Pauline Broekema en Han Steenbruggen, “Contre l’Oubli” en “Tekenares van Montparnasse, Het eigenzinnige kunstenaarsleven van Edith Auerbach”, een bijzondere tentoonstelling in Museum Belvédère en 2 bijzondere uitgaven van Arbeiderspers en Noordboek. Niet te missen!

Op een vlooienmarkt in Parijs ontdekte een Nederlandse kunsthandelaar een fascinerend schilderij. Het wees hem de weg naar de nalatenschap van de Joodse Edith Auerbach (1899-1994), die zich in 1926 in de kunstenaarswereld van Parijs vestigde.

Edith Auerbach was een Duitse schilderes, geboren in Keulen, in een rijke joodse familie. Ze studeerde kunstgeschiedenis en specialiseerde zich in de schildertechnieken van de oude meesters. In 1926 verhuisde ze naar Parijs. Edith Auerbach nam in Parijs deel aan groepstentoonstellingen in de Salon des Tuileries en de Salon d’Automne, en in 1937 nam ze deel aan de revolutionaire tentoonstelling, ‘Femme Artistes d’Europe’. Auerbach woonde en werkte een paar jaar in de Parijse wijk Montparnasse. Gedreven schilderde en tekende ze het leven langs de boulevards en in parken en was ze vaste bezoeker van de befaamde kunstenaarscafés in Montparnasse, waar ze haar schetsboeken vulde met portretten van aanstormende talenten en grote namen. Tijdens het interbellum was Montparnasse het epicentrum van de moderne kunst. Veel geëmigreerde avant-garde kunstenaars, kunstverzamelaars en kunsthandelaren, gaven Montparnasse een uniek, internationaal karakter. Op het Cimetière du Montparnasse kregen later o.a. Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Samuel Beckett, Guy de Maupassant en Serge Gainsbourg hun laatste rustplaats.

De Wereldtentoonstelling van 1889 en het toch al rijk artistiek leven van Montmartre trokken veel kunstenaars uit zeer diverse landen aan die deze populaire wijk meer in het centrum van Parijs kozen om er het centrum van de moderniteit van te maken. Pablo Picasso was één van de eersten. Montparnasse zou zijn hoogtepunt bereiken in de jaren ‘20. Het was toen het hart van het intellectueel en artistiek leven in Parijs, met zijn cafés die deel gingen uitmaken van de moderne kunstgeschiedenis. Montparnasse, een wijk die nog relatief braak lag, bood hen ateliers en logement tegen lage huurprijzen in een omgeving met goedkope cafés die de gezelligheid, emulatie en wederzijdse hulp stimuleerden en vergemakkelijkten.

In deze geglobaliseerde gemeenschap die de School van Parijs zal vormen, werd creativiteit verwelkomd met al zijn eigenaardigheden en provocaties, waarbij elke nieuwe aankomst werd verwelkomd als de belofte van artistieke vernieuwing. Toen Tsuguharu Foujita in 1913 uit Japan arriveerde en hij er nog niemand kende, ontmoette hij Soutine die zijn vriend Pinchus Krémègne uit Litouwen had meegebracht, Modigliani die in de rue Falguière woonde, Pascin en Léger vrijwel dezelfde nacht, en binnen een paar weken was hij bevriend met Juan Gris, Picasso en Matisse. Naast schilderen en beeldhouwen was de fotografie ook aanwezig. Voor hij de rue Campagne-Première oprichtte, had Man Ray er nl. zijn eerste studio in het Hôtel des Écoles, 15, rue Delambre, waar zijn carrière als fotograaf begon, en waar Kiki (Alice Prin), James Joyce, Gertrude Stein, Jean Cocteau en anderen poseerden.

Er was ook Marc Vaux, “de fotograaf van de schilders”, die zich vestigde in het pand van Marie Vassilieff en die op de boulevard, een kantine voor kunstenaars, een kunstgalerie inrichtte, en na de oorlog de krant Montparnasse Carrefour des Arts uitgaf. In 1929 verwelkomde hij de beeldhouwer René Iché die innovatieve bronzen tentoonstelde en zich aansloot bij “Union des artistes modernes”, opgericht door de architect Robert Mallet-Stevens. Marc Vaux organiseerde tentoonstellingen en dreef handel in nieuwe kunstwerken. Hijzelf nam treffende foto’s van ateliers, galerijen, ambachtelijke winkels, caféterrassen, feesten en modellen. Hij verhuurde zijn huis aan Henri Matisse, die zijn klant en vriend werd, en organiseerde één van de edities van La Douce France om de jonge beeldhouwers Jacques Lipchitz, François Pompon, René Iché en Ossip Zadkine te ondersteunen.

De cafés, bars en bistro’s, vooral die op het kruispunt van de boulevards Montparnasse en Raspail, de huidige Place Pablo-Picasso, waren plaatsen waar kunstenaars elkaar ontmoetten en onderhandelen.

Cafés zoals Le Dôme, La Closerie des Lilas, La Rotonde, Le Select en La Coupole accepteerden dat hongerige artiesten de hele avond een tafel konden bezetten voor een prijsje. Als ze in slaap vielen, kregen de obers opdracht hen niet te storen. Argumenten kwamen vaak voor, sommigen waren het gevolg van controverse, anderen van alcohol, en de gewoonte dicteerde dat zelfs toen de confrontatie omsloeg, de politie niet werd gebeld. Als de kunstenaars hun rekening niet konden betalen, accepteerde de eigenaar van La Rotonde, Victor Libion, vaak een schets. Ook de muren van de cafés waren als een soort geïmproviseerde galerijen, behangen met kunstwerken.

Het nachtleven, zoals de hete nachten in de Dingo Bar aan de rue Delambre, was legendarisch. Onder degenen die ‘s nachts deel uitmaakten van Montparnasse, waren de schrijvers Morley Callaghan en Scott Fitzgerald. De rue de la Gaîté was de straat van de theaters en de muziekzaal rond de beroemde Bobino. Daar zongen Damia, Kiki, Mayol en Georgius voor volle zalen. Les Six werden ook vaak in de buurt aangetroffen. Zij creëerden nieuwe muziek op basis van de ideeën van Satie en Jean Cocteau. De dichter Max Jacob zei dat hij naar Montparnasse was gekomen om er “schandelijk te zondigen”.

Marc Chagall vatte het daarentegen eleganter samen, “Ik streefde ernaar om met eigen ogen te zien waar ik van had gehoord ver weg: de revolutie van het oog, de rotatie van kleuren die spontaan en slim samensmelten tot een stroom van ontworpen lijnen. Dit was in mijn stad (Vitebsk) niet te zien. De zon van de kunst scheen toen alleen op Parijs.” In 1910 verhuisde de Chagall naar Parijs. Na anderhalf jaar door te hebben gebracht op kamers in Montparnasse, verhuisde hij naar “La Ruche”, een ateliercomplex aan de rand van de stad waar de kunstenaars woonden. Hij raakte er als jonge twintiger, als een kunstschilder van Joods-Wit-Russische afkomst, bevriend met avant-gardistische dichters en jonge kunstenaars, onder wie Guillaume Apollinaire, Robert Delaunay en Fernand Léger.

In Montparnasse maakte Edith Auerbach meerdere portretten van haar bevriende kunstenaars Rudolf Levy, Moisej Kogan en Tsugouharu Foujita. In deze vooroorlogse portretten zie je de realistische en expressionistische invloed van George Grosz en Felix Nussbaum. Nadat Parijs door de nazi’s was bezet, werd Auerbach gearresteerd en naar een concentratiekamp (In 1940 werd ze vastgezet in concentratiekamp Gurs in de Pyreneeën) gestuurd. In 1943 wist ze echter te ontsnappen. Na de oorlog verhuisde ze terug naar Parijs en veranderde haar naam in Edith Delamare. Haar kunstwerken veranderden ook. Ze visualiseerde haar ervaringen vanuit het concentratiekamp in surrealistische werken.

Wie was deze getalenteerde, dwarse en dappere vrouw? In “Tekenares van Montparnasse”, vertelt Pauline Broekema over haar bewogen leven en over de vele, vele, later heel beroemde kunstenaars met wie ze omging. Een schitterend portret van Montparnasse, een boeiende en vlot lezende biografie.

In Museum Belvédère (foto’s) in Herenveen in de Nederlandse provincie Friesland, is rond Edith Auerbach de bijzondere tentoonstelling “Contre l’Oubli” (‘Tegen het vergeten’) te zien. Bij deze tentoonstelling is een catalogus verschenen over het beeldend werk van Edith Auerbach. Ook deze rijk geïllustreerde uitgave bevat o.a. een uitgebreide inleiding van Pauline Broekema. Pauline Broekema en met name, Han Steenbruggen, schetsen in hun boek/catalogus, het turbulent leven van Edith Auerbach en haar artistieke betekenis. Hun bijdragen worden gevolgd door bijna tweehonderd tekeningen die ze maakte in Montparnasse. Het boek sluit af met een kleine selectie uit de aangrijpende serie schilderijen die Auerbach na de bevrijding maakte onder de titel, “Contre l’Oubli”. In deze reeks gaf ze uitdrukking aan haar persoonlijke, traumatische kampervaringen en aan de verschrikkingen van de holocaust. Warm aanbevolen!

Op maandag 1 juni 2020 (Tweede Pinksterdag) gaat Museum Belvédère weer open voor publiek, vanaf 12.00 uur ‘s middags. Het museum is alleen te bezoeken met een online ticket, dat vooraf gereserveerd kan worden. Het is niet mogelijk om telefonisch kaarten te bestellen.

                                               info@museumbelvedere.nl

Pauline Broekema (°1954) is een Nederlandse journaliste en schrijfster uit Groningen. Ze koos voor journalistiek en begon bij de Meppeler Courant. Ze werkte daarna bij het Noordhollands Dagblad in Hoorn, bij Hier en Nu-radio, de actualiteitenrubriek van de NCRV, en als redacteur-verslaggever bij het NOS Nieuws.

Han Steenbruggen (°1960) is sinds 2008 directeur-conservator van Museum Belvédère. Daarvoor was hij als conservator verbonden aan het Groninger Museum. Steenbruggen studeerde Nederlands en Kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en promoveerde in 2007 aan de Universiteit van Amsterdam over een onderzoek naar Wobbe Alkema (1900-1984) en het constructivisme.

Contre l’Oubli – Tegen het Vergeten Edith Auerbach 255 bladz. geïllustreerd Museum uitg. Belvédère/Noordboek ISBN 978 90 5615 638 1

Pauline Broekema, Tekenares van Montparnasse, Het eigenzinnige kunstenaarsleven van Edith Auerbach 192 bladz. Uitg. De Arbeiderspers ISBN 9789029541633

http://www.stretto.be/2017/10/20/mark-schaevers-over-felix-nussbaum-orgelman/