Berlioz’ Symphonie fantastique en de ouverture “Les Francs-juges” op historische instrumenten door Les Siècles o.l.v. François-Xavier Roth, op het label harmonia mundi. Niet te missen!

Toen Berlioz in 1826 wilde meedingen naar de Prix de Rome kwam hij niet eens door de voorronde. Hij schreef zich in aan het conservatorium, waar hij les kreeg van Jean François Lesueur (1760-1837), gewezen “maître de chapelle” van Napoleon, en Anton Reicha (1770-1836). In deze tijd ontdekte hij de werken van Shakespeare, Beethoven en Goethe en werd hij hopeloos verliefd op de Ierse toneelspeelster en Shakespeare-vertolkster Harriet Smithson. Zijn passie voor haar inspireerde hem in 1830 tot het componeren van zijn “Symphonie fantastique” en het vervolg erop, “Lélio ou le retour à la vie”.

In 1831 vertrok Berlioz vanuit Rome naar Parijs met twee pistolen en een flesje gif. Hij had nl. gehoord dat zijn toenmalige verloofde, Marie Moke, achter zijn rug om getrouwd was, en hij had zich voorgenomen Camille en haar moeder te vermoorden en daarna met gif zelfmoord te plegen… Hij kwam echter gelukkig niet verder dan Nice waar zijn woede bekoelde en waar hij naar eigen zeggen, de twintig mooiste dagen van zijn leven doorbracht.

Marie-Félicité-Denise Moke (1811-1875) (foto), geboren in Parijs maar een dochter van een taalleraar afkomstig uit Torhout in West-Vlaanderen, was vijf jaar gehuwd met de 23 jaar oudere, beroemde pianofabrikant, Camille Pleyel (1788-1855). Ze scheidden in 1836. Camille overleed in Sint-Joost-ten-Node, nabij Brussel, en werd begraven in Laken/Laeken (foto). Haar dochter Camille Louise (Pleyel) overleed in 1856, nauwelijks twintig jaar oud, drie jaar nadat haar broer, Ignace Henry (Pleyel) (1832-1853) op 31-jarige leeftijd was overleden…

Harriet Smithson (1800-1854) (foto) was een Ierse actrice en de eerste vrouw van Hector Berlioz. Zij was de dochter van een theaterondernemer die in 1815 haar debuut maakte in het Crow Street Theatre in Dublin, als Albina Mandeville in Frederick Reynolds “The Will”. Drie jaar later debuteerde ze in Londen in het Drury Lane als Letitia Hardy in “The Belle’s Stratagem” van Hannah Cowley (1743-1809).

Ze had geen bijzonder succes in Engeland, maar toen zij in 1828 als lid van een Engels toneelgezelschap in Parijs optrad, wekte ze een ongekend enthousiasme als vertolkster van rollen van Shakespeare en andere Engelse toneelschrijvers. Eerst met William Charles Macready in Parijs had ze daarentegen veel succes als Desdemona, Virginia, Juliet en Jane Shore, in de tragedie van Nicholas Rowe. Een van haar vurigste bewonderaars was Berlioz, met wie zij in 1833 in het huwelijk trad. Het huwelijk hield echter maar zeven jaar stand. Berlioz ontdekte haar in het Odeon waar ze de rollen van Juliet en OIphelia vertolkte. Hij werd meteen verliefd en zond haar brieven, hoewel hij haar nog nooit had ontmoet. Dit bleef veel jaren duren tot de uitvoering in 1832 van zijn “Symphonie Fantastique”. Aan iemand die haar persoonlijk kende schonk Berlioz toegangskaartjes. Zij kwam effectief naar de voorstelling, realiseerde zich dat de symfonie over haar ging, en huwde met de componist.

Toen was haar populariteit al voorbij, en zij stak diep in de schulden. Nadat Harriet een been had gebroken kwam het nooit meer goed met haar carrière. Bovendien was ze erg jaloers van aard en in haar frustratie greep zij steeds vaker naar de fles. Haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Nadat zij mank geworden was als gevolg van een beenbreuk, zei zij het toneel vaarwel. Ook haar huwelijk was geen succes, en vanaf 1840 leefden Berlioz en zij gescheiden. Haar gezondheid takelde af als gevolg van overmatig drankgebruik, en nadat zij door enkele beroertes was getroffen, overleed ze in 1854.

Nog hetzelfde jaar hertrouwde Berlioz met de zangeres Marie-Geneviève Martin, alias Marie Recio (1814-1862) (foto), met wie hij al enige tijd een relatie had. Louis-Thomas Berlioz (foto), het enige kind van Hector en Harriet, werd geboren op 14 augustus 1834. Als jonge man ging Louis bij de koopvaardij en werd kapitein van “La Louisiane”, een pakketboot van de “Compagnie générale transatlantique”. Hij overleed in 1867 aan geelzucht in Havana. De componist is de dood van zijn zoon nooit te boven gekomen.

Verbitterd leed hij de laatste jaren van zijn leven een teruggetrokken bestaan, geplaagd door ziekte. Zijn grootste geluk putte hij uit het hernieuwd contact met zijn jeugdliefde Estelle die ondertussen weduwe was, en met zijn zoon Louis. Toen zijn zoon overleed was Berlioz een gebroken man. Een laatste tournee naar Rusland werd hem fataal. Hij werd naast zijn twee echtgenotes begraven op het kerkhof van Montmartre (foto).

De Symphonie fantastique op. 14 is een meesterlijke orkestcompositie uit 1830. De volledige naam was oorspronkelijk “Épisode de la vie d’un artiste, symphonie fantastique en cinq parties”. Berlioz droeg zijn symfonie op aan tsaar Nicolai I van Rusland.

De vijf bewegingen van de symfonie zijn:

-Rêveries – Passions (Mijmeringen – Hartstochten)

-Un bal (Een bal)

-Scène aux champs (Scène op de velden)

-Marche au supplice (Gang naar het schavot)

-Songe d’une nuit du sabbat (Droom van een heksensabbat)

De “Symphonie fantastique” was een revolutionaire compositie. Het was het eerste instrumentaal werk dat nauwgezet een uitgebreid programma volgde en dat daardoor nieuwe inhoud gaf aan het begrip “programmamuziek”. Bij uitvoeringen van de symfonie hoorde dit programma onder de toehoorders uitgedeeld te worden. Het was het begin van het “programmaboekje”. Het programma had in dit geval weliswaar sterk autobiografische trekken, nl. Berlioz’ verhouding met de Ierse actrice Harriet Smithson.

Berlioz maakte in de symfonie gebruik van de ‘idée fixe’, de voorloper van het “Leitmotiv”. Dat wil zeggen dat een bepaalde melodie, die gekoppeld is aan een bepaalde gedachte of persoon (in dit geval de ‘geliefde’), telkens terugkeert in het werk, wanneer er van die gedachte of persoon sprake is. Het thema kwam uit zijn cantate (scène lyrique) “Herminie” H 29 voor sopraan en orkest, op tekst van Pierre-Ange Vieillard de Boismartin (1778–1862), gecomponeerd voor de Prix de Rome in 1828, meer bepaald uit de eerste beweging, het Recitatief (Moderato – Recit.) “Quel trouble te poursuit, malheureuse Herminie!”.

De “Symphonie fantastique” werd voor het eerst op 5 december 1830 uitgevoerd in de zaal van het Conservatorium in Parijs o.l.v. François-Antoine Habeneck. In de jaren daarna (tijdens een reis naar Italië) herwerkte Berlioz grote delen, tot hij het in 1845 publiceerde. Het werk zoals we het nu kennen is dus anders dan het origineel (bv. met cornetpartij in het tweede deel) uit 1830, dat niet meer gereconstrueerd kan worden. In 1831 componeerde Berlioz een vervolg op de “Symphonie Fantastique” nl. “Lélio, ou le retour à la vie, mélologue en six parties op. 14b”, voor koor, declamator en orkest, waarin voor het eerst de piano voorkomt, deel uitmakend van de orkestinstrumenten.

De tweede beweging is een elegante wals die een schril contrast vormt met de eerste beweging. De wals is verfijnd en briljant georkestreerd en de twee harpen geven aan de muziek – het bal – glans en schittering, vergelijkbaar met de harpen in deel twee van zijn Romeo et Juliet, de finale van zijn Te Deum, zijn Trojaanse mars en zijn orkestratie van Webers uitnodiging tot de dans. De idee-fixe is twee keer te horen alvorens een orkestrale wervelwind de wals beëindigt.

De derde beweging is het muzikaal epicentrum van de dramatische symfonie. Van de wereld van ingebeelde werkelijkheid in de eerste twee bewegingen, gaan we hier over naar de wereld van de ingebeelde nachtmerrie. Het hoofdthema was oorspronkelijk het thema van het Gratias van zijn Messe Solonelle uit 1825. Hier wordt het thema uitgewerkt en gevarieerd waardoor deze derde beweging een reeks variaties vormt op het thema. De herder van het begin en het einde van de beweging gaat terug naar de romance van Marguerite uit de “Huit Scènes de Faust” uit 1829. Daarnaast is deze beweging ook een hulde aan Beethoven, wiens muziek Berlioz in 1828 ontdekte en hem de weg baande naar de symfonische muziek.

De derde beweging doet denken aan Beethovens pastorale met z’n verschillende echo’s en allusies aan het gezang van de vogel aan het eind van de tweede beweging van de pastorale. Het gevoel van vervreemding en isolement verschilt weliswaar van Beethovens magistrale hulde aan de natuur in dans en gezang. Het idee fixe is opnieuw hoorbaar in de stormachtige midden episode in de houtblazers, in gemodificeerde vorm in de bassen, en ten slotte eerder rustig in de slotpassage.

Het thema van de vierde beweging was oorspronkelijk de mars van de wachters in zijn opera “Les Francs Juges” uit 1826–1829 en het thema van de tweede beweging, “Oraison Funèbre” van zijn “Symphonie Funèbre et Triomphale” uit 1840. Onderdeel van de climax is de verschijning van het ideé fixe als verklanking van de herinnering van de kunstenaar op het schavot, aan zijn geliefde. Het motief wordt bruusk afgebroken bij het vallen van het mes.

De finale is de meest provocerende, vernieuwende orkestmuziek van die tijd, slechts vergelijkbaar met de wolf scène uit het eind van de tweede akte van Webers opera “Der Freischütz” uit 1821. Bij Weber krijgen we een combinatie van gesproken tekst, lied, melodrama en orkestmuziek, terwijl bij Berlioz alles komt uit het orkest. Na een korte inleiding die de sfeer schept, verschijnt de idee fixe een laatste keer. Daarna kan de nacht beginnen. Eerst Dies irae (voor het eerst was er een klok in een orkest te horen), dan de heksensabbat die aan het eind van de beweging waarin de heksen samenkomen, elkaar treffen en met elkaar botsen.

De gebruikelijke buisklokken en het col legno spel werden bij sommige uitvoeringen vervangen door piano en xylofoon. De eerste buisklokken dateren echter pas van de jaren ’60 en ’70 van de 19de eeuw, toen John Harrington ze als eerste vervaardigde in brons. Ze klonken voor de eerste keer in het orkest in 1886 in de cantate, ”The Golden Legend“ van Arthur Sullivan, op het moment dat Lucifer in de proloog, verjaagd wordt door de klokken van de kathedraal van Straatsburg. Op deze nieuwe cd hoort u weliswaar de klank van echte bronzen kerkklokken.

“Les Francs-juges” is de titel van een onafgewerkte opera van Berlioz, gecomponeerd op een libretto van zijn vriend Humbert Ferrand in 1826. Berlioz verliet de onvolledige compositie en vernietigde het grootste deel van de muziek. Hij behield de ouverture, die een populair concertitem is geworden, en gebruikte ander muzikaal materiaal in latere composities. Ferrand was een student rechten met een liefde voor poëzie die een levenslange vriend van Berlioz werd. Hij had de tekst al geschreven voor een cantate van de componist, “La Révolution grecque” in 1825. Nu dankte Ferrand Berlioz’ gretigheid om voor zijn eerste opera het libretto met drie akten te geven, “Les francs-juges”. Het werk speelt zich af in het middeleeuwse Duitsland en de titel betekent letterlijk “de vrije rechters”, verwijzend naar de geheime veemprocessen die in de late middeleeuwen in de regio werden gehouden.

De plot, met zijn stormachtige passies en thema van redding van onderdrukking, bood Berlioz de mogelijkheid om een werk te componeren in de stijl van de Franse Revolutionaire opera’s van Méhul en Cherubini. Berlioz bedoelde “Les Francs-juges” voor uitvoering in het Odéon-theater en het management accepteerde het op basis van Ferrands libretto. Berlioz wierp zich op het schrijven van de partituur in de zomer van 1826. De eerste twee akten waren in juni voltooid, en hij componeerde de derde akte in juli en augustus en legde er de laatste hand aan in september. Helaas voor Berlioz kon de Odéon geen overheidslicenties verkrijgen om nieuwe Franse opera’s te organiseren en werd “Les Francs-juges” opgeschort. De componist deed later pogingen om het te laten opvoeren in de Opéra, de Nouveautés, het Duits theater en in Karlsruhe.

Hij herzag het in 1829 en opnieuw in 1833, maar het mocht niet baten. “Les Francs-juges” werd nooit opgevoerd en slechts vijf nummers van de oorspronkelijke partituur van 1826 overleefden de tijd. Een deel van de muziek werd hergebruikt in de “Marche au supplice” van de Symphonie fantastique en het tweede deel van de “Symphonie funèbre et triomphale”. De hier opgenomen ouverture overleefde weliswaar als een afzonderlijk werk. Dit was het eerste werk dat Berlioz voor orkest componeerde en het was de eerste van zijn composities die tot vandaag een plaats in het repertoire behielden. Het werd voor het eerst opgevoerd in het Conservatorium van Parijs in mei 1828 en gepubliceerd in 1836 met het opusnummer 3. Franz Liszt maakte er in 1833 een pianotranscriptie van (S.471).

Berlioz bedacht een totaal nieuwe behandeling van het orkest en een heel ongebruikelijke orkestbezetting. Er worden maar liefst vier harpen voorgeschreven en voor het eerst was er een heuse klok in het orkest te horen. Ook werden er ongebruikelijke speelwijzen gevraagd van de uitvoerders. In een bepaalde passage moesten de violisten bv. met het hout van hun strijkstok op de snaren tikken (col legno).

De grote meerwaarde van deze opname is dan ook de uitvoering op historische instrumenten. Alle strijkinstrumenten hebben darmsnaren, de fluiten, hobo’s en klarinetten werden alle gebouwd tussen 1830 en 1870, de fagotten werden tussen 1824 en 1850 gebouwd door Wolf, Triébert, Adler en Savary, en ook de hoorns (cors à 2 en à 3 pistons), trompetten (trompettes naturelles longues à trous, gebouwd door Adolf Egger en cornets à pistons Gautrot) en trombones van Antoine Courtois (vandaag, Buffet Crampon), zijn in het midden van de 19de eeuw gebouwd door Gautrot en Guichard, volgens het systeem Stoelzel.

De Duitsers Stölzel en Blühmel waren pioniers op het gebied van de ventielwerking. Heinrich Stölzel (1777-1844) uit Schneeberg in het Erzgebirge en Friedrich Blühmel (1777-1845) uit Pless (nu Pszczyna in Opper-Silezië in wat nu het zuiden van Polen is), ontwikkelden onafhankelijk van elkaar het ventielsysteem waardoor het mogelijk werd een chromatische toonladder te spelen. Door twee ventielen kon men de buis van de oorspronkelijke natuurhoorn (trompe de chasse of cor de chasse), gemakkelijk verlengen en inkorten waardoor er hogere of lagere tonen gespeeld konden worden. Heinrich Stölzel was hoornist en instrumentenbouwer in dienst van de koning van Pruisen.

Hij ontdekte de werking van ventielen in samenwerking met de mijnwerker! en hoboïst, Friedrich Blühmel. Uiteindelijk werd de hoboïst als eigenlijke uitvinder aangewezen die het patent kreeg. In 1818, het jaar waarin Stölzel en Blühmel besloten om samen te werken, componeerde de hoornist en “preußischer Hofkapellmeister”, Georg Abraham Schneider (1770-1839) uit Darmstadt, het eerste “Concertino für drei Waldhörner und ein chromatisches Ventilhorn”. Een jaar later bedacht de Leipzigse instrumentenbouwer Christian Friedrich Sattler, een derde ventiel en vanaf 1820 had ook de trompet drie ventielen. In 1839 vond Etienne-François Périnet de piston of zuiger uit en bouwde de cornet à pistons. Vanaf ca. 1860 hadden omzeggens alle symfonie orkesten, ventielhoorns en ventieltrompetten.

Naast deze historische instrumenten, ontdekt u de klank van de ophicleïde (foto) of klepserpent (een ophicléide Roch uit 1837 en een ophicléide Gautrot uit 1860), een in 1817 door Halary (pseudoniem van Jean Hilaire Asté) uit de kleptrompet ontwikkeld, koperen blaasinstrument. Adolpe Sax zou uit de ophicleïde, het enige koperen blaasinstrument voorzien van kleppen, de saxofoon ontwikkelen door in 1846, het jaar van zijn patent, het instrument te voorzien van een klarinetmondstuk. De vier harpen (“style Empire en citronnier”) die u op deze opname kan beluisteren, werden tussen 1910 en 1922 gebouwd naar het model van Sébastien Érard en de pauken werden in het midden van de 19de eeuw gebouwd door Gautrot en door Vercruysse & Dhondt uit Rijsel.

Het ander percussie (cymbalen, grosse caisse Seimalone en tambour militaire) is afkomstig uit Istanboel en de klokken zijn de kerkklokken van de Fonderie Voegelé, in 2013 gegoten voor de opening van het Berlioz Festival in La Côte-Saint André, de geboorteplaats van de componist. Deze opname mag u voor geen geld ter wereld missen. Uniek!

Berlioz Symphonie fantastique Les Francs-juges Les Siècles François-Xavier Roth cd harmonia mundi HMM 902644

http://www.stretto.be/2019/11/08/berlioz-la-damnation-de-faust-door-joyce-didonato-michael-spyres-nicolas-courjal-alexandre-duhamel-coro-gulbenkian-en-het-strasbourg-philharmonic-orchestra-o-l-v-john-n/