Sverker Johansson, “De oorsprong van taal, waar, wanneer en waarom de mens begon met praten”, uitgegeven door Meulenhoff. Een meesterwerk!

Taal is van onschatbare waarde. Maar, hoe ontwikkelde de mens zich met taal? Waar, wanneer en waarom begonnen we te praten? Zijn we dan toch dieren die kunnen praten? Het is één van de grote raadsels van de geschiedenis. We zijn nog verre van een oplossing, maar met behulp van uiteenlopende wetenschappen als archeologie, neurologie, taalkunde en biologie, kunnen we nu enkele conclusies trekken, enkele oudere hypothesen verwerpen en nieuwe vragen stellen. Met enthousiasme en expertise leidt Sverker Johansson u doorheen een labyrint van aanwijzingen en theorieën.

De zoektocht naar de oorsprong van de taal begint vele miljoenen jaren terug in de tijd, toen de apen en mensen van vandaag verschillende evolutionaire paden volgden. Het eindigt op het punt waarop de modellen kunnen worden afgeleid uit de talen die vandaag worden gesproken, dat wil zeggen ongeveer vijfduizend jaar geleden. Tussendoor leren we Homo erectus en Neanderthaler kennen, maar de sporen lijken de hele tijd terug te leiden naar de revolterende periode van ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden, toen onze voorouders in Afrika met nieuwe situaties werden geconfronteerd en steeds meer begonnen te verschillen van andere dieren, en waar taal een hoofdrol lijkt te hebben gespeeld.

 “Zo lang we terug kunnen kijken in de geschiedenis van de filosofie”, zo schrijft Johansson, “is de aard van taal een centrale vraag geweest in deze tak van wetenschap. Rond 400 voor Christus zag de grote Griekse filosoof Aristoteles taal als een centrale scheidslijn tussen de mens en de dieren. Een generatie later presenteerde Epicurus de oudst bekende theorie over de oorsprong van taal. 2000 jaar later gingen een aantal van de filosofen uit de verlichting interesse tonen in de oorsprong van taal. Godfried Wilhelm Leibnitz, publiceerde in 1710 zijn ideeën over de oorsprong van taal.”

“De Franse filosoof Etienne Bonnot de Condillac” (1714-1780), zo lezen we verder, “besprak in 1746 de oorsprong van taal in zijn ‘Essai sur l’origine des connaissances humaines’, waarin hij speculeerde over de mogelijkheid dat taal zijn oorsprong kon hebben gehad in gebaren en pantomime, die vervolgens werden verfijnd tot een gebarentaal. De Schotse filosoof Thomas Reid (1710-1796), één van de grondleggers van de “common sense”-filosofie, dacht er in 1765 het zelfde over. Reid speculeerde tevens over het verband tussen taal en kunst.” Hij schreef “An Inquiry into the Human Mind on the Principles of Common Sense” (1764), “The Intellectual Powers of Man” (1785) en “The Active Powers of Man” (1788).

“De Zwitserse politiek filosoof, Jean Jacques Rousseau” (1712-1778), zo vervolgt de auteur, “mengde zich tevens in het debat over de oorsprong van taal, in een polemiek met de leeftijdsgenoot Condillac. Rousseau dacht dat er een oorspronkelijke situatie was geweest waarbij de nobele wilde zowel gebruikmaakte van gebaren als kreten om te communiceren. Gebaren zouden zijn gebruikt om behoeften uit te drukken en kreten om uiting te geven aan gevoelens. Rituelen en liedjes speelden vervolgens een sleutelrol bij de ontwikkeling van deze gebaren en kreten naar een echte taal. Een andere denker, de Schot James Burnett, Lord Monboddo (1714-1799), de voorloper van het idee van het principe van Darwins natuurlijke selectie, was in zijn “The Origin and Progress of Man and Language” (6 volumes, 1773-1792), een grondlegger van de moderne, vergelijkende en historische linguïstiek.”

“Johann Gottfried Herder”, zo schrijft hij verder, “leverde een bijdrage aan de totstandkoming van het Duitse nationaliteitsgevoel. Hij publiceerde in 1772 een boek over de oorsprong van taal, ‘Abhandlung über den Ursprung der Sprache’. Daarin bespreekt hij wat hij noemt ‘natuurlijke talen’: alle verschillende geluiden die dieren en mensen gebruiken om hun emoties uit te drukken, bv. uitroepen van pijn en lust. Maar de wortels van de menselijke taal zocht hij niet in die natuurlijke taal, hij zocht die eerder in iets waarmee de mens zich onderscheidt van de dieren en wat een verklaring vormt voor het feit dat wij echte talen hebben, terwijl dieren alleen maar beschikken over geluiden waarmee ze hun emoties uiten.”

“In de 19de eeuw”, zo schrijft Johannson nog, “groeide de linguïstiek, de taalwetenschap, uit tot een eigen onderzoeksgebied, met heel andere eisen aan inhoud en onderbouwing. Vrije speculatie was niet langer mogelijk. De oorsprong van taal raakte daarom als onderzoeksobject in diskrediet en werd zelfs in 1866 verboden door het linguïstische genootschap in Parijs. Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw werd een aantal pogingen gedaan om de kwestie weer vlot te trekken door onderzoekers als Eric Lenneberg (1921-1975) en Derek Bickerton (1926-2018). Desondanks kwam het onderzoek naar de oorsprong van taal pas vanaf de jaren negentig weer echt op gang.”

Johannson bespreekt alle mogelijke facetten van ons meest direct communicatiemiddel, dat we kennen als taal. Hij zag daarbij geen enkele taalkundige discipline over het hoofd, zowel linguïstisch als semantisch, gebarentaal en computertaal, linguïstische antropologie, begrippen, evolutie en erfelijkheid, spraakklanken en de vorm van de eerste woorden, evolutie en opbouw van grammatica, omgeving, verscheidenheid, tot zelfs taal bij dieren en robots. Niet te missen. Een meesterwerk!

De Zweedse natuurkundige en linguïst, Sverker Johansson (°1961) uit Lund, heeft onderzoek gedaan voor Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN) in het kanton Genève, en voor Evolution of Language international Conferences (EVOLANG), een toonaangevende internationale onderzoeksgroep op het gebeid van de oorsprong en evolutie van taal. “På spaning efter språkets ursprung” werd in het Nederlands vertaald door Lucy Pijttersen en Marit Kramer.

Sverker Johansson De oorsprong van taal, Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten 416 bladz. uitg. J.M. Meulenhoff 9789029094030