“Music from Proust’s Salons”, door Steven Isserlis, cello en Connie Shih, piano, op het label BIS, en “Proust, Le Concert Retrouvé”, door Tanguy de Williencourt, piano, en Theotime Langlois de Swart, viool, op het label harmonia mundi. Magnifiek!

Met deze twee magnifiek programma’s nemen de vier musici u mee naar een concert in het Ritz hotel en naar de salons van Marcel Prousts “À la recherche du temps perdu”. Voor de componisten uit die tijd vormden die salons een perfect platform voor de introductie van nieuw werk, uitgevoerd door de beste musici, voor een sympathiek, mooi, goed opgeleid en rijk publiek.
Voor de muziekminnende Marcel Proust boden ze talloze mogelijkheden om de componisten te ontmoeten die hij zo bewonderde. De eerste die zijn opwachting maakt in het programma is Prousts levenslange vriend, Reynaldo Hahn, met een korte reeks Variations chantantes op een thema uit een barokopera. Hij wordt gevolgd door Gabriel Faure, over wiens muziek Proust in een brief aan de componist schreef: “Ik zou er een boek van meer dan 300 pagina’s over kunnen schrijven”. Proust was minder uitgebreid over de muziek van Saint-Saëns, ook al bewonderde hij hem als pianist. De eerste Cellosonate van Saint-Saëns staat centraal in het programma, voor Henri Duparc en Augusta Holmes/Isserlis hun opwachting maken. Duparc en Holmes waren allebei leerlingen van Cesar Franck, wiens iconische Vioolsonate in A majeur (hier in de versie voor cello), dit programma van ‘salonmuziek’, in de best mogelijke betekenis van het woord, afsluit.Marcel Proust hield hartstochtelijk veel van muziek. Als jonge man bezocht hij concerten en de opera. Daarnaast boden de salons van dames uit de hoge Parijse kringen (o.a. Madame Arman de Caillavet, Madeleine Lemaire, de gravin Greffulhe (foto)), plaats voor concerten en een manier om componisten en uitvoerders te ontmoeten. Op deze plaatsen van gezelligheid kwam Proust om inspiratie op te doen. Daar hoorde hij niet alleen de muziek van zijn tijd, maar ook werken uit het verleden. Tijdens de ‘Belle Époque’ vermenigvuldigen muzikale salons zich. In dat van de prins van Polignac speelden Gabriel Fauré en Maurice Ravel, Proust ontdekt er de Sonate voor viool en piano van César Franck (1886). In 1894 ontmoette hij er Reynaldo Hahn (foto’s), een eclectische componist en verlichte muziekcriticus, die hem in contact bracht met de wereld van Ballets Russes. De twee mannen zijn niet alleen twee jaar lang geliefden geweest, maar hebben hun hele leven een esthetische en intellectuele relatie onderhouden die rijk was aan uitwisselingen en confrontaties.Als jongeman hield Proust van Johann Sebastian Bach en vooral van Ludwig van Beethoven, aan wie hij zijn hele leven gehecht bleef. Hij trok nl. een parallel tussen de geniale, dove musicus die bleef componeren en hijzelf, die ernstig astmatisch is, maar die toch schreef, ondanks de aanvallen die hem in bed hielden. Uit zijn correspondentie weten we dat hij vooral van Christoph Willibald Gluck, Schumann, Massenet, Saint-Saëns en Richard Wagner hield. Hij speelde piano en had daardoor een diepgaande kennis van muziek.Proust hield ook van de verontrustende mijmering van Beethovens Kwartet nr. 12 (1824). Door zijn ziekte kon hij zijn huis niet verlaten en hij verwierf een trendy theatrofoon, een telefoonverbinding, waarmee kon worden meegeluisterd met toneelvoorstellingen, concerten en opera’s. in zijn woonkamer. Zo ontdekte hij het lyrisch repertoire, in het bijzonder “Pelléas et Mélisande”, dat Debussy in 1902 voltooide. In de afgelopen jaren keerde Proust, trouw aan zijn jeugdige passie, terug naar Gabriel Fauré’s Cantique de Jean Racine (1865) en vooral het Strijkkwartet (1924) dat hij speelde in zijn Parijs appartement. Een van zijn laatste brieven vermeldt de finale van Beethovens Kwartet nr. 15 (1825), waarin hij de zo krachtige menselijke tederheid voelde.Voor Proust was muziek een onuitputtelijke bron van sensaties en emoties. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij een essentiële plaats innam in zijn werk, aangezien hij vooral gehecht was aan het vertalen van het innerlijk leven van zijn personages. Proust was bovendien geïnteresseerd in alle vocale manifestaties van een eclectisch repertoire dat wetenschappelijke werken (seculier en religieus) en populaire muziek combineerde. Hij luisterde ook naar de gesproken stem en liet ons zijn personages horen, van wie vocale kenmerken hun persoonlijkheid weerspiegelden.Voor Proust was een muzikaal thema echt een idee dat de componist uitdrukte en dat toegang gaf tot een universum dat alle rationele gedachten te boven ging. De muziek wekte, vooral in het personage van Swann, een hele wereld van emoties en begraven gedachten op. Het was een kans om een verleden volledig te herbeleven, om verloren tijd te herbeleven. Muziek speelde dus een rol die analoog was aan die van de andere grote zintuiglijke ervaringen uit La Recherche, deze van het beroemd Madeleintje.Tussen “de kleine frase” van “de witte Sonate” van Vinteuil en de ontvouwing van Swanns liefde voor Odette, ontstaat een geheime correspondentie, en de fasen van Marcels liefde voor Albertine worden begeleid door “het septet van dezelfde Vinteuil. Bij Proust was Vinteuil een fictieve componist. Zijn Septet wordt genoemd aan het einde van La Prisonnière, het onderbrak de mijmering van de verteller als hij zijn relatie met Albertine in twijfel trok. De Sonate belichaamde ook Swanns gepassioneerde relatie met Odette. Het werd voor het eerst aan Swann onthuld in het eerste deel van La Recherche, als het onderwerp van een lange beschrijving met een poëtische kwaliteit, rijkdom aan beelden en een bijna muzikaal karakter.Maar hoewel Proust uitvoerig het karakter en de effecten van de “kleine frase” in Vinteuils Sonate beschreef, zegt hij niet genoeg om met zekerheid een werk of een auteur te identificeren aan wie het toebehoorde. Het blijft daarom een van de grootste Proustiaanse mysteries. Er zijn echter enkele aanwijzingen. Wanneer hij Du Côté de chez Swann opdraagt aan de schrijver Jacques de Lacretelle, vertrouwt Proust hem toe dat verschillende stukken deze Sonate hebben geïnspireerd. Hij noemt in het bijzonder de Sonate n° 1 voor viool en piano van Saint-Saëns (1885), de Betovering van Goede Vrijdag in Wagners Parsifal (1882), maar ook een Ballade van Fauré (1879) en Francks Sonate voor viool en piano (1886). De Wagneriaanse accenten van Vinteuils Sonate worden bevestigd door een passage in “La Prisonnière”, waarin de verteller, gebruikmakend van Albertine’s afwezigheid om op de piano te spelen, wordt getroffen door de gelijkenis tussen een maat uit de Sonate en een passage uit “Tristan und Isolde” (1865). Niet te missen.Tracklist:

Duparc: Cello Sonata in A minor

Fauré: Élégie in C minor, Op. 24

Fauré: Romance in A major for cello & piano, Op. 69Franck: Violin Sonata in A major

Hahn: Variations chantantes sur un air ancien

Isserlis: Récitatif et chant (After Holmès’s ‘La vision de la reine’)

Saint-Saëns: Cello Sonata No. 1 in C minor Op. 32Op 1 juli 1907 nodigde Marcel Proust een paar van zijn vrienden uit voor een privéconcert dat hij organiseerde in het Ritz Hotel. In een brief die hij twee dagen later schreef aan de componist Reynaldo Hahn, beschreef de presentator de eclectische aard van het programma. Componisten van zijn tijd stonden zij aan zij met meesters uit het verleden, Fauré, Wagner, Schumann, Chopin en Couperin. Théotime Langlois De Swarte en Tanguy De Williencourt brengen op hun beurt de intimiteit van de Parijse Fin-De-Siècle-salons opnieuw tot leven en brengen ons naar het vruchtbaar muzikaal universum dat werd opgeroepen in de pagina’s van Prousts romans.Niet te missen.Théotime Langlois de Swarte studeerde aan het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse in Parijs (CNSMDP) bij Michaël Hentz, met wie hij de grote werken van het romantisch repertoire in viool en kamermuziek ontdekte met steun van de Meyer en Tarrazi Foundations. Hij kreeg daar ook het advies van gerenommeerde docenten zoals Vladimir Mendelssohn, Valérie Aimard, Claire Désert, Michel Michalakakos en het Ébène Quartet, en werd uitgenodigd om als solist op te treden met het Laureaten Orkest van het conservatorium in het Seine Musicale Auditorium o.l.v. Georges Pelhivanian. Théotime Langlois de Swarte is laureaat van de Jumpstart Foundation en bespeelt een viool uit 1665 van Jacob Stainer.Na zijn studie piano, kamermuziek, begeleiding en begeleiding aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, kreeg Tanguy de Williencourt (foto) de steun van zowel Blüthner als de Fondation Banque Populaire, en won in 2016, prijzen van de Société des Arts de Genève, ADAMI (Klassieke openbaring), SPEDIDAM en werd hij bekroond met een prijs op de gezamenlijke Play-Direct-wedstrijd van de Philharmonie de Paris/Orchestre de Chambre de Paris. Parallel hieraan had hij het voorrecht om nauw samen te werken met Maria João Pires, Christoph Eschenbach, Stephen Kovacevich en Paul Badura-Skoda.Music from Proust’s Salons Steven Isserlis, cello, Connie Shih, piano cd BIS2522

Proust Le Concert Retrouvé Tanguy de Williencourt (piano), Theotime Langlois de Swart (violin) cd Harmonia Mundi HMM902508

http://www.stretto.be/2018/10/01/chopin-en-schubert-door-cellist-steven-isserlis-en-de-hongaarse-pianist-denes-varjon-op-het-label-hyperion-hemels/