Hans Dooremalen, Herman de Regt “Metaforen die ons het bos in sturen”, een schitterende uitgave van Noordoek.

Als iets de mens uniek maakt, dan is dat niet zijn denken, maar het gebruik van metaforen. Maar, waarom doet de mens dat eigenlijk en wat levert hem dat op? In hun boek bespreken de wetenschapsfilosofen Herman de Regt en Hans Dooremalen, hoe metaforen werken, hoe we onszelf als mens op een metaforische wijze beschrijven, en wanneer metaforen ons tot last worden. Tot slot waarschuwen ze voor misbruik, want wie in argumentaties en conclusies metaforen gebruikt, zit per definitie… fout.

Een metafoor is een impliciete, onuitgesproken vergelijking tussen twee totaal verschillende zaken. Een vergelijking daarentegen, is een vorm van beeldspraak die expliciet de overeenkomst noemt tussen een bepaald onderwerp en iets anders. Beeldspraak ontstaat uit de mentale (cognitieve) behoefte een nieuw inzicht of gegeven te benoemen vanuit een verband of overeenkomst met het reeds bekende. Bij metaforen bestaat dit verband alleen in de menselijke geest. Het bekend begrip (het beeld) wordt dan nl. op het nieuw gegeven (de referent) geprojecteerd, waardoor en waarmee de mens, vanuit zijn vermogen of cognitie om via zintuiglijke waarneming kennis te verwerven, zijn verkregen informatie door zijn denken uitbreidt.

Bij een naamsverwisseling wordt het feitelijk bedoeld begrip (de referent), vanuit een waarneembare relatie (contiguïteit) tot de werkelijkheid, indirect aangeduid met een aan de referent verwant ervaren begrip (het beeld). Bij conceptuele of cognitieve metaforen is het samenvallen van beeld en referent, het zuiver mentaal ervaren en begrijpen van een idee in termen van een ander.

In 1980, publiceerden de linguïst George Lakoff (1941) (foto) en de filosoof Mark Johnson (1949) (Universiteit van Oregon), “Metaphors We Live By”, een boek waarin ze aantoonden dat we in onze alledaagse taal over heel veel zaken spreken  in de vorm van conceptuele metaforen. De auteurs suggereerden dat het gebruik van deze metaforen een hulpmiddel is waarmee we kennis over directe fysieke en sociale ervaringen gebruiken om abstractere dingen zoals werk, tijd, mentale activiteit en gevoelens, te begrijpen. Hun boek bood de eerste uitgebreide verkenning en een gedetailleerd onderzoek van de onderliggende processen van conceptuele metaforen. Sinds de publicatie ervan heeft het veld van metafoorstudies binnen de psychologie en de cognitieve linguïstiek zich met academische conferenties, wetenschappelijke genootschappen en onderzoekslaboratoria, almaar verder ontwikkeld.

“Metaforen die ons het bos in sturen” bestaat uit 5 delen. In een eerder kort deel I zetten Hans Dooremalen en Herman de Regt in 2 hoofdstukken, de metafoor en de metafoortheorie uiteen. De auteurs leggen daarin de opvatting van Lakoff en Johnson uit, gevolgd door een aantal voorbeelden van metaforisch denken over oorlog (in Koeweit en Oekraïne), die aantonen dat menselijk denken door en door metaforisch is, en dat deze vorm van denken niet zonder gevolgen is. Maar, “Om te kunnen beoordelen of metaforen ons kennis opleveren over de wereld, moeten we eerst weten wat kennis is”, zo lezen we.

In hun uitgebreider tweede deel “Kennisleer”, definiëren de auteurs kennis als we (wetenschappelijk) bewijsmateriaal voor en geen (wetenschappelijk) bewijsmateriaal tegen een bewering hebben. Ze zetten praktische en pragmatistische kennisleer uiteen, leggen uit dat kennis bestaat uit gerechtvaardigde, ware overtuigingen, en laten zien dat we zoals de scepticus beweert, geen kennis kunnen hebben als we met kennis ‘gerechtvaardigde, ware overtuigingen’ bedoelen.

Bijgevolg wordt in deel III eerst de vraag gesteld of metaforen, kennis opleveren, met als antwoord, ja, maar op een indirecte manier, omdat metaforen altijd onwaar zijn. Dit wordt uitgelegd aan de hand van de opvattingen van de eminente, Amerikaanse hoogleraar filosofie, Donald Davidson (1917-2003) (foto), die verbonden was aan de Stanford Universiteit, de Rockefeller- en Princeton-universiteit, de universiteit van Chicago en de Universiteit van Californië, Berkeley. “Als ons denken metaforisch is en als metaforen altijd onwaar zijn, dan bieden metaforen geen inzicht in de wereld. Inzicht hebben is immers iets waars over de wereld weten”, zo lezen we. In de twee laatste hoofdstukken van dit tweede deel bespreken de auteurs het idee dat, zou al het menselijk denken metaforisch zijn, dit problematisch zou zijn, aangezien metaforen altijd onwaar zijn en ons denken dan bijgevolg ook altijd onwaar zou zijn. “Gelukkig blijkt een deel van ons denken over wat we waarnemen, correct te zijn. Als metaforen niet direct kennis opleveren, doen ze dat indirect, met een omweg”, zo schrijven ze.

In een volgend hoofdstuk argumenteren de auteurs dat metaforen inderdaad indirect inzicht opleveren, doordat metaforisch denken hypotheses genereert die vervolgens wetenschappelijk te testen zijn. “Op het moment dat we nader bewijsmateriaal gevonden hebben voor zo’n, in eerste instantie, metaforische uiting (en niets wat ertegen ingaat), dan hebben we inzicht verworven, maar dan is de metaforische uiting niet langer metaforisch”, zo gaat het verder.

In Deel IV “Metaforisch denken over de denkende mens”, hebben de auteurs het over het beeld dat we van onszelf hebben als “Homo sapiens”.  De mens heeft nl. een bijzonder ontwikkeld brein met cognitieve capaciteiten en met mentale vaardigheden om problemen op te lossen. Die zijn groter dan die van welke andere diersoort dan ook. Dit impliceert wel dat als we onszelf willen begrijpen, we ons denken dienen te begrijpen.

Door het gebruik van techniekmetaforen begrijpt de mens, die van nature dualistisch is, het denken op een mechanistische manier. Het dualisme betekent dat we een geest en een lichaam zijn en dat we denken met onze geest. De techniekmetaforen hebben bijgevolg betrekking op het brein. “Dus, als die metaforen ons inzicht opleveren, moeten we laten zien dat het dualisme incorrect is, en dat we inderdaad met ons brein denken”, lezen we. Dit wordt verder uitgelegd in hoofdstuk 10, ”Zijn we onze onafhankelijke geest?”.

In de twee laatste hoofdstukken (11 en 12), gaan de auteurs bijgevolg in op het gebruik van die techniekmetaforen om na te denken over het brein en hoe “metaforisch denken over denken”, hypotheses genereert die we kunnen testen. Ze gaan daarbij in op de “het-brein-is-een-computer-metafoor”, “omdat”, zo schrijven ze, “dat de meest recente metafoor is”. Ze tonen aan dat we het brein in eerste instantie opvatten als een klassieke computer (een zogenoemde Turingmachine), maar dat we, als we dat doen, we hypotheses genereren die onjuist blijken te zijn. ”Maar, als we de hersenen opvatten als een connectionistisch netwerk, dan kunnen we van ‘connectionistische computers’ wel wat leren over hoe de hersenen werken” zo vervolgen ze. In het laatste hoofdstuk (12) van deel IV wordt dit verder uitgewerkt en wordt uitgelegd hoe de metafoor in eerste instantie wel helpt om hypotheses op te stellen, maar daarna langzaamaan uit de theorie verdwijnt (sic).

In het afsluitend deel V “Het gevaar van metaforisch denken”,  waarschuwen de auteurs als het ware voor het gevaar van het niet herkennen van metaforisch denken en beargumenteren ze dat als we niet doorhebben dat we in metaforen over de wereld denken, we er veel onware overtuigingen op nahouden. “Als we op basis van die overtuigingen handelen, kan dat tot allerlei ellende leiden. Het is goed om in die gevallen metaforen aan het licht te brengen, want anders sturen ze ons het bos in”, zo klinkt het. Tot besluit, de Index, noten, referenties en gegevens over de auteurs. Grandioos. Zeker lezen.

Hans Dooremalen (foto) is wetenschapsfilosoof en philosopher of mind aan de Tilburg University. In 1997 studeerde hij daar af in taalfilosofie en in 2003, promoveerde hij in de philosophy of mind aan de Radboud Universiteit. Vanaf 2001, heeft hij aan verschillende instellingen filosofieonderwijs verzorgd en lezingen gegeven in binnen- en buitenland, en. samen met Maurice Schouten en Herman de Regt, heeft hij verschillende boeken  geschreven over wetenschapsfilosofie en philosophy of mind. Dooremalen schreef eerder  “Evolution’s Shorthand. A Presentational Theory of the Phenomenal Mind”, “Stof tot denken, Filosofische aspecten van brein en bewustzijn” en “Descartes in Amsterdam”.

Herman de Regt (foto) is werkzaam als associate professor wetenschapsfilosofie en epistemologie aan Tilburg University. Hij werkte aan het Department of History and Philosophy of Science van de University of Cambridge (uk), en aan de University Department of Philosophy van Princeton University (usa). Daarnaast is hij vice-decaan onderwijs van Tilburg School of Humanities. De Regt gaf lezingen in binnen- en buitenland en schreef wetenschappelijke artikelen over de status van wetenschap, studies naar het bewustzijn, en het Amerikaans pragmatisme.

De wetenschapsfilosofen Hans Dooremalen en Herman de Regt schreven samen met Maurice Schouten het wetenschapsfilosofisch handboek “Exploring Humans, An Introduction to the Philosophy of the Social Sciences”, “Wat een onzin!, wetenschap en het bovennatuurlijke” en het vervolg daarop, “Het snapgevoel. Hoe de illusie van begrip ons denken gijzelt” (over kennis en emotie) (foto).

Hans Dooremalen, Herman de Regt Metaforen die ons het bos in sturen  216  bladz.  uitg. Noordboek ISBN 9789464713374

https://www.stretto.be/2018/06/30/hans-dooremalen-een-spannend-detective-verhaal-over-descartes-in-amsterdam-een-uitgave-van-boom-een-aanrader/