“César Franck, Psyché, Le Chasseur maudit en Les Éolides”, door het Royal Scottish National Orchestra o.l.v. Jean-Luc Tingaud, op het label Naxos. Niet uitstellen!

De composities van César Franck kregen tijdens zijn leven weinig aandacht, tot het succes in 1882 van “Le Chasseur maudit”, zijn symfonische verklanking van een dramatische jacht en het gruwelijk lot van een vervloekte jager.

Hoewel de meeste van zijn werken ten tijde van hun compositie weinig aandacht kregen, had César Franck succes met zijn orkestraal meesterwerk, “Le Chasseur maudit”. Gecomponeerd in oktober 1882 en uitgevoerd op een concert van de Société nationale de musique, in maart van het volgend jaar, behoort dit symfonisch verhaal vandaag tot zijn populairste en meest uitgevoerde werken. Het was geïnspireerd door de ballade, “Der wilde Jäger” van de Duitse dichter, Gottfried August Bürger (1747-1794).

“Der Wild- und Rheingraf stieß ins Horn:

“Hallo, Hallo zu Fuß und Roß!”

Sein Hengst erhob sich wiehernd vorn;

Laut rasselnd stürzt’ ihm nach der Troß;

Laut klifft’ und klafft’ es, frei vom Koppel,

Durch Korn und Dorn, durch Heid’ und Stoppel.”

Bürger is voornamelijk bekend geworden als de vertaler in het Duits van “Baron Munchausen’s narrative of his marvellous travels and campaigns in Russia”, over Karl Friedrich Hieronymus Baron von Münchhausen (1720-1797) (foto), een Duitse edelman die in het Russisch leger diende in de strijd tegen de Turken uit 1785. “Baron Munchausen’s narrative of his marvellous travels and campaigns in Russia”, was geschreven door de wegens diefstal van edelstenen uit de verzameling van de landgraaf van Hessen-Kassel, naar Engeland gevluchte, Duitse schrijver, geoloog, kunsthistoricus en avonturier, Rudolf Erich Raspe (1736-1794). Omgekeerd, vertaalde Walter Scott de balladen van Bürger in het Engels.

Op een zondagochtend, zo gaat het verhaal, terwijl kerkklokken de gelovigen oproepen om te bidden, verwerpt de graaf het verbod op jagen tijdens de sabbat, en trekt er uitdagend op uit op zijn paard. Hij vertrapt de gewassen en slaat met zijn zweep op de boeren die zijn weg belemmeren. Na een tijdje stopt en steigert zijn paard plotseling en roept een strenge stem, ‘Vervloekte jager, word eeuwig achtervolgd door de hel!’ De graaf probeert te vluchten, maar de vlammen omringen hem. Er verschijnen demonen, die hem het ene moment opjagen en het andere moment vrolijk zijn pad blokkeren. De wilde rit gaat door, en zelfs als paard en ruiter in een afgrond vallen, is er nog geen rust. Ze worden door de lucht gedragen als een niet aflatende straf, en zijn ze gedoemd om eeuwig door te rijden voor het lasteren van de dag des Heren.

Het symfonisch gedicht van Franck bestaat uit vier, duidelijk gedefinieerde secties, die openen met het vredig, zonnig landschap, uitgebeeld door een dialoog tussen een kwartet van hoorns die het jachtkarakter van het werk weergeven, en de celli, die een reflectief motief presenteren, onderbroken door (kerk) klokken. Daarop volgt de jacht, opnieuw gespeeld door de hoorns, die een meer ritmischer en meer ontwikkelde versie van hun oorspronkelijk motief introduceren. Het derde deel verklankt de aankondiging van de vloek en het stoppen van het paard, en dit leidt naar het laatste deel, de achtervolging door demonen, en de terugkeer van de kerkklokken. Franck voltooide “Le Chasseur maudit” in oktober 1882. De première was in maart 1883 in de Salle Érard, tijdens een concert van de Société Nationale de Musique onder leiding van Édouard Colonne. Tijdens hetzelfde concert werd ook het symfonisch gedicht, “Viviane” van Francks leerling, Ernest Chausson, in première gespeeld.

De Wagneriaanse invloed verspreidde zich over veel van de orkestpartituren van Franck, waaronder “Les Éolides”, voltooid in september 1875 en twee jaar later in première gespeeld. Net als bij “Le Chasseur maudit” was de stimulans voor dit symfonisch gedicht literair. Dit keer was het een gedicht van Charles Marie René Leconte de Lisle (1818-1894) over de 5 dochters van Aeolus, de God van de 4 Winden, Boreas de noordenwind, Notos de zuidenwind, Euros de oostenwind en Zephyrus de westenwind.

Francks verklanking was een levendige weergave van deze mythologische vrouwen, die met hun gezang de natuur weer tot leven wekten. Hij behield de oriëntatie van het gegeven door in de partituur regels uit Leconte de Lisle’s gedicht bij bepaalde episoden van de muziek te schrijven, en het is wellicht daarom en ook vanwege de aard van de muziek zelf, dat “Les Éolides” als een ‘Impressionistisch’ werk werd bestempeld, ook al bevatte het een heel andere klankwereld dan deze van Debussy. De orkestratie is bijvoorbeeld veel spaarzamer dan veel van Debussy’s partituren, en het situeert zich stilistisch met zijn lichtvoetige, sprookjesachtige strijkers en speelse houtblazers, meer in de lijn van de sprookjesmuziek van Mendelssohn. Daarnaast verschijnt vanaf het begin, de sensuele schaduw van Wagners “Tristan und Isolde”. Er is een gelijkaardig, stijgend chromatisch motief van vier tonen dat domineert, naast een algemene terughoudendheid voor het harmonisch oplossen van dissonanten, die de wervelende windvlagen uitbeelden, die oplossen in de lucht.

De orkestrale kleuren van “Les Éolides” en een deel van het muzikaal materiaal vonden hun weg naar “Psyché”, Francks laatste symfonische gedicht. Gecomponeerd meer dan een decennium later, voltooid in de zomer van 1887, was “Psyché” met een groot orkest en koor, weliswaar veel grootschaliger, niet alleen in duur, maar ook in kracht. Franck droeg zijn “Psyché” op aan zijn meest fervente volgeling, Vincent d’Indy (1851-1931), die beweerde dat het werk geen vleselijke passie had. Vincent d’Indy betoogde, mogelijks uit schaamte over de aard van de muziek, dat de openingssectie, een etherische dialoog was tussen de ziel en een serafijn die uit de hemel is neergedaald om haar te onderwijzen in de eeuwige waarheden, zoals bedacht in Thomas à Kempis’ handboek voor geestelijk leven, “De navolging van Christus”.

Deze kuise interpretatie had perfect plausibel kunnen zijn, ware het niet dat de muziek doordrenkt is met een weelderige, sensuele schriftuur. Franck zelf voelde zich trouwens later als vrome katholiek, ook ongemakkelijk bij het werk. Hij beweerde dat hij de voorkeur gaf aan zijn eerder gecomponeerd oratorium, “Les Béatitudes” uit 1869-1879, op een “Méditation poétique” over de 8 zaligheden of zaligsprekingen van de Franse schrijfster, Joséphine Colomb (1833-1892), omdat deze naar eigen zeggen, “geen enkele sensuele noot bevatte”.

De legende van Psyché en Eros heeft duidelijk gelijkenis met de Orpheus-mythe in die zin dat het ook Psyché verboden is om naar het gezicht van Eros te kijken, maar ook zij onvermijdelijk dit bevel schendt. Psyché komt aan in Hades, waar ze in een diepe slaap valt. Tijdens deze sluimer begint Francks symfonisch gedicht. Het eerste deel roept een donkere, bedwelmende sfeer op. Psyché droomt van haar geliefde Eros en over de gelukzaligheid waar ze naar verlangt. Deze letterlijk erotische mijmering wordt weergegeven door een melodie in de soloklarinet, ondersteund door zacht wiegende strijkers, wat één van de belangrijkste motieven van het werk vormt. Deze dromerige passage in zachte, sonore pasteltinten, wordt gevolgd door een kort scherzo dat het ontwaken van Psyché door Zéphyr markeert, uitgebeeld door speelse fluiten, dansend rond het kenmerkend, stijgend chromatisch motief uit het begin van Francks “Les Éolides” uit 1876.

Deel II markeert de reis naar het paleis en de tuin van Eros, waar het koor in Psyché’s oor, mooie woorden over de kracht van de liefde influistert. Franck herinnert aan motieven uit het eerste deel om de connectie met Eros te laten horen, wiens droom nu werkelijkheid is geworden. Het koor vervult zijn rol zoals in een Griekse tragedie, als wijze adviseur, en waarschuwt Psyché om hem niet aan te kijken, terwijl de gepassioneerde orkestmuziek die volgt, hun vereniging verklankt. In het derde deel klaagt het koor dat ze geen acht heeft geslagen op hun waarschuwing. Een treurige hobo leidt tot de apotheose, maar de oorspronkelijke mythe krijgt een gelukkig einde. Psyché krijgt nl. gratie en op de klanken van het koor en de hemelse harp, stijgen de geliefden in elkaars armen op naar de Olympus. Subliem. Warm aanbevolen!

Jean-Luc Tingaud (°1969) studeerde bij de Franse componist en dirigent, Manuel Rosenthal. Bekende opera opvoeringen van hem waren onder meer “Pénélope” en “Le Roi malgré lui” (Wexford Festival Opera), “Roméo et Juliette” (Arena di Verona), “La Damnation de Faust” (Reims), “Pelléas et Mélisande” en “Carmen” (Toulon), “Faust” (Macerata), “The Turn of the Screw” (Lille), “Dialogues des Carmélites”, “La Bohème” en “Madama Butterfly”(Pittsburgh), “La Fille du régiment” (Madrid), “The Pearl Fishers”/Pêcheurs de perles (English National Opera), Spontini’s “Fernand Cortez” (Florence) en Donizetti’s “L’Ange de Nisida” (Donizetti Opera Festival, Bergamo).

Daarnaast dirigeerde hij onder meer het Royal Philharmonic Orchestra, het English Chamber Orchestra, het Ulster Orchestra, het Bournemouth Symphony Orchestra, de Filarmonica Arturo Toscanini, de orkesten van het Teatro Carlo Felice, Genua en het Teatro Massimo, Palermo, Warschau en Kraków Philharmonics, het Orchestre National des Pays de la Loire, het Orchestre National de Lyon, het Orchestre National de Lorraine en het Tokyo Philharmonic Orchestra. Zijn opnames omvatten “Sapho” (Wexford), “Werther” (Martina Franca), “La Voix humaine” (Compiègne) en “Le Siège de Corinthe” (Bad Wildbad) en, recentelijk voor Naxos, werken van Dukas (8.573296), Bizet (8.573344), d’Indy (8.573522) en Poulenc (8.573739).

César Franck Le Chasseur maudit Psyché Les Éolides RCS Voices Royal Scottish National Orchestra Jean-Luc Tingaud cd Naxos 8.573955

http://www.stretto.be/2017/05/20/au-debut-etait-cesar-franck/

http://www.stretto.be/2019/11/07/redemption-van-cesar-franck-door-eve-maud-hubeaux-het-vlaams-radio-koor-en-het-orchestre-philharmonique-royal-de-liege-o-l-v-herve-niquet-op-het-label-musique-en-wallonie/