“Im trüben Licht verschwinden schon die Berge”. “Epic, Lieder & Balladen”, door bariton, Stéphane Degout en pianist, Simon Lepper, op het label harmonia mundi (choix de France musique).

 

Dat Stéphane Degout ook de Duitse liedkunst machtig is, laat hij horen op zijn nieuwe cd met Duitse liederen en ballades van o.a. Schubert, Brahms, Carl Loewe en Hugo Wolf. Stéphane Degout zingt de verhalen, daarbij bijgestaan door pianist, Simon Lepper.

“Het mysterie van de ballade komt voort uit de manier waarop het wordt verteld” (Goethe). Dit fascinerend repertoire vereist dat de uitvoerder elk van de personages speelt of acteert, zoals hij of zij het in een opera zou doen, bv. de dwerg, zijn minnares de koningin (die in de ballade, de dwerg wurgt met een rode zijden sjaal), en de verteller, in “Der Zwerg” van Matthäus von Collin/Schubert. Wie is er beter dan Stéphane Degout om de uitdaging aan te gaan om in het hart van de Duitse romantiek te duiken? Nog maar net winnaar van een Victoire de la Musique in 2019, belichaamt de Franse bariton elk van de hoofdrolspelers in deze miniatuurdrama’s. Naast hem staan een oude, vertrouwde partner en twee uitzonderlijke gasten, de mezzosopranen, Felicity Palmer en Marielou Jacquard.

In de late 18de-eeuwse Duitse literatuur werd de term ballade gebruikt om folkloristische, narratieve poëzie te beschrijven (naar Johann Gottfried Herder), waarvan sommige op muziek werden gezet door componisten als Johann Friedrich Reichardt, Johann Abraham Peter Schulz, Carl Friedrich Zelter (foto) en Johann Rudolf Zumsteeg (tweede Berliner Liederschule). In de 19de eeuw klonken balladen van Schumann en Carl Loewe, soms mysterieus of lyrisch en melancholisch. Andere balladen verklankten op een eerder heftige manier, de actie en de dramatiek van het verhaal. Dit maakte het verschil uit tussen het eerder vertellend, intiem, dichterlijk lied en de verhalende, naar expressie, contrastrijke ballade.

De ballade was aanvankelijk een hoog middeleeuws danslied. Met de herontdekking van de middeleeuwen en de bloeiperiode van de neogotiek, werden in de 19de eeuw, opnieuw literaire ballades op muziek gezet. De ballade kreeg een opera-achtige allure met recitatieven of marsen, en de pianobegeleiding van deze solistische miniatuur kameropera’s, werd klankschildering, die soms reeds gebruik maakte van leidmotieven.

De bekendste componist was Carl Loewe, maar ook Schubert, die bv. de Erlkönig-ballade componeerde, Schumann, Brahms en Hugo Wolf, componeerden balladen. De ballade kwam ook voor in de opera, zoals in Wagners “Der fliegende Holländer” (Ballade van Senta), of als koorwerken, bv. deze van Schumann of Mendelssohn.

In niet-vocale muziek werd de titel gebruikt voor pianowerken op basis van literaire modellen, bv. in de vier balladen van Chopin, gecomponeerd tussen 1831 en 1843, gebaseerd op o.a. gedichten van Adam Mickiewicz of Brahms, op. 10 uit 1856, naar Herder. Later werden door Liszt, Brahms of Grieg, naar de voorbeelden van deze van Václav Jan Křtitel (Johann Wenzel) Tomášek en Jan Václav Voříšek, balladen gecomponeerd als los van een bepaalde tekst staande, zelfstandige, romantisch-lyrische karakterstukken.

Als één van de eerste vertegenwoordigers van het modernere karakterstuk, componeerde de Boheemse componist en muziekpedagoog uit Praag, Johann Wenzel Tomášek (1774-1850) (foto) vanaf 1807, over een periode van 30 jaar, in totaal 7 cycli met in totaal 36 karakteristieke stukken, “Eqlogues”, meestal in driedelige liedvorm. Ignaz Moscheles’ karakteristieke studies voor de pianoforte uit 1836, waren nog late varianten op de barokke affecten. Ze kregen karakteraanduidingen als woede, tegenstrijdigheid, tederheid of angst. In de loop van de tijd werden deze stukken technisch meer geavanceerde études, bv. de études op. 12 (1816) en op. 22 (1836) van Ludwig Berger (1777-1839), en werden ze uitgangspunt voor klaviermuziek van latere componisten, onder wie, Felix Mendelssohn Bartholdy’s “Lieder ohne Worte, Sieben charakteristische Stücke” op. 7 uit 1827. In tegenstelling tot Mendelssohn vond Franz Schubert zijn muzikale modellen vooral in vocale muziek. Robert Schumann bevestigde het poëtisch element van zijn pianomuziek met titels als “Waldszenen”, “Kinderszenen”, “Nachtstück”, “Fantasiestück”, of “Albumblätter”. Zijn 18 “Davidsbündlertänze” op. 6 uit 1837, werden in de tweede editie van 1850/51, “Charakterstücke” genoemd.

Omdat Carl Loewe in 1816, toen hij solliciteerde naar de functie van organist van de “Marktkirche Unser Lieben Frauen” (foto) in Halle, het niet haalde van zijn concurrent, Johann Friedrich Naue (1787-1858), schreef hij zichzelf een jaar later in als student protestantse theologie aan de Friedrichs- Universiteit van Halle. Tijdens zijn studie werd hij in 1817 lid van de plaatselijke Teutonia Halle-broederschap. In het openbaar muziekleven van de stad bewees Loewe bij optredens van de Singakademie o.l.v. Johann Friedrich Naue, dat hij een uitstekende tenor was. Tijdens zijn jaren in Halle componeerde hij balladen of verhalende liederen, als “Erlkönig” en “Edward”.

Hugo Wolf (1860-1903) componeerde tussen 1888 en 1891 meer dan 200 liederen. Na “Liederstrauß” (1878) op gedichten van Heinrich Heine, volgden de Eichendorff-Lieder (1887-88), de Mörike-Lieder (1888), de Goethe-Lieder (1888-1889), het Spanisches Liederbuch (1889-1890) op gedichten van Paul Heyse en Emanuel Geibel en het Italienisches Liederbuch (1890-1896) op gedichten van Paul Heyse. Veel, vaak humoristische gedichten van de literaire impressionist, Eduard Mörike (1804-1875) werden door Schumann, Wolf en Hugo Distler op muziek gezet. Algemeen wordt Mörike als een van de grootste, Duitse dichters beschouwd omdat zijn werk een interessante symbiose was tussen de Weimarer Klassik, romantiek, Biedermeier en het poëtisch realisme. De Mörike-lieder uit 1888 wordt als hoogtepunt uit het oeuvre van Hugo Wolf beschouwd. In een tijdsbestek van amper negen maanden, componeerde hij 53 liederen op gedichten van Eduard Mörike.

De vijf verzen van Mörike’s romantisch gedicht “Der Feuerreiter”, verbindt het vuur van een molen met de magische, legendarische figuur van een “vuurrijder”. Hij is een ziener, die altijd rusteloos in zijn woning rondloopt als de brand op handen is en dan zijn ‘rode muts’ bij het raam laat zien en hij is diegene die als eerste, te paard naar de vuurplaats rijdt wanneer het molenvuur uitbreekt om het vuur te bestrijden met een toverspreuk en een kruisreliek. Deze keer verdween hij echter nadat de molen was uitgebrand. Later werd een skelet met een muts op, zittend op het skelet van een paard, onder de as van een ruïne gevonden.

Op de cd staan 9 liederen en balladen, “Der Zwerg”, D771 (von Collin) van Schubert, “Edward” (Schots, vertaald door Herder), op. 1 nr. 1 van Carl Loewe, “Belsatzar” (Heine), op. 57 en “Die beiden Grenadiere” (Heine), op. 49 nr. 1 van Schumann, “Edward” op. 75 nr. 1 (samen met dame Felicity Palmer, mezzo) en “Die Nonne und der Ritter” (Eichendorff) op. 28 nr. 1 (samen met Marielou Jacquard , mezzo) van Brahms, “Die drei Zigeuner” (Lenau), S.320, “Es war ein König in Thule” (Goethe) en “Tre Sonetti 104 di Petrarca” (“Benedetto sia ‘l giorno”, “Pace non trovo” en “I vidi in terra” – 1ste versie uit 1842-1846), S270 van Liszt, en “Der Feuerreiter” (Mörike) (nr. 44 uit de Mörike-Lieder) van Hugo Wolf. De teksten/gedichten kan u volgen in het bijbehorend boekje. Zeker doen.

De Franse bariton Stéphane Degout (°1975) (foto) studeerde af aan het conservatoire National Supérieur de Musique in Lyon en was er lid van het Atelier Lyrique de l’Opéra. Hij kreeg al snel internationale aandacht door zijn debuut als Papageno op het Festival van Aix-en-Provence. Sindsdien was hij te zien op de belangrijkste operapodia ter wereld, de Opera de Paris, het Théâtre des Champs-Élysées, de Opéra Comique, de Staatsoper, de Munt, het Theater an der Wien, het Royal Opera House, de Lyric Opera Chicago en de Metropolitan Opera, het Teatro alla Scala en de Bayerische Staatsoper. Zijn talrijke optredens op festivals omvatten Salzburg, Glyndebourne, Aix-en-Provence, Edinburgh, Tokyo en Los Angeles. Het vol en warm timbre van de stem van Stéphane Degout, plaatst hem welverdiend naast George London, Dietrich Fischer-Dieskau, Thomas Quasthoff, Ian Bostridge, en Matthias Goerne.

Simon Lepper, geboren in Canterbury, studeerde aan King’s College, Cambridge, en studeerde pianobegeleiding bij Michael Dussek aan de Royal Academy of Music. Dussek is pianist van het Dussek Piano Trio, Endymion en Primavera. Nog tijdens zijn studie won Simon Lepper veel prijzen voor pianobegeleiding, waaronder de Gerald Moore Award en de prijzen voor begeleiders in de Kathleen Ferrier- en Royal Overseas League-competities. Hij is een Associate van de Royal Academy of Music, professor in Collaborative Piano aan het Royal College of Music, in Londen, en de officiële begeleider van de Cardiff BBC Cardiff Singer of the World Song Prize. Enkele van de zangers en zangeressen met wie hij reciteerde, waren onder meer Dame Felicity Palmer, Stéphane Degout, Sally Matthews, Karen Cargill, Angelika Kirchschlager, Mark Padmore, Christopher Purves Nicky Spence, Christiane Karg, Ilker Arcayürek, Benjamin Appl, Soraya Mafi, Stephan Loges, Nicole Cabell, en Gillian Keith. Met de sopraan, Gillian Keith nam hij de cd’s “Debussy Early Songs” en “Garland for Presteigne” op. Hij werkt ook samen met de Duitse violiste Carolin Widmann, die op een Giovanni Battista Guadagnini uit 1782 speelt. Hun cd opname “Phantasy of Spring” met muziek van van Xenakis, Feldmann, Schoenberg en Zimmerman, voor ECM-records, ontving een Diapason d’or.EPIC LIEDER & BALLADEN Stéphane Degout Simon Lepper cd harmonia mundi HMM902367

http://www.stretto.be/2018/03/12/enfers-de-uitzonderlijk-originele-nieuwe-cd-van-stephane-degout-en-het-ensemble-pygmalion-o-l-v-raphael-pichon-op-het-label-harmonia-mundi/

http://www.stretto.be/2019/01/26/subliem-italienisches-liederbuch-van-hugo-wolf-door-diana-damrau-jonas-kaufmann-en-helmut-deutsch-op-het-label-erato/

http://www.stretto.be/2020/03/25/liszt-o-lieb-melodies-en-liederen-door-cyrille-dubois-tenor-en-tristan-raes-piano-op-het-label-aparte-magnifiek/