Prokofievs “Cinderella” door pianist Wilhem Latchoumia, op het label La Dolce Volta. Adembenemend!

Tussen 1940 en 1944. componeerde Prokofiev het ballet, “Assepoester”, (“Zolushka”), gebaseerd op het sprookje van Charles Perrault. Terzelfdertijd maakte hij drie pianosuites, bestaande uit arrangementen van stukken uit het ballet, de hier opgenomen Three Pieces from Cinderella, Op. 95 (1942), Ten Pieces from Cinderella, Op. 97 (1943) en Six Pieces from Cinderella, Op. 102 (1944). 

“Wat ik boven alles wou uitdrukken in de muziek was de poëtische liefde van Assepoester en de prins, de geboorte en groei van die liefde, de obstakels op de weg en uiteindelijk de droom die in vervulling gaat. Ik componeerde Assepoester in de traditie van het oude klassieke ballet, het heeft een pas de deux, adagio’s, gavotten, verschillende walsen, een pavane, passepied, bourrée, mazurka en een galop. Elk personage heeft zijn eigen variatie. Ik wou het verhaal beschouwen als een oorspronkelijk Russisch sprookje”. (Sergej Prokofjev). Tsjaikofski had reeds in 1869 het idee om Assepoester te kiezen voor zijn eerste ballet. Dat is echter helaas nooit gerealiseerd. Het was wachten op Prokofjev.

Prokofjev was één van de belangrijkste balletcomponisten van de 20ste eeuw. Hij componeerde volgende balletten: “Alla et Lolli”, onvoltooid (1914-1915), “Chout” (Het verhaal van de nar) Ballet in zes scènes (1915-1920), “Assepoester”, Ballet in drie Akten (1940-1944), “Op de Dnieper”, Ballet in twee Scènes (1930-1931), “Le Pas d’acier” in twee Scènes (1925-1926), L’Enfant prodigue” (“De verloren zoon”), Ballet in drie Scènes (1928-1929), “Romeo en Julia” in vier akten, (1935-1936), “Het verhaal van de stenen bloem” (1948-1953) en “Trapèze”, een ballet voor dansers en kwintet (1924).

Prokofjev werd in 1941 geëvacueerd naar de Kaukasus. De opdracht van het Kirov-theater voor Assepoester kwam nl. net voor de nazi-invasie in Rusland. Prokofjev werkte aan de pianopartituur wanneer de invasie begon. Het componeren eraan werd uitgesteld tot 1943 en de première was in Moskou in 1945 met Galina Ulanova (1910-1998) in de titelrol. Prokofjev omschreef haar als “de ziel van het Russisch ballet”. Ulanova had ook de rol van Julia in première gedanst. 

In 1941, leed Prokofiev aan een eerste van verscheidene hartaanvallen, resulterend in een geleidelijke verzwakking van zijn gezondheid. Wegens de oorlog werd hij tijdelijk geëvacueerd naar het zuiden, samen met een aantal andere belangrijke kunstenaars. Lina, Prokofjevs Spaanse vrouw, en hun twee zonen bleven in Moskou. Dit had gevolgen voor zijn familieleven in Moskou, en zijn verhouding met de 25-jarige joodse Mira Mendelson, die definitief tot de scheiding van zijn vrouw Lina leidde, hoewel zij voor de volgende zeven jaar nog gehuwd bleven. Na de “Grote Vaderlandse oorlog”, vanaf 1947, was in de USSR, het huwelijk met vreemdelingen verboden en zelfs eerder gesloten huwelijken werden onwettig verklaard. Sommigen geloven zelfs dat Prokofjev gedwongen werd te breken met zijn vrouw.

In 1948 huwde Prokofiev de joodse Mira Mendelson (foto), die voor hem opera libretti schreef. Ook zij behoorde tot de geëvacueerden naar de Kaukasus. Carolina (Lina) Codina, Prokofjevs eerste vrouw (foto), was een sopraan van Russisch-Catalaanse oorsprong. Haar vader, een tenor, was geboren in Barcelona en zijzelf in 1897 in Madrid Ze had Prokofjev horen spelen en ontmoet in Chicago in 1918 en ze waren gehuwd in het Beierse Ettal in 1923. Prokofjev noemde haar, alluderend op haar stem, “Ptachka” (vogeltje).

Op 20 februari 1948, werd zijn (eerste) vrouw Lina gearresteerd op verdenking van spionage. Ze had nl. geld willen opsturen naar haar moeder in Spanje. Ze werd veroordeeld tot 20 jaar strafkamp, maar werd vrijgesproken na Stalins dood, waarna ze de Sovjet-Unie kon verlaten. Een val veroorzaakte in 1945 bij Prokofjev een hersenschudding die hij niet meer te boven zou komen. Als gevolg daarvan zou hij de komende acht jaar lijden aan hoofdpijn en verzwakte zijn gezondheid. Hij overleed in 1953 op dezelfde dag als Stalin.

Het Kirov gezelschap wou nl. het succes dat ze in 1940 hadden met de productie van Leonid Lavronsky’s Romeo en Julia, nog eens beleven. Ook Galina Ulanova, die toen 29 jaar was, en Julia vertolkte, wou het succes van toen nog eens kunnen over doen. De oorlog brak echter uit en het plan kon niet doorgaan. De Première was op 21 november 1945, in het Bolshoi Theater in Moskou. o.l.v. Yuri Fayer (1890-1971). Fayer was de legendarische dirigent van het Bolshoï die met het gezelschap voor de eerste keer op tournee ging door Europa. De choreografie was bedoeld voor Konstantin Sergeyev maar in Moskou was de choreografie van Rostislav Zakharov (1907-1984), die in 1934 naam had gemaakt met zijn choreografie van “De fontein van Bakhchisaray” met muziek van Boris Asafyev. Het scenario/libretto was van Nikolai Volkov.

De titelrol werd afwisselend gedanst door Galina Ulanova en Olga Lepeshinskaya. De choreografie van Assepoester van Zakharov werd in 1960 verfilmd met als titel “Khrustalnyy bashmachok Zolushki”. In 1949 bracht de Metropolitan Opera in New York het ballet in een choreografie van Frederik Ashton met Margot Fonteyn in de hoofdrol.

Prokofjev stelde in functie van concertuitvoeringen zonder dans, twee keer drie suites samen uit zijn in totaal 50 nummers tellend ballet. Voor orkest werden het de Suite nr. 1, Op. 107, Suite nr. 2, Op. 108 en Suite nr. 3, Op. 109. De suite nr. 3 werd voor de eerste keer gespeeld op de Radio in Moskou op 3 september 1947. In deze suite laste Prokofjev de mars in uit zijn opera “De liefde van de drie sinaasappelen” uit 1921. Prokofjev maakte ook een transcriptie voor cello en piano van het adagio. De solopartij van de drie suites voor piano is vaak heel virtuoos, waarbij ironie en lyriek gecombineerd werden.

Wilhem Latchoumia (foto) heeft ervoor gekozen om de stukken in de volgorde van het ballet te plaatsen om de verhaallijn ervan te respecteren. Dit is tot nu toe nooit eerder gedaan. Bovendien, met zijn passie voor zeldzaam repertoire en de meest gevarieerde, hedendaagse esthetiek, heeft de pianist vier stukken, “Aeolian Harp for string piano” (ca. 1923), “The Tides of Manaunaun” (1917), “The Banshee for string piano” (1925) en “The Fairy Bells” (1929), van de Amerikaanse componist Henry Dixon Cowell (1897-1965) geïntegreerd in het ballet van Prokofiev. Deze composities, maakten gebruik van geheel nieuwe schrijf- en speelwijzen, zoals het rechtstreeks spelen op de snaren van het instrument (string piano).

Vanaf het begin van de jaren twintig toerde Cowell als pianist door Noord-Amerika en Europa en speelde hij zijn eigen experimentele werken. Dat waren baanbrekende verkenningen van atonaliteit, polytonaliteit, polyritmiek en niet-westerse modi. Het was op een van deze tournees dat zijn vriend, de pianist Richard Buhlig (1880-1952), in 1923, Cowell introduceerde bij de jonge avant-garde pianiste, Grete Sultan (1906-2005) in Berlijn. Cowell maakte later zo’n indruk met zijn toonclustertechniek dat zelfs Béla Bartók zijn toestemming vroeg om het te mogen adopteren.

Een andere nieuwe methode van Cowell, in stukken zoals het hier opgenomen “Aeolian Harp” (ca. 1923), was wat hij ‘strijkerspiano’ noemde. In plaats van de toetsen te gebruiken om de piano te bespelen, reikte de pianist in het instrument en tokkelde, veegde en manipuleerde de snaren. Cowells pianotechnieken waren de belangrijkste inspiratiebron voor John Cage’s ontwikkeling van de prepared piano.

De vier composities van Cowell scheiden de belangrijkste momenten van Prokofjevs ballet en bieden aan de sonore horizon van de luisteraar, nieuwe verbeeldingskracht. Het magisch universum van Cowell past perfect in de wereld van Prokofiev en geeft een unieke kleur aan het verhaal. Voor Wilhem Latchoumia was het niet alleen belangrijk om de kleuren van het orkest op de piano te reproduceren, maar ook om het werk een pianistische inkleuring te geven, om op beide niveaus tegelijk actief te zijn, waardoor de transcriptie de volledige dimensie kreeg. Meesterlijk gespeeld. Een must!

Na het winnen van een gouden medaille aan het Nationaal Conservatorium van Lyon in de klas van Anne-Marie Lamy, won Wilhem Latchoumia (°1974) in 1999 de eerste prijs met unanimiteit en felicitaties van de jury. Zijn leraars waren Eric Heidsieck en Géry Moutier. Hij was ook een student van Claude Helffer en volgde masterclasses bij Yvonne Loriod-Messiaen en Pierre-Laurent Aimard. Daarnaast studeerde hij musicologie. Wilhem Latchoumia’s programma vormt een uniek en coherent geheel, waarvan de kunstenaar een epische interpretatie geeft, vol rijke timbres. Wilhem Latchoumia is een hoogst ongewoon soort pianist, even succesvol en charismatisch in hedendaagse muziek als in het regulier repertoire. De Franse musicus staat bekend om zijn vaardigheid in het bedenken van programma’s die zich buiten de gebaande paden begeven. En, net zoals met zijn vorige cd’s voor La Dolce Vita,“Wagner/Extase Maxima” en “Falla” (foto’s), is dat ook hier weer niet anders.

Prokofiev Cinderella Wilhem Latchoumia cd La Dolce Volta LDV60