“Hans Rott, Orchestral Works Vol. 1”, door het Gürzenich Orchester Köln o.l.v. Christopher Ward, op het label Capriccio. Een belangrijke (her)ontdekking!

Hans Rott (1858-1884) was voor de meeste mensen van zijn tijd onbekend en voor veel critici alleen bekend bij naam. Ook vandaag nog is de muziek van Hans Rott helaas nog onbekend. In zijn tijd werd hij nochtans gewaardeerd door niemand minder dan Anton Bruckner en Gustav Mahler. Alleen zijn tragisch vroeg overlijden belette hem een vaste positie in het repertoire te verwerven. Met deze opname van zijn orkestwerken, waarvan sommige gereconstrueerd, heeft Capriccio geprobeerd die leemte in te vullen en zijn fascinerend, muzikaal nalatenschap voor het nageslacht te behouden. Hans Rott (foto) werd geboren in Braunhirschen, een voorstad van Wenen, als de buitenechtelijke zoon van de acteur Karl Mathias Rott (zijn echte naam was Roth) en de toen 18-jarige zangeres (Lokalsängerin) en actrice, Maria Rosalia Lutz. In 1860 beviel Maria Rosalia Lutz van een tweede zoon, Carl Borromäus. Dit keer was de vader, aartshertog Wilhelm Franz Karl von Habsburg-Lothringen (foto), de kleinzoon van keizer Leopold II.

Karl Mathias Rott (1807-1876) (foto) was een Oostenrijkse zanger, cellist, componist, toneelspeler en komiek. Reeds op tienjarige leeftijd werd hij organist in de Kerk van de Geboorte van Maria en twee jaar later kwam hij naar het Hoftheater als koorknaap en kind acteur, waar hij tot 1824 lid van was. Dat jaar werd hij cellist in het orkest van het theater in Bratislava. In 1827 ging hij met regisseur Stöger naar Graz, waar hij de muziek schreef voor Johann Nestroy’s “Die Verbannung aus dem Kaiserreiche”. Nestroy moedigde hem aan tot acteren en zijn acteercarrière begon in 1832, in het Josephstädter Theater. In 1836 ging hij naar Pest, waar hij een reputatie verwierf in de rollen van de toneelstukken van Ferdinand Raimund. In 1862 trouwde hij met de sopraan en actrice Maria Rosalia Lutz, met wie hij toen al een onwettige zoon had, Hans Rott. Het groot aantal rollen, o.a. in toneelstukken van Ludwig Anzengruber, dat Karl Rott typisch wist vorm te geven, en zijn humor en de veelzijdigheid van zijn vertolkingen, maakten hem tot de lieveling van het Weens publiek.

In 1874 werd Hans Rott toegelaten aan het conservatorium in Wenen. Tot 1878 studeerde hij er piano bij Leopold Landskron, orgel bij Anton Bruckner, harmonie bij Hermann Grädener, en compositie bij Franz Krenn (foto). Zijn medestudenten compositie waren o.a. Mathilde Kralik von Meyrswalden, Gustav Mahler, Rudolf Krzyzanowski, Rudolf Pichler en Ernst Ludwig. Krenn was later ook de leraar van Alexander on Zemlinsky en Leoš Janáček. Rott beëindigde zijn studie compositie echter zonder diploma. Van 1876 tot 1878 was hij organist aan de Piaristenkerk “Maria Treu” in Wenen en kreeg onderdak in het Piaristenklooster. Dit werd een ontmoetingsplaats voor veel medestudenten en vrienden, onder wie Rudolf Krzyzanowski, Gustav Mahler, Hugo Wolf, de archeoloog Friedrich Löwy en de filoloog, Joseph Seemüller. De jonge Mahler (foto) was later tussen 1884 en 1888, bij het componeren van zijn geniale, eerste symfonie, “Titan”, sterk beïnvloed door  de symfonie in E, (pas herontdekt in 1989),  van Hans Rott. De Symfonie in E, die Mahler in première wou dirigeren, en die net als Rotts andere werken, sinds 1950, in de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek wordt bewaard, werd pas in de jaren ‘80 van de 20ste eeuw gepubliceerd, in een reconstructie van Paul Banks, en ging pas in 1989, door het Cincinnati Philharmonia Orchestra in Cincinnati, Ohio, in de VS, in première. Het is een werk dat anticipeert op elementen van Gustav Mahler en sterk doet denken aan Bruckners organische orkestratie. De compositie werd tegelijk met de eerste versie van Mahlers cantate, “Das klagende Lied”, en negen jaar voor de première van Mahlers eerste symfonie, gecomponeerd. Omdat Mahler Rotts klasgenoot was in de compositieklas van Krenn, kende en waardeerde Mahler het werk van Rott, en bracht hij het volgens Natalie Bauer-Lechner (“Erinnerungen an Gustav Mahler”), bewust en met waardering, stilistisch in verband met zijn eigen werk. Toen Rott in september 1880 zijn (tweede) Symfonie in E, na de symfonie in As uit 1874, aan een commissie presenteerde, die zou beslissen of Rott de staatsbeurs zou krijgen waarvoor hij zich had aangemeld, werd hij door alle leden van de jury, onder wie Brahms, Karl Goldmark en Eduard Hanslick, afgewezen. Brahms deelde hem zelfs mee, dat hij geen talent had en dat hij de muziek beter zou opgeven…Er was in Oostenrijk geen toekomst voor Rott en daarom week hij uit naar Mülhausen (Mulhouse) in de Elzas, dat van 1871 tot 1918, tot het Duits Keizerrijk behoorde. Daar kreeg hij de leiding van het koor, “Concordia”. Tijdens de treinreis in oktober 1880 naar zijn nieuwe werkkring, sloeg de reeds sluimerende waanzin echter toe. Hij richtte een pistool op een medereiziger om hem te verhinderen een sigaar aan te steken, omdat Brahms de wagon volgestopt zou hebben met dynamiet. Hierop werd Rott opgenomen in de psychiatrische kliniek van het ziekenhuis in Wenen en enkele maanden later overgebracht naar het provinciaal krankzinnigengesticht van Neder-Oostenrijk. De diagnose was hallucinatoire- en vervolgingswaanzin.Rott bleef desondanks componeren. Later werd hij echter het slachtoffer van een diepe depressie en vernietigde hij enkele van zijn composities. Na verschillende zelfmoordpogingen overleed hij uiteindelijk aan tuberculose op in juni 1884, nog geen 26 jaar oud…Hugo Wolf noemde Brahms, de moordenaar van Hans Rott! Van Hans Rott zijn ca. 90 werken bekend die gecatalogiseerd werden door de musicoloog, presentator en auteur, Paul W. Banks (foto), en Leopold Nowak (1904-1991) (foto), bekend van de editie door de “Internationale Bruckner-Gesellschaft”, van de werken van Anton Bruckner.Hoewel Rott enerzijds duidelijk beïnvloed was door zijn leermeester Anton Bruckner en anderzijds door de muziek van Richard Wagner, slaagde hij erin om muziek te creëren die heel persoonlijk was en waarvan een deel zijn tijd  ver vooruit was. Zo onthullen vooral het eerste deel van de Pastorale Prelude impressionistische tendensen, jaren eerder dan Debussy en Ravel, en klinkt de dubbelfuga van de Pastorale Prelude daarenboven als een anticipatie op de muziek van Max Reger.Op de cd staan Hamlet Ouverture a-Moll, Nowak 39 (1876), Suite in E, Nowak 33 (1878), “Ein Vorspiel” (Prelude) tot “Julius Caesar” in B-Flat Major, Nowak 40 (1877), Orchestervorspiel in E-Dur, Nowak 32 (1876), Suite für Orchester in B-Dur, Nowak 34 (II. Scherzo en IV. Finale. Sehr schnell) (1877), en Pastorales Vorspiel für Orchester in F-Dur Nowak 41 (1877-1880).

Christopher Ward (°1980) (foto) studeerde aan Oxford University (musicologie) en de Guildhall School of Music and Drama, Londen (directie en piano). Gedurende deze tijd werkte hij met het Oxford University Philharmonia and Chorus, het Oxford Bach Choir, de New Chamber Opera en “The Arcadian Singers”. In 2003 ontving Ward de positie van Répétiteur Fellow bij de Scottish Opera en de Royal Scottish Academy for Music & Drama, Glasgow, in samenwerking met Sir Richard Armstrong, Richard Farnes en Timothy Dean. In 2004 werkte Ward een periode bij de Internationale Opernstudio van de opera in Zürich. Christopher Ward verhuisde in 2005 naar Duitsland om als dirigent van het  Staatstheater Kassel te werken. Gedurende deze tijd dirigeerde hij ook het Staatsorchester Kassel in een reeks concerten en regisseerde hij het jaarlijks jeugdorkestproject (TJO) van het theater. In 2006 assisteerde Ward, Sir Simon Rattle en de Berliner Philharmoniker, in een productie van Wagners “Das Rheingold” op het muziekfestival van Aix-en-Provence. Van 2009 tot 2013 was Christopher Ward assistent van Kent Nagano aan de Bayerische Staatsoper, en in 2014 werd hij dirigent aan het Saarländisches Staatstheater.  Hans Rott Orchestral Works – Vol. 1 Gürzenich Orchester Köln Christopher Ward cd Capriccio C5408