“Haydn L’Impatiente” door Sophie Karthäuser (sopraan) en Le Concert de la Loge o.l.v Julien Chauvin, op het label Aparte. Alweer, niet te missen!

De uitgave van de Haydn-reeks op historische instrumenten gaat verder met zijn Parijse Symfonie nr. 87 en verschillende, vergeten werken, een symfonie en vijf aria’s, van andere componisten uit dezelfde periode, Gluck, Sacchini, Lemoyne, Ragué en Vogel. Alle werken waren opdrachten van de “Concert de la Loge olympique”, model voor het ensemble van Julien Chauvin, en alle werken raakten in de loop van de 19de eeuw in de vergetelheid, behalve de symfonieën van Joseph Haydn. 

“Le Concert de la Loge olympique” was de naam van een beroemd Parijs muzikaal gebeuren dat van december 1782 tot oktober 1789, beheerd werd door het concertgezelschap, “la Société olympique”, onderdeel van de “Loge olympique de la Parfaite Estime”. Het was opgericht in de jaren 1780 door zeven, niet-professionele musici, graaf Rigoley d’Ogny (foto), intendant des postes, Etienne Marie de La Haye, fermier général (1757-1794), Jean-Annet Cosson de Guimps (1753-1819), Philibert-Pierre-Catherine Bourrée Marquis de Corberon (1746-1794) officier, François-Clément de Laage Baron van Bellefaye (1764-1824) fermier général,, Claude-François de Barckhaus, maître des requêtes (-1826) en Claude Philibert Thiroux officier van graaf d’Ouarville, een telg uit een grote familie van magistraten.

Het orkest van ongeveer zeventig muzikanten, samengesteld uit twee derden van de beroemdste professionelen van die tijd en voor een derde uit amateurs van hoog niveau, werd beschouwd als een van de beste in Europa. Het bevatte o.a. 40 violen en wel tien contrabassen, wat een buitengewone bezetting was voor die tijd. Haydns eigen ensemble in Eszterháza was nota bene nooit groter dan ongeveer 25 leden. De musici droegen prachtige ‘hemelsblauwe’ jassen met ingewikkelde kanten ruches en zwaarden aan hun zijde en de uitvoeringen werden bezocht door royalty’s, onder wie koningin Marie Antoinette, die vooral genoot van de symfonie nr. 85, die de aanleiding was tot de bijnaam, “La Reine”.

De “Société Olympique” organiseerde voor zijn ongeveer 600 jaarlijkse abonnees, twaalf concerten per seizoen, waarvan de eerste eind december plaatsvond en de laatste, eind maart. Van december 1782 tot december 1785 vonden concerten plaats in de magnifieke Ulysses-galerij van het Hotel Bullion, gedecoreerd door Simon Vouet, 10 rue Coq-Héron, vervolgens vanaf januari 1786 in de zaal van de “Cents suisses” in het Palais des Tuileries, voorheen ingenomen door “Le Concert spirituel”.

De “Société olympique” had een grote muziekbibliotheek die de uitbreiding was van deze van de “Concert des Amateurs de Paris”. Na het faillissement van deze vereniging, werd ze door de  “Société” overgenomen en verrijkt met opdrachten aan de bekendste componisten van toen. De concerten stopten in oktober 1789, maar werden na Thermidor onder verschillende namen en op verschillende plaatsen hervat tot 1814, vooral in het Théâtre Olympique vanaf 1801, parallel aan het “Concert des amateurs de Paris” (of “Concert de la rue de Clery”) van het hötel Soubise (foto), dat ook de erfenis van de “Société olympique” claimde, maar zonder de vrijmetselarij.

De Parijzenaren waren al langer bekend met symfonieën van Haydn, die al in 1764 in Parijs werden gedrukt. Alle symfonieën van Haydn werden begin 1780 uitgevoerd op de verschillende Parijse concerten met ongekend succes, en talrijke uitgeverijen, waaronder Guera in Lyon, en Sieber, Boyer, Le Duc en Imbault in Parijs, gaven elk een nieuw symfonisch werk van Haydn uit zodra ze een exemplaar in handen konden krijgen.

De persoon die verantwoordelijk was voor de opdracht van de symfonieën aan Haydn was Claude-François-Marie Rigoley, Comte d’Ogny (1757-1790) (foto), een nog jonge aristocraat die cello speelde in het orkest. Hij was intendant Général des Postes en groeide op in een zeer muzikaal milieu. Zijn vader had een grote verzameling manuscripten, die de bibliotheek vormde van de organisatie.

De onderhandelingen met Haydn werden op verzoek van Ogny gevoerd door Joseph Bologne, Chevalier de Saint-Georges (foto), de gevierde dirigent van het Loge orkest. Haydn kreeg 25 louis d’or voor elke symfonie plus 5 louis voor de Franse publicatierechten; het bedrag was blijkbaar zeer bevredigend vanuit het oogpunt van Haydn, omdat het gebrek aan auteursrechtwetgeving hem over het algemeen had belet veel te profiteren van zijn populariteit als componist. Symfonieën 85-87 kregen kort daarna in Groot-Brittannië in 1788 een nieuwe publicatie van het bedrijf Longman & Broderip, werden opgedragen aan de hertog van York en kregen het opus 52.

Louis-Charles Ragué, geboren in Namur/Namen in 1744 en overleden na 1793, een Belgische harpist en componist, leerde de basisbeginselen van muziek bij de koren van Saint-Aubin in Namen en verdiepte zich in de studie van de harp bij zijn vader die organist was in Dinant. Van 1762 tot 1771 ging hij naar Rome, waar hij een leerling van Sacchini werd. Terug thuis trad hij in dienst van de bisschop van Namen,Ferdinand Marie de de Lobkowitz (foto), de latere bisschop van Gent, die hij van 1776 tot 1777 vergezelde, aan het hof van Frederik II van Pruisen. Een ander lid van de uit Bohemen afkomstige familie Christian von Lobkowitz, Georg Christian von Lobkowitz (de gouverneur van Sicilië) reisde in 1745 met Christoph Willibald von Gluck naar Parijs en Londen, waar ze de eerste druk van Händels “Messiah kochten”, die nu te zie is in het Lobkowitz Museum in Praag.

In 1783 publiceerde Ragué zijn eerste werken in Brussel en ging daarna naar Parijs. In 1786 waren zijn door de Mannheimse School beïnvloede symfonieën op. 10, opgedragen aan Frederik de Grote en gepubliceerd in 1787 door Boyer, een groot succes op de Concert spirituel. Zijn carrière als componist duurde echter slechts 10 jaar. Desondanks was zijn productie zeer vruchtbaar en grotendeels gewijd aan de harp, een instrument dat in die tijd erg in de mode was. Elk spoor van hem verdween na 1793.

Jean-Baptiste Lemoyne of Moyne (1751-1796), een Franse componist, voornamelijk van opera’s, niet te verwarren met de beeldhouwers Lemoyne, werd geboren in Eymet, Dordogne, leerde muziek aan de maîtrise van de kathedraal Saint-Front (foto’s) in Périgueux en reisde vervolgens met gezelschappen door Frankrijk en Europa. Hij volgde compositieles bij Johann Gottlieb Graun in Berlijn en werkte eerst in Berlijn en Warschau, waar hij in 1775 zijn eerste opera produceerde, “Le bouquet de Colette”, met in de hoofdrol zijn leerlinge, Antoinette de Saint-Huberty foto), geboren Clavel (foto), een jonge zangeres die de beroemde “Mme St. Huberty” zou worden en die huwde met de diplomaat en geheim agent, Louis Alexandre de Launay, comte d’Antraigues. Beiden werden in 1812, in hun woonst ten zuiden van Londen, om politieke redenen vermoord.

Lemoyne keerde terug naar Frankrijk en componeerde de tragische opera “Électre”, die in 1782 in première ging. Hij beweerde dat zijn muziek het voorbeeld van Christoph Willibald Gluck volgde, toen de grootste invloed op de Franse opera, maar toen “Électre” faalde, verwierp Gluck op zijn beurt elke associatie met de jongere componist. Lemoyne wendde zich dan maar tot Glucks rivalen, Niccolò Piccinni en Antonio Sacchini. Zij werden zijn  muzikale modellen voor zijn volgende twee tragedies, “Phèdre” (1786) en “Nephté” (1789), die meer succes hadden. Zijn latere opera’s waren daarentegen minder belangrijk. Jean-Baptiste Lemoyne overleed in Parijs. Zijn zoon Gabriel werd pianist en componist.

De Duitse componist, violist en hoornist, Johann Christoph Vogel (1756-1788), afkomstig uit Neurenberg (foto), was de zoon van een bekende luit- en vioolbouwer in Neurenberg. Zijn eerste les kreeg hij van de vioolvirtuoos en latere kapelmeester, Georg Wilhelm Gruber (1729-1796). Op 17-jarige leeftijd ging Vogel naar Regensburg, waar hij lid werd van de hofkapel van de vorst Thurn und Taxis en tegelijkertijd leerling werd van Joseph Riegel, een muziektheoreticus. Vogel leerde bij hem naast de werken van Carl Heinrich Graun en Johann Adolf Hasse ook meer perfectie op de viool en de hoorn.

Op 20-jarige leeftijd vertrok hij naar Parijs en kreeg een baan als tweede hoornist in het orkest aan het hof van de hertog van Montmorency. Later werd hij kamermusicus in het orkest van de hertog van Valentinois en publiceerde in deze periode zijn eerste composities. Samen met de hoornist Johann Wenzel Stich, die onder het pseudoniem ‘Giovanni Punto’ bekend was, componeerde hij zes kwartetten voor viool, hoorn, fagot en cello. Omdat hij ook met de bekende klarinettist Michèle Yost (1754-1786) (foto), de stichter van de Franse klarinetschool, bevriend was, componeerde hij ook 30 kwartetten voor klarinet en strijkers en een klarinetconcerto. Samen met de Nederlandse componist, Carolus Emanuel Fodor (°1759), één van de drie broers Fodor, uit Venlo, componeerde Vogel verder sonates en bewerkingen voor piano. Carolus of Charles Fodor werd nl. muziekleraar in Parijs, maakte transcripties van kwartetten van Pleyel en van symfonieën van Haydn, en componeerde zelf sonates en variaties (waaronder op de “Air de Tonnelier” op tekst van Nicolas-Médard Audinot (1732-1801)). Er is ook een symfonie voor groot orkest (“Symphonie à grand orchestre en re”) van hem bekend en twee klavecimbel concerti, waarvan hij in december 1790, één in Amsterdam uitvoerde. Zijn werken werden voornamelijk uitgegeven in Parijs en Amsterdam.

In de tijd dat Vogel in Regenburg was, componeerde hij zijn Concerto voor fagot, dat eveneens in Parijs werd gepubliceerd, alsook de Concertante symfonieën, voor twee hoorns, twee fluiten, en voor fagot hobo en klarinet. Zijn grote doorbraak als componist kwam weliswaar pas in 1786, toen zijn opera “La toison d’or” met groot succes in première ging. Ook Christoph Willibald von Gluck en Antonio Salieri waren vol lof over hem. Het succes van zijn tweede opera “Démophon” heeft Vogel niet meer beleefd, omdat hij in juni 1788, plotseling overleed.

Op de cd staan Gluck: “Fortune ennemie” (uit “Orphée et Eurydice”), Gretry: “Ô sort! par tes noires fureurs” (uit “Les Mariages Samnites”), Haydn: Symphony No. 87 in A major, Lemoyne: “Il va venir” (uit “Phèdre”), Ragué: Symphony in D minor, Op. 10 No. 1, Sacchini: “C’est votre bonté que j’implore” (uit “Chimène, ou le Cid”), en Vogel: “Age d’or, ô bel âge” (uit “Démophon”). En, lees voor de gelegenheid eens “Le Concert des Amateurs à l’Hôtel de Soubise (1769-1781) (Pierre Henri Tissot et Camille Bellissant) – la Maison des Sciences de l’Homme-Alpes et CRHIPA (2004), en “La Société Olympique (opuscule anonyme, 1786). L’orchestre de la Société Olympique” (Jean-Luc Quoy-Bodin, Revue de Musicologie, 1984).

Haydn L’Impatiente Le Concert de la Loge Julien Chauvin Sophie Karthäuser cd APARTE AP210

http://www.stretto.be/2018/10/01/haydns-lours-door-le-concert-de-la-loge-o-l-v-julien-chauvin-op-het-label-aparte-en-concerti-door-marco-ceccato-amandine-beyer-gli-incogniti-op-het-label-harmo/