


In ‘Het experiment van broeder Juniper’ onderzoekt theoloog Gijsbert van den Brink op een indrukwekkende wijze, vanuit diverse invalshoeken, de relatie tussen geloof en wetenschap en weerlegt d.m.v. nieuwe inzichten, het idee dat ze elkaar uitsluiten. Hij meent te kunnen aantonen dat beide wel degelijk samengaan en biedt verheldering bij vragen rond geloof en wetenschap.



De naam ‘broeder Juniper’ verwijst naar de wereld van het christelijk geloof, waarin men elkaar aanspreekt als broeders en zusters. De opvallende titel van het boek is afkomstig uit de roman “The Bridge of San Luis Rey” uit 1927 (Pulitzer Prize, 1928) van de Amerikaanse schrijver Thornton Wilder (1897-1975) (foto), rond de 18de-eeuwse, “broeder Juniper” die wilde aantonen dat theologie niet onderdeed voor de overige wetenschappen. Hij deed dit n.a.v. het ineenstorten van de eeuwenoude, door de inca’s aangelegde hangbrug (“The Bridge of San Luis Rey”) over de Apurímac Rivier (foto) in Peru. Deze ramp kostte het leven aan vijf mensen die op dat moment “toevallig” over de brug liepen. Nadat Broeder Juniper getuige was geweest van de instorting van de brug, vroeg hij zich nl. af waarom deze vijf mensen zo’n ramp was overkomen en kwam tot de theologische vraag of dit toevallig was of een opzettelijke daad van God.


Waarom gebeurde dit juist met deze vijf? Indien er ook maar enig geheimzinnig verborgen systeem in het heelal bestond, indien er ook maar enige lijn in een mensenleven bestond, dan zou deze zeker ontdekt kunnen worden in deze levens, die zo plotseling afgesneden waren. Of wij leven door een toeval en sterven door een toeval, òf wij leven volgens een plan en sterven volgens een plan, dat men bijna het bestaan van een of andere voorbeschikking zou vermoeden. Broeder Juniper besloot als “experiment”, een onderzoek in te stellen naar het innerlijk leven van deze vijf personen en de reden van hun heengaan op te sporen. Hij klopte bij elke deur in Lima aan om meer te weten te komen over de levens, voorafgaand aan de instorting van die 5 mensen, en hoe ze met elkaar verbonden waren.


Deze Spaanse Franciscaan, Fray Junípero Serra (1713-1784) (foto), geboren als Miquel Josep Serra i Ferrer, nam toen hij toetrad tot de orde, zijn religieuze naam aan ter ere van een broeder uit de 13de eeuw. Broeder Juniper (“Fra Ginepro”) (?-1258) (foto), was nl. een van de eerste volgelingen van Franciscus van Assisi. In 1210 werd hij door Franciscus zelf opgenomen in de Orde van de Minderbroeders, die hem naar Gualdo Tadino in Perugia en Viterbo in Lazio stuurde, om er vestigingen voor de Orde van te maken.


Fray Junípero Serra (Broeder Juniper), inquisiteur en “Apostel van Californië”, die tot de Missie San Luis Rey de Francia in San Diego County in Californië behoorde, vestigde tussen San Diego en San Francisco, 8 Spaanse missies en bekeerde meer dan 5000 plaatselijke indianen. In 1988, werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard en in 2015, werd hij door paus Franciscus, tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten, ondanks veroordelingen door inheemse Amerikaanse stammen die Serra beschuldigden van wrede koloniale onderwerping, in de indrukwekkende “Basilica of the National Shrine of the Immaculate Conceptio” (foto’s) in Washington, D.C., heilig verklaard. Miquel Josep Serra i Ferrer werd op 23 september van dat jaar, “San Junípero Serra O.F.M.”


Het boek bestaat uit drie delen, “Geloof en Natuur”, “Schepping en Evolutie” en “Theologie en Wetenschap”, onderverdeeld in 12 hoofdstukken. Elk hoofdstuk eindigt telkens met een conclusie. In het eerste grote deel, onderverdeeld in 4 hoofdstukken, schetst de auteur in het eerste hoofdstuk, “Van conflict tot consonantie”, eerst enkele ‘modellen’ van geloof en wetenschap, het confictmodel, het onahankelijkheidsmodel en het consonantiemodel, van waaruit het denken over consonantie tussen geloof en wetenschap begrepen kan worden. In het daarop volgend historisch hoofdstuk “De Reformatie en het ontstaan van de moderne natuurwetenschap”, bespreekt hij wetenschap als een christelijke onderneming, de lutherse Reformatie, het copernicanisme en de calvinistische Reformatie en de experimentele wetenschap, gevolgd door de trinitarische visie op de natuur en de betekenis van de drie-eenheidsleer voor geloof en wetenschap van drie Britse denkers, de Schotse, protestantse theoloog Thomas F. Torrance (1913-2007) (foto), de fysicus John Polkinghorne (1930-2021) (foto) en de biofysicus en theoloog, Alister McGrath (1953) (foto) (“The Open Secret: A New Vision for Natural Theology”).


De vraag “Is het natuurlijk om in God te geloven?” wordt in het vierde hoofdstuk ingevuld met een beschouwing over religie als een natuurlijk verschijnsel, het duiden van het verband tussen christelijk geloof en natuurlijke religie, en de bezinning en interpretatie door Herman Bavinck (1854-1921) (in “Wijsbegeerte der openbaring”), Karl Barth (1886-1968) (in zijn “Römerbrief”) en Wolfhart Pannenberg (1928-2014) (foto) (in “Systematische theologie”) van Paulus’ Brief aan de Romeinen 1:18-21:
“18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. 21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart.”![]()
In het tweede deel schetst de auteur de geschiedenis van de rooms-katholieke reactie op de evolutietheorie sinds 1860. Na een hoofdstuk over de Nederlandse oud-premier, de jurist, hoogleraar, en diplomaat, Dries van Agt (1931-2024), die intens bezig was met vragen rond de verhouding tussen biologische evolutie en christelijk geloof, volgt een opvallend hoofdstuk over de spanning tussen biologie en theologie bij de vraag of de (menselijke) dood, sterke en zwakke (on)sterfelijkheid in de traditie en geestelijke en lichamelijke dood in de Bijbel, een evolutionaire noodzaak is dan wel een straf voor de zonde?
Met als titel, “Die Heer is en levend maakt: emergentie en het werk van de Geest”, bespreekt Gijsbert van den Brink aan de hand van de inzichten van geloof en wetenschap over de oorsprong van het leven, de fenomenologische emergentie in filosofie en wetenschap, de pneumatologische interpretatie (pneumatologie is de leer van de Heilige Geest) en theologische duiding binnen de gereformeerde theologie, van de evolutionaire geschiedenis en de biologische emergentie, het werk van de Geest in schepping en herschepping. In het laatste hoofdstuk van dit tweede deel, staan “life extension”, de toekomstverwachting van het levensbeschouwelijk, christelijk transhumanisme en cryoconservatie (het invriezen in vloeibaar stikstof van spermacellen, eicellen, embryo’s, weefsels en organen) van Natasha Vita-More (1950), de auteur van het “Transhumanist Manifesto” (1982), en de “Futurist Philosophy” van haar echtgenoot, Max More (1964) (samen op de foto), centraal.


In de 4 hoofdstukken van het derde deel, dat specifiek Theologie en Wetenschap behandelt, schetst de auteur eerst de geschiedenis van de theologie in de Oudheid en als “Regina scientiarum” en praktische discipline in de Middeleeuwen. In navolging daarvan situeert hij de ommekeer bij Kant (afbeelding), die de filosofie van de rede t.o.v. van de theologie als het ware “emancipeerde”, Friedrich Schleiermacher (foto) en de Berlijnse oplossing, en de reformatorische epistemologie en de visie op theologie van de Amerikaanse theoloog en emeritus hoogleraar van Yale-universiteit, Nicholas Wolterstorf (1932) (foto)
Hierna vervolgt Gijsbert van den Brink in zijn volgende hoofdstuk met de vraag of theologie eigenlijk wel, net als de overige wetenschappen, als cognitieve religiewetenschap, verklaringen biedt van bepaalde verschijnselen, hoe die verklaringen zich dan tot andere verklaringen verhouden, en of er daarin net als in die andere disciplines, sprake is van vooruitgang. In het 12de- en laatste hoofdstuk, dat opent met het experiment van broeder Juniper en de sciëntistische kritiek, stelt de auteur dan ook intraparadigmatische en transparadigmatische vooruitgang van de theologie centraal in het kielzog van de natuurwetenschappen. Het handig en praktisch zaken- en namenregister, besluiten dit indrukwekkend erudiet geschreven boek.


Gijsbert van den Brink (1963) is hoogleraar Theologie en Wetenschap aan aan de faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam. In 1988 behaalde Van den Brink een master in de godsdienstwijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht, waar hij in 1993, cum laude promoveerde bij Vincent Brümmer op “Almighty God. A Study of the Doctrine of Divine Omnipotence”. 
Vincent Brümmer (1932-2021) (foto), de zoon van een hoogleraar in de wijsbegeerte en de kleinzoon van een hoogleraar in de theologie aan de Universiteit van Stellenbosch Zuid-Afrika, was decaan van de Utrechtse faculteit der Godgeleerdheid en de grondlegger van de Utrechtse School. De Utrechtse theologen beschouwen theologie als een methodische en systematische doordenking van het geloof in de traditie van de middeleeuwse, reformatorische en contrareformatorische scholastiek, waardoor hun vorm van bezinning op het geloof, getoetst kan worden aan de wetenschappelijkheid er van.
In 1990, werd hij docent filosofie aan de Christelijke Hogeschool Ede en na afronding van zijn promotie werd hij universitair docent godsdienstwijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Groningen (1993-1995) en van 1995 tot 2000, aan de Universiteit Utrecht. Van 1994 tot 2001 was hij tevens hervormd predikant in Lelystad en Bilthoven. In 2001 werd Van den Brink universitair docent systematische theologie (dogmatiek) aan de Rijksuniversiteit Leiden en 5 jaar later werd hij er door de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland, benoemd tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme. In 2007 maakte Van den Brink de overstap naar de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij hoofddocent systematische theologie (dogmatiek) werd, in 2016 gevolgd door zijn benoeming als hoofd van de afdeling “Beliefs & Practices”. Eerder schreef hij “Christelijke dogmatiek: Een inleiding”, “En de aarde bracht voort”, “Oer” (in 2020, genomineerd als Beste Theologisch Boek), en “Luther, aangenaam”.


Gijsbert van den Brink Het experiment van broeder Juniper, Opstellen over geloof en wetenschap 383 bladz. uitg. Kok Boekencentrum ISBN 9789043542456