner succes boekte, een opera over politiek, met marsen, balletmuziek (pantomime) en uitgebreide koren met kleurrijke massa scènes, de verkiezing van de tribuun door het volk, het vredesfeest, de gratieverlening, de slachtscène, de krijgstocht, het gebed, de eed om wraak en de triomftocht. Niet te missen.

Het verhaal gaat over de keuze voor een broer of een minnaar binnen de rivaliteit tussen de families Colonna en Orsini. De patriciërszoon Adriano Colonna (Claudia Mahnke) houdt van Irene (Christiane Labor), de zuster van de volkstribuun Rienzi (Peter Bronder). Wanneer tijdens een volksopstand, Steffano, de vader van Adriano, wordt gedood, zweert Adriano wraak en zet de Romeinse burgers op tegen Rienzi. Als zijn aanhangers zich van hem afkeren blijft alleen Irene trouw aan haar broer, en slaat het aanzoek van Adriano af. Zij zal het lot van haar broer delen, wanneer ze de keuze maakt voor een gezamenlijke dood. Wanneer Adriano haar wil redden, komt hij daarbij om. De uitvoering/opname van de complete opera in deze box is de eerste belangrijke na deze van Winfried Zillig (Frankfurt, 1950), Josef Krips met Walter Berry en Christa Ludwig (1960 (Melodram), Heinrich Hollreiser met René Kollo en Theo Adam. 1976 (EMI) (complete opname van de ingekorte versie uit 1843), Edward Downes (Ponto POCD1040) (complete opname van Wagners originele versie uit 1842), en Wolfgang Sawallisch met René Kollo en Cheryl Studer (1983, Orfeo d’Oro). “Das Frühwerk” is een fantastische uitgave die u voor geen geld ter wereld mag missen. Eén en al ontdekkingen. Meer dan een must!

Wagner Das Fruhwerk Frankfurter Opern- und Museumsorchester Chor der Oper Frankfurt Sebastian Weigle 9 cd box Oehms classics