Requiem en Trauermusik van de jonge Anton Bruckner, door RIAS Kammerchor Berlin en de Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Łukasz Borowicz, op het label accentus music. Hemels!

Op 14 maart 1849 voltooide de 24-jarige Anton Bruckner zijn eerste grote vocale compositie. Het was het enige Requiem van de componist die later de architect van grootse, symfonische meesterwerken zou worden. Deze heel bijzondere en uitermate professionele cd verschijnt op 22 november.

De jonge Anton Bruckner (1824-1896) componeerde zijn Requiem in re klein, een Missa pro defunctis, voor gemengd koor, vocale solisten, drie trombones, een hoorn, strijkers en orgel, ter nagedachtenis van Franz Sailer, de notaris van het St. Florian Klooster, die Bruckner een Bösendorfer-piano had nagelaten. Het Requiem ging in première op 15 september 1849 in het St. Florian klooster, een jaar na het overlijden van Sailer. Een tweede uitvoering vond plaats op 11 december 1849 in de abdij van Kremsmünster. Het manuscript is gearchiveerd in het St. Florian klooster. In 1892 herzag Bruckner de partituur en gaf ze aan Franz Bayer. Bayer speelde het op 4 december 1895 in Steyr op de begrafenis van pastoor Johann Evangelist Aichinger. De Österreichische Nationalbibliothek kreeg de herziene partituur van Bayers weduwe in 1923.

Het Requiem was Bruckners eerste echt grootschalige compositie en waarschijnlijk zijn eerste belangrijk werk. Het is weliswaar verbazingwekkend welk niveau hij toen reeds bereikte, vooral als we luisteren naar de grote dubbelfuga van het Quam olim Abrahae, geschreven ten minste zes jaar voor hij aan zijn studie contrapunt bij Simon Sechter begon. Het Requiem was ook Bruckners eerste compositie met orkest. Eerder componeerde hij de “Windhaager Messe” in C voor alt-solo, alten, 2 hoorns en orgel, 1842, de “Kronstorfer Messe” in d voor gemengd koor a capella, 1843–1844 (zonder Gloria en het voorziene Credo niet gecomponeerd) en de “Gründonnerstag Messe” in F voor gemengd koor a capella, 1844–1845 (Kyrie en Gloria verloren gegaan).

In 1892 beoordeelde een zeer zelfkritische, zeventig jaar oude Bruckner zijn Requiem als “Es is ‘net schlecht!”. De expressief terughoudende opening van het Requiem, met zijn zacht verschuivende syncopen in de strijkers, anticipeerde al enigszins op zijn eerste symfonieën uit het begin van de jaren ‘60. We kunnen daarom niet in het minst ontsnappen aan de plechtige schoonheid van deze muziek, die reeds de authentieke sfeer van zijn natuurlijke genialiteit bezat.

In de jaren na het componeren van het Requiem componeerde Bruckner een aantal kleine koorwerken (Psalm 114 in G voor gemengd koor en 3 trombones en Psalm 22 in Es voor gemengd koor, solisten en piano (allebei in 1852), en twee grotere werken, een Magnificat (1852) en de Missa solemnis in Bes-mineur (1854). Maar, vreemd genoeg voldeden deze helemaal niet aan de compositorische eigenschappen die reeds aanwezig waren in het eerder gecomponeerd Requiem. In 1864 componeerde Bruckner zijn eerste genummerde Mis nr. 1 in d voor gemengd koor, solisten, orkest en orgel.

Sommige eigenschappen verwezen nog naar oudere voorbeelden en enkele stilistische tegenstrijdigheden qua muzikale gestalte verwezen nog naar de fase van zelfontwikkeling van de jonge componist. Maar wie aandachtig luistert, zal zeker de passages ontdekken waarin de mystieke uitstraling en sublimiteit van de brede orkestrale partituren al doorschijnen, zij het in de zacht gloeiende toon van het Benedictus, het intiem Agnus Dei of de krachtige en meesterlijke bedachte, dubbelfuga van het Quam olim Abrahae.

Er bestaan drie verschillende edities van het Requiem, de Haas-editie (1930/31), samen met de Missa solemnis, waarin Haas veel dynamiek markeringen aanbracht, de Nowak-editie (1966), Nowak corrigeerde het overzicht van Haas, maar bewaarde de antieke ut sleutels voor de vocale partijen (verschillende ut-sleutels voor sopraan, alt en tenor),  en er is de Rüdiger Bornhöft editie (1998), waarin Bornhöft de sleutels verving door sol sleutels (en de fa sleutel voor de baspartij), en kleine fouten corrigeerde.

Op deze cd ontdekt u verder arrangementen van Benjamin-Gunnar Cohrs van Bruckners Libera me Domine (responsorium), WAB 22 , Aequale nr. 2 in do klein, WAB 149 (voltooid door B.-G. Cohrs/tekst, Ernst Marinelli (1824-1887)), Am Grabe, WAB 2, Aequale in fa klein (naar “Vor Arneths Grab”, WAB 53) (arr. B.-G. Cohrs voor 3 trombones), Vor Arneths Grab, WAB 53, Aequale nr. 1 in do klein, WAB 114, 2 Totenlieder: nr. 1 in E-Flat Major, WAB 47 (tekst van August Seuffert en Heinrich von der Mattig), Nachruf, WAB 81a – Trösterin Musik, WAB 81b (arr. B.-G. Cohrs voor koor en orgel), 2 Totenlieder: nr. 2 in F, WAB 48 en Libera me Domine, WAB 21.

Bruckner componeerde de twee Aequali, afgeleid van “voces aequales” of gelijke stemmen (partijen), (cfr. de “Drei Equale” voor vier trombones, WoO 30 uit 1812, van Beethoven), eind januari 1847 tijdens zijn verblijf in de abdij van St. Florian (foto). Hij componeerde ze voor de begrafenis van zijn tante Rosalie. Het manuscript van de eerste Aequale (WAB 114) wordt bewaard in het archief van de abdij (Stift) van Seitenstetten (foto) in het “Mostviertel” in het zuidwestelijk deel van Neder-Oostenrijk. Het werk werd voor het eerst gepubliceerd in band II van de biografie van August Göllerich en Max Auer, “Anton Bruckner. Ein Lebens- und Schaffens-bild. 4 Bände in 9 Teilen” (1922-1837).

De schets van het tweede Aequale werd later teruggevonden in het archief van de abdij van St. Florian. In de schets ontbreekt de partij van de bastrombone. Het werd vervolgens als addendum (WAB 149) aan de reeds uitgegeven WAB-classificatie toegevoegd. De twee Aequali werden uitgegeven in Band XXI / 14 van de Gesamtausgabe.

Na de Missa Solemnis, uitgebracht in februari 2018, markeert deze opname de tweede stap in de ontdekkingsreis naar de sonore kosmos van Anton Bruckner van wie we zelden vroeg werk horen. De uitvoerders zijn Johanna Winkel (sopraan), Sophie Harmsen (mezzosopraan), Michael Feyfar (tenor) en Ludwig Mittelhammer (bariton), het RIAS Kammerchor Berlin en de Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Łukasz Borowicz. In het bijbehorend boekje leest u interessante achtergrondinformatie van Benjamin-Gunnar Cohrs (foto).

Sinds 1996 draagt Benjamin-Gunnar Cohrs (°1965) uit Hamelen, bij aan internationale muziekmagazines, presenteert hij concerten en geeft inleidingen tot concerten, maakt eigen radioprogramma’s (Radio Bremen, SWR, WDR, ORF), schrijft programma-aantekeningen en boekje-aantekeningen, en verslagen over musicologische conferenties. Van 1995 tot 2012 was hij mederedacteur van de “Bruckner-Gesamtausgabe” in Wenen. Tegenwoordig is hij een bekende Bruckner-specialist, o.a. vanwege zijn studies en edities van bewegingen en “Zwei nachgelassene Trios” van Bruckners Negende Symfonie (Neuausgabe von B. G. Cohrs, Wenen 2000). Een ontdekking. Warm aanbevolen.

Anton Bruckner Requiem RIAS Kammerchor Berlin Akademie für Alte Musik Berlin Łukasz Borowicz cd Accentus Music ACC30474

http://www.stretto.be/2018/04/02/anton-bruckners-missa-solemnis-op-het-label-accentus-schitterend/