Fred Brouwers, “Beethoven in de bunker, Musici onder het nazisme: vereerd, verbannen, vergast”, een beklemmende uitgave van epo.

Fred Brouwers, “Beethoven in de bunker, Musici onder het nazisme: vereerd, verbannen, vergast”, een beklemmende uitgave van epo.

In mei 1945 doorzochten Sovjetsoldaten Hitlers bunker in Berlijn. Ze vonden lichamen, documenten, juwelen en schilderijen maar ook een uitgebreide collectie 78-toerenplaten. Dat daar werk van Beethoven, Wagner en Bruckner tussen zat, verbaast niemand. Opvallender is dat tussen de platen ook werken van ‘verboden’ joodse en Russische componisten en uitvoerders aangetroffen werden. In zijn boek “Beethoven in de bunker. Musici onder het nazisme: vereerd, verbannen, vergast”, vertelt Fred Brouwers over de verhouding van de nazi’s tot klassieke muziek.

Een jaar na de tentoonstelling “Entartete Kunst” in München organiseerde het naziregime in 1938 een andere, minder bekende tentoonstelling in Düsseldorf, “Entartete Musik”. De term “entartet” (gedegenereerd) werd ook voor muziekstromingen als jazz(arrangementen), atonale muziek, en boven alles, alle muziek van joodse componisten gebruikt. ‘Nationalistische muziek’, vermoedelijk muziek met folklore-achtige elementen en die patriottische gevoelens zou kunnen losmaken, was ook verdacht (Frédéric Chopin, Zoltán Kodály). Al deze muziek werd in de ban gedaan. Het was voor het eerst in de mensheid dat ras bepaalde of muziek goed of niet goed was. Het begrip atonale muziek werd opgerekt. Niet alleen de echte atonale muziek, zoals die van Arnold Schönberg, was “entartet”, maar ook muziek zonder duidelijke toonsoort of moderne muziek. In de laatste categorie viel bijvoorbeeld het werk van Igor Stravinsky en Claude Debussy. Raciale doctrine, Wagneriaans antisemitisme en Arische suprematie bepaalden voortaan het muziekleven.

Vele joodse musici, dirigenten (Otto Klemperer, Bruno Walter (foto)), leraren, componisten en musicologen werden gedwongen te emigreren of zagen het onheil aankomen en emigreerden zelf (Erich Korngold). Dit alles veroorzaakte een serieuze kwaliteitsvermindering in het Duitse muziekleven en betekende voor de Verenigde Staten bijvoorbeeld een grote kwaliteitsinjectie. Anderen waren niet in staat te vluchten of dachten dat het wel over zou waaien. De Tsjechische componist Pavel Haas bijvoorbeeld wilde zijn vrouw en familie niet in de steek laten, werd in 1941 naar Terezín (Theresienstadt) gedeporteerd en in 1944 naar Auschwitz waar hij waarschijnlijk in de gaskamer werd vermoord. De enige componist die niet in de ban werd gedaan, hoewel zijn vrouw joods was, was Franz Lehár. Hitlers persoonlijke idolatrie voor “Die lustige Witwe”, zorgde voor deze uitzondering. De vrouw van Lehár kreeg van Hitler het predicaat “Ere-Ariër”.

Na de Duitse nederlaag in 1945 werd Hitlers geheime bunker in Berlijn doorzocht door een Russische militaire patrouille onder leiding van Lev Besymenski. Terwijl de soldaten juwelen, schilderijen en andere waardevolle voorwerpen meenamen, nam Besymenski enkel de grammofoonplaten mee naar huis. Jarenlang sprak hij met niemand over die unieke verzameling. Hij zou ze wel ooit hebben laten horen aan een paar eminente musici. Een van hen was Emil Gilels, pianist en winnaar van de Koningin Elisabethwedstrijd in 1938. De andere was dirigent Kirill Kondrasjin. Verder vond de Russische patrouille nog Mendelssohn en Offenbach, en Russen onder wie Rachmaninov en Alexander Borodin.

In het boek komen zowel beroemde namen als onbekend geworden namen aan bod. Fred Brouwers heeft het achtereenvolgens over de operettecomponist, Paul Abraham (foto), Arturo Toscanini, Richard Strauss, de pianiste, Elly Ney, Josef Bor en Rafael Schächter, Igor Stravinsky, de violist, Bronislaw Huberman, Anton Webern, Olivier Messiaen, Anita Lasker, Paul Hindemith, Fritz Löhner-Beda, Willem Mengelberg, Franz Lehar, Herbert von Karajan, Joseph Schmidt, Hanns Eisler en Paul Douliez.

Josef Bor, eigenl. Josef Bondy (1906-1979) (foto) was een Tsjechische advocaat en schrijver die Auschwitz overleefde. Zijn novelle “Theresienstädter Requiem” (“Terezínské rekviem”), gepubliceerd in 1963 beschrijft de uitvoering van Verdi’s Requiem door dirigent Rafael Schächter in het getto Theresienstadt. Rafael Schächter (1905-1945) (foto) was als Tsjechische pianist, componist en dirigent, de organisator van culturele en artistieke evenementen in het getto van Theresienstadt. Anita Lasker-Wallfisch (°1925) was celliste en een overlevend lid van het vrouwenorkest in Auschwitz. Ze huwde met de pianist, Peter Wallfisch.

Fritz Löhner-Beda (1883-1942), geboren Bedřich Löwy (foto), een Oostenrijkse librettist, tekstschrijver en schrijver, werd vermoord in het concentratiekamp Auschwitz III Monowitz. Hij schreef o.a. de libretti van “Friederike” (1928), “Das Land des Lächelns” (1929) (“Dein ist mein ganzes Herz”), en samen met Paul Knepler, “Giuditta” (1934) (“Meine Lippen, sie küssen so heiß”) van Franz Léhar, en de tekst voor de tango, “Du schwarzer Zigeuner”. De Vlaamse componist, pianist, dirigent en auteur, Paul Douliez (1905-1989) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een actief lid van de Schutzstaffel en Waffen-SS. Hij werd o.a. uitgezonden als oorlogsverslaggever bij de SS-Kriegsberichter-Kompanie aan het Oostfront, waarvoor hij een IJzeren Kruis kreeg. Boeiend maar beklemmend. Zeker lezen!

Fred Brouwers Beethoven in de bunker, Musici onder het nazisme: vereerd, verbannen, vergast 216 bladz. geïllustreerd uitg. epo ISBN 978 94 6267 183 6