Nieuwe opname van “Poème de l’amour et de la mer” en de Symphonie op. 20 van Ernest Chausson, door de sopraan Véronique Gens en het Orchestre National de Lille o.l.v. Alexandre Bloch, op het label Alpha. Magnifiek!

Ernest Chausson (1855-1899) was in de Franse muziek gepositioneerd op het kruispunt waar de romantiek van Berlioz en César Franck, de taal van Wagner en het symbolisme van de jonge Debussy elkaar ontmoetten. Zijn uniek “Poème de l’amour et de la mer” was tegelijkertijd een profane cantate, een monoloog en een liedcyclus, gecomponeerd tussen 1882 en 1892. 

Véronique Gens neemt deze cyclus voor het eerst op, hoewel ze al “Le temps des lilas” heeft opgenomen met Susan Manoff aan de piano, (cd “Néère” – ALPHA 215) (foto). (“Le temps des lilas et le temps des roses, avec notre amour est mort à jamais.”) Het talent van Véronique Gens is ook op deze opname te horen. Ze wordt begeleid door het schitterend Orchestre National de Lille o.l.v. Alexandre Bloch, de nieuwe chef-dirigent, wiens benoeming, eerste concerten en opnames, al een sensatie hebben veroorzaakt. Chaussons Symfonie in Bes completeert het programma. De Symfonie, een hoogtepunt van de Franse symfonische muziek, is wellicht een mijlpaal die net zo belangrijk was als de meesterlijke “Symfonie en re mineur” van Chaussons leraar, César Franck. Chausson heeft overigens, net als César Franck, slechts één symfonie voltooid, nl. de hier opgenomen Symfonie in si-bémol, op. 20, uit 1890.

“Poème de l’amour et de la mer” op. 19, is een liedcyclus voor zang en orkest (eigenlijk een “Poème symphonique avec voix”). Het werd gecomponeerd tussen 1882 en 1892 en opgedragen aan Henri Duparc (1848-1933), die op zijn beurt, zijn Mélodie “Phidilé” op tekst van Leconte de Lisle, aan Chausson had opgedragen. De compositie van Chausson werd overigens beïnvloed door het symfonisch gedicht “Lénore” uit 1875 van Duparc. Chausson componeerde nog een gelijkaardig werk als zijn “Poème de l’amour et de la mer”, nl. in 1898, het “Chanson perpétuelle” op tekst van Charles Cros.

“Poème de l’amour et de la mer” bestaat uit twee delen, gescheiden door een instrumentaal interludium. De compositie is gebaseerd op de gedichten “La fleur des eaux” en “La mort de l’amour” van Chaussons vriend, Maurice Bouchor (1855–1929). Bouchor was ook de dichter van 15 mélodies van Chausson. “Le temps des lilas”, koos Chausson als einde van het tweede deel van zijn “Poème”. Chausson koos voor zijn “Chant symphonique” slechts 6 van de 94 gedichten van Bouchor. De compositie bestaat feitelijk uit zes melodieën naar zes gedichten. Het eerste deel bestaat uit drie melodieën, een prélude, twee interludes en een postludium. In het tweede deel, na de tweede Interlude, krijgen we nog eens drie melodieën, gescheiden door korte orkestpassages. “Poème de l’amour et de la mer” is het Frans equivalent van de grote Mahler-liedcycli, van “Vom Ewigen Leben” van Franz Schreker of van “Penthésilée” van Alfred Bruneau.

Bij de première in februari 1893, in Brussel, speelde Chausson zelf de piano als begeleider van de tenor Désiré Demest. De orkestversie werd voor het eerst uitgevoerd op 8 april van hetzelfde jaar met de sopraan Eléonore Blanc en het Orchestre de La Société Nationale de Musique, o.l.v. Gabriel Marie (1852-1928).

Het begin van “Poème de l’amour et de La mer” gaat terug tot 1882, toen de componist nog les volgde bij César Franck. Het werk werd pas voltooid in 1890, net als zijn Symfonie. Chausson vond de gepaste woorden in een jeugdverzameling gedichten van zijn vriend, Maurice Bouchor. De seringen komen in de beide gedichten die Chausson koos voor, net als andere beelden, de zee, de hemel, dode bladeren in de wind, de maan. De emoties zijn duidelijk de inhoud, maar zij worden zelden direct geuit. In plaats daarvan uit de gevoeligheid van de personages zich in gezichten, geluiden, en gewaarwordingen van de wereld om hen heen. Dit is symbolisme. Bij het creëren van een universum beladen met een zware, ongrijpbare betekenis, is de muziek, in het bijzonder de muziek van Chausson, drager van diepe, gevoelsgeladen herinneringen en verlangens, prachtig vertolkt door Véronique Gens.

Wagner en César Franck zijn zeker allebei aanwezig, maar de muziek van Chausson is ook muziek die onophoudelijk belast is met het herinneren aan zichzelf. Het is muziek die aan de hand van de cyclische techniek van Liszt en Franck, en d.m.v. thematische transformatie, de chromatische harmonie constant verplaatst. Het strelend thema en de bijbehorende harmonie die bij het begin van het eerste deel van dit werk worden geïntroduceerd, “La Fleur des eaux”, begeleiden de openingsverzen. Vervolgens komt de muziek in een meer onzekere atmosfeer, als een variante voor. Er wordt verwezen naar een andere persoon, maar wordt pas aan het eind van de het vers geïdentificeerd als “ma bien-aimée”. Het is op dit punt dat het orkest peilt wat voortaan de belangrijkste vorm van het thema zal zijn.

Aangezien het orkest verdergaat, zijn er schaduwen van “Parsifal”, waarvan Chausson de première in Bayreuth bijwoonde en waardoor hij aan zijn eigen “Poème” begon. De beschouwing van “belle enfant” in het derde vers, brengt een gevoelige terugtrekking, maar leidt uiteindelijk tot de herneming van de herinnering aan “toi”. Deze muziek schijnt tegelijk een beeld te zijn van de geliefde en van de poëtische gevoelens van het personage voor haar. De muziek blijft op de achtergrond terwijl de stem, die de agitatie van het personage weerspiegelt, de recitatiefstijl behoudt. Magnifiek!

Een interludium als vergroot openingsthema, begint met solospel van de fagot en de viool. Aan het begin van het tweede gedicht, is de stemming meteen meer open en is de diatonische harmonie vrijer. De donkere sleepboot keert in een orkestrale episode terug naar het bericht van de “volkomen bladeren,” waarna het personage, door overdrijving, probeert om de eenvoudige waarheid van “l’oubli” te vermijden. Bij dit woord brengt het orkest opnieuw het belangrijkste thema naar voor, eerst door de solo cello en dan voor het eerst, door de stem. De compositie eindigt in de typische pessimistische fin-de-siècle-stemming. Voor geen geld ter wereld te missen. Prachtig!

De sopraan Véronique Gens (°1966) uit Orléans, studeerde aan het Conservatorium van Parijs. Ze maakte haar debuut als 20-jarige in 1986 met “Les Arts Florissants” en William Christie, als zangeres van barokmuziek. Haar echte doorbraak kwam na haar optreden tijdens het Festival van Aix-en-Provence in 1998, in de rol van Donna Elvira, in Mozarts “Don Giovanni”. Zij trad daarna op met vele orkesten en in diverse opera’s, vooral opera’s van Mozart, maar ook met werk van Händel en Bach. Later zong zij ook op een prachtige manier, Franse liederen/Mélodies uit het eind van de 19de eeuw, zoals van Reynaldo Hahn, Henri Duparc, Hector Berlioz en Ernest Chausson (cfr. de beide Alpha cd’s). Topkwaliteit!

Alexandre Bloch studeerde eerst cello en daarna compositie en directie aan het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse van Parijs, en richtte zich later volledig op directie bij de Hongaarse dirigent, Zsolt Nagy (°1957). Hij werd laureaat van de SYLFF Tokyo Foundation en de Fondation Tarazzi en werd uitgeroepen als ‘2012 Talent’ door de Franse auteurs- en muzikantenvereniging ADAMI. Hij trok de aandacht van Michael Tilson Thomas, Pierre Boulez en Esa-Pekka Salonen, en was in de zomer van 2011 conducting fellow in Tanglewood. Bloch won de “Donatella Flick’s LSO Conducting Competition” in 2012, waarna hij assistent werd aan het London Symphony Orchestra. Hij werd in 2012 bekroond met een “Sir John Zochonis Junior Fellowship” van het Royal Northern College of Music in Manchester, en is sinds september 2015 eerste gastdirigent van de Düsseldorf Symphoniker. Vorig jaar werd zijn contract als dirigent/directeur musical van het Orchestre National de Lille, in opvolging van Jean-Claude Casadesus, verlengd tot 2024. Kwaliteit verzekerd!

Chausson Poème de l’amour et de la mer Symphonie Op. 20 Véronique Gens Orchestre National de Lille Alexandre Bloch cd Alpha ALPHA441

Néère Hahn Duparc Chausson Véronique Gens Susan Manoff cd Alpha ALPHA215