BRUCKNER SYMPHONIEN NR. 1 – 9 door het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. vier dirigenten. Een uitzonderlijke uitgave van BR Klassik.

BR Klassik presenteert in een 9 cd-box opnames van Anton Bruckners 9 symfonieën met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. vier internationale Bruckner-specialisten, Herbert Blomstedt, Bernard Haitink, Mariss Jansons en Lorin Maazel. De opnamen werden gemaakt tussen 1999 en 2017.

Het Symfonieorkest van de Beierse omroep (Bayerischer Rundfunk) in München, heeft als thuishavens de Philharmonie am Gasteig en de Herkulessaal van de Münchner Residenz. Het prestigieus orkest werd opgericht in 1949, met leden van een eerder bestaand radio-orkest en Eugen Jochum was van 1949 tot 1960, de eerste dirigent. Na Jochum waren de chef-dirigenten achtereenvolgens Rafael Kubelík (1961–1979), Kirill Kondrasjin (vroegtijdig overleden), Sir Colin Davis (1983–1992), Lorin Maazel (1993–2003) en sinds 2003, Mariss Jansons. 

De symfonieën van Anton Bruckner hebben een unieke plaats in de muziekgeschiedenis. Bruckner bracht het classicisme van Beethoven en Brahms samen met de narratieve kracht van Wagner en schonk de symfonie als dusdanig een nieuwe structurele, persoonlijke en emotionele reikwijdte van een uitzonderlijke intensiteit. Zijn krachtige harmonische taal en zijn indrukwekkende, koperrijke orkestratie beïnvloed door Wagner, waren vernieuwend en uniek.

De symfonieën van Bruckner vormen de ruggengraat van de laatromantische symfonische muziek. In zekere zin heeft hij de symfonie opnieuw uitgevonden, een vorm waaraan zich door de baanbrekende meesterwerken van Beethoven, nog niemand anders had gewaagd. Alleen Bruckner en Brahms, zochten en vonden nieuwe benaderingen voor een heropleving en verdere ontwikkeling van deze overweldigende muzikale vorm. De benadering van Bruckner was volledig nieuw. Hij vertrouwde vanaf het begin op de klank van de grote orkestbezetting, mengde minder de afzonderlijke groepen instrumenten, maar begrensde of verbond ze op de manier van orgelregisters die hem als organist goed bekend waren. Ook de terrasdynamiek, de onmiddellijke nevenschikking van piano en forte zonder overgang, ontleende Bruckner aan de orgelmuziek. Deze en andere elementen van barokmuziek, waarmee hij nauw contact had als kerkmusicus, beïnvloedden zijn symfonieën. Voor het dramaturgisch verloop, de organische ontwikkeling en de onderlinge samenhang van de thema’s, richtte hij zich op Schubert.

Anton Bruckner werd onderwijzer, leerde orgel spelen, studeerde muziektheorie en werd in 1856 op 31-jarige leeftijd organist van de dom in Linz. Toen hij 43 was maakte hij een geweldige crisis door, te wijten aan zijn besluiteloosheid hoe het verder zou gaan met zijn leven. Hij ging tussen mei en augustus 1867, in het gezelschap van een priester, drie maanden kuren in het sanatorium van Vinzenz Priessnitz in Bad Kreuzen.

Bruckner was organist en leraar in de landelijke oberösterreichischen Regierungshauptstadt Linz. Hij had zes jaar muziektheorie bij Simon Sechter (1788-1867) gevolgd (de leraar bij wie de reeds doodzieke Schubert nog aan het eind van zijn leven contrapunt wilde volgen), en was leerling “freie Komposition” (vormleer en instrumentatie) van de Linzer Kapellmeister Otto Kitzler (1834-195), die op 81-jarige leeftijd zelfmoord zou plegen. Bruckner had de componeerkriebel te pakken. Volgens de Oostenrijkse Musikwissenschaftler en Bruckner-Forscher Max Auer (1880-1962), voelde de jonge Bruckner zich als een “Kettenhund, der sich von seiner Kette losgerissen hatte”.

Door zijn eerste grote Mis compositie (Mis nr. 1 in re klein) uit 1864, werd hij erkend als componist. Volgens Bruckners vriend Moritz von Mayfeld (1817-1904), scheen “Bruckner’s Gestirn“ nu „in vollem Glanze, leuchtend am Horizont”. Na een symfonische eersteling, begon hij in 1865 aan een nieuwe “Beitrag zur Symphonischen Gattung”, een nieuwe symfonie die hij beschouwde als zijn eerste (letterlijk, voor de eerste keer, genummerd als nr. 1). In mei 1865 voltooide hij de eerste en derde beweging en begin 1866 componeerde hij de tweede en vierde beweging. Op 9 mei 1868 dirigeerde hij in Linz deze nieuwe symfonie in première. Kort daarna verhuisde hij van de Provinz naar de magistrale Hauptstadt der k.u.k. Monarchie, Wenen. Zijn “symphonische Erstling” waarover ik het net had, was een “Schul-Symphonie” in fa-klein uit 1863 (Bruckner noemde het een schooloefening, Schularbeit 863), en na zijn officiële 1ste volgde een symfonie in re-klein uit 1863-1864 die hij beschouwde als zijn nulde, lett. zijn “Nullte”. Die zou hij in 1869 herzien omdat hij de symfonie nichtig en ungiltig vond. Eerste puzzelwerk voor de liefhebbers onder u. Twee versies van de nulde. Anfang ihren Geduldsspiele.

In die jaren was Bruckner o.a. door de Ermunterungen (aanmoedigingen) van de violist Ignaz Dorn, begeesterd geraakt door de toenmalige, moderne muziek van de Neudeutsche Schule. Later onthulde Bruckner trouwens dat het mysterieuze Eingangsthema van zijn 7de, niet van hem was, maar dat het thema hem in een droom was ingegeven door Ignaz Dorn. Hans von Bülow (1830-1894) had Bruckner n.a.v. de première van Tristan und Isolde in München op 10 juni 1865, aan Richard Wagner voorgesteld. Hij had in februari 1863 een opvoering van Tannhäuser bijgewoond in Linz o.l.v. van zijn leraar Otto Kitzler en in augustus 1865 was Bruckner in Boedapest aanwezig bij de première van het oratorium “De Heilige Elisabeth” van Franz Liszt. Wanneer midden jaren ’80 van de 19de eeuw, Bruckners magistrale zevende symfonie (troost u, van deze is er maar één versie, oef), een groot succes werd, raakten dirigenten en onderzoekers ook geïnteresseerd in zijn zes andere symfonieën.

Door de kritieken die die symfonieën echter te verduren kregen van o.a. de dirigent Hermann Levi (1839-1900), besloot Bruckner tussen 1887 en 1891, vier van zijn tot dan toe gecomponeerde symfonieën te herwerken. Hij legde het werk aan zijn negende symfonie opzij en begon aan Änderungen en Überarbeitungen van zijn vroegere symfonieën. Eerst zijn 4de, dan zijn 3de, vervolgens zijn 8ste, die hij op 10 maart 1890 definitief voltooide (de 2de versie dus), en twee dagen later begon hij aan de herziening van zijn lieveling (jawel, naar eigen zeggen), zijn 1ste symfonie. Dit keer niet door Levi, want die hield van de eerste versie, maar door het herwerken van de andere symfonieën wilde Bruckner zijn hele muzikale nalatenschap perfectioneren, ook zijn 1ste symfonie dus.

Zoals altijd herzag Bruckner eerst de vierde beweging en ging dan achteruit naar de Kopfsatz (eerste beweging). In 1877 had hij zijn 3de symfonie al eens herzien (van deze symfonie zouden uiteindelijk drie versies gemaakt worden). In 1877 had hij ook al het derde en vierde deel van zijn 1ste herwerkt. Deze werden nu nogmaals herzien. Goed voor uw puzzelwerk. De nieuwe versie (de Wiener Fassung, was eigenlijk de derde versie dus) was op 18 april 1891 gereed. Bruckner was tevreden en omschreef zijn nieuwe versie als zijn “kecke Beserl”. Het Duitse woord “keck” betekent zoveel als vermetel, vrijpostig, onbeschaamd of dartel. Dat woordje zou Bruckner later nog eens gebruiken, nl. om zijn 6de symfonie te typeren. Van zijn zesde zei hij nl. “die Sechste ist die Keckste”. De uitdrukking is sappig Oostenrijks dialect en is niet zo onschuldig als ze klinkt. Eigenlijk slaat een kecke Beserl op een “freches Frauenzimmer”. Wat dat precies is moet U in Wenen zelf maar eens gaan uitpluizen…

Op 13 december 1891 dirigeerde Hans Richter (1843-1916) (foto) deze herwerkte versie in de Weense Musikvereinsaal in première en Bruckner droeg zijn “nieuwe” symfonie op aan de filosofische faculteit van de universiteit van de stad Wenen die hem in juli 1891 een eredoctoraat had verleend. In tegenstelling tot bepaalde herziene versies van zijn andere symfonieën, bracht Bruckner zijn kleine Retuschen, “ohne Fremdeingriffe”, zelf aan. De derde versie van zijn 3de symfonie bv. heeft Bruckner samen met de Weense dirigent Franz Schalk (1863-1931) gerealiseerd, en zijn 9de symfonie werd na Bruckners dood door de Weense Hofopernkapellmeister Ferdinand Löwe (1865-1925) opnieuw georkestreerd. En er is veel meer.

In 1998 gaf Benjamin Gunnar Cohrs (°1965), Mitarbeiter der Anton Bruckner Gesamtausgabe, zelfs Zwei nachgelassene Trios van Bruckners 9de uit. De partituur van de Weense versie werd gedrukt in 1893, terwijl de oorspronkelijke Linzer versie van de 1ste pas in 1935 gedrukt zou worden. Dit door toedoen van Robert Haas (1896-1960), de toenmalige Leiter der Musiksammlung der Österreichischen Nationalbibliothek en wissenschaftlichen Gesamtleiter van de Internationale Bruckner-Gesellschaft. De nazi-gezinde, führertreue Haas, ooit assistent van de joodse (…) Begründer der Wiener Musikwissenschaft, de legendarische Guido Adler (1855-1941), van het Wiener Musikhistorischen Institut, werd na WO II vervangen door de meer „wissenschaftlicher“ Leopold Nowak (1904-1991), de nieuwe Leiter van de Bruckner-Gesamtausgabe. De herziene Weense versie was dus eigenlijk lange tijd bekender dan de oorspronkelijke, eerste versie.

Bruckners negen symfonieën zijn een constante in het repertoire van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Het extra bijzondere van deze 9 cd-box is dat de opnames niet door één maar door vier dirigenten worden uitgevoerd, vier dirigenten die nauw verbonden waren en zijn met het orkest en allen internationale Bruckner-experts zijn. De verdeling is als volgt: Herbert Blomstedt dirigeert nr. 9, Bernard Haitink de nrs. 5 & 6, Mariss Jansons de nrs. 3, 4, 7 & 8 en Lorin Maazel de nrs. 1 & 2.

Zoals met geen enkele andere compilatie, zijn hier zowel de overeenkomsten van de interpretaties (ook vanwege hetzelfde klinkend orkest), te horen, evenals de verschillen door de verschillende interpretatieve benaderingen van de respectievelijke dirigenten. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel verdienste Herbert Blomstedt, Bernard Haitink, Mariss Jansons en Lorin Maazel gedurende de afgelopen decennia hebben gehad. De opname van de 9de symfonie o.l.v. Herbert Blomstedt uit 2009, werd daarenboven nog niet eerder op cd uitgebracht, en die van de 3de- en 4de  symfonie onder Mariss Jansons, waren vroeger enkel gereserveerd voor een kleine groep die er voor had ingetekend en waren niet verkrijgbaar in de handel.

Anton Bruckner (1824 – 1896) Symphonien Nr. 1 – 9 Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks Herbert Blomstedt Bernard Haitink Mariss Jansons Lorin Maazel 9 cd BR-KLASSIK 9 900716