

Nicola Vicentino (1511-1576) stond in zijn tijd bekend als muziektheoreticus en uitvinder van het microtonaal archicembalo-klavierinstrument. Het is weliswaar de opvallende, harmonische verfijning van zijn madrigalen die zijn naam vandaag levend houdt. Een ontdekking!

Het madrigaal, gecomponeerd voor het hof en andere opdrachtgevers, was in de overgang van de renaissance naar de vroeg barok, het ultiem wereldlijk lied. Het genre bereikte zijn hoogtepunt met de technische en expressieve innovaties in de opeenvolgende boeken met madrigalen van Claudio Monteverdi. Het madrigaal was in de renaissance een vier tot zes stemmige a capella-compositie op een wereldlijke tekst. Na 1550 ontwikkelde het madrigaal zich meer polyfoon en imiterend en was er een grote toename van chromatiek. Het was de tijd van Willaert, de Rore, Andrea Gabrieli, Orlando di Lasso (“Prophetiae Sibyllarum”), de Monte en Palestrina. Na 1580 was er in de muziek van Luca Marenzio, Gesualdo en Monteverdi, meer de combinatie van het solo-madrigaal en monodie met basso continuo aanwezig, en lag het accent volop op chromatiek (cfr. Caccini en de Wert).
Nicola Vicentino was een Italiaans muziektheoreticus wiens experimenten met het ontwerpen van toetsenborden en gelijkzwevende stemming wedijveren met die van 20ste-eeuwse theoretici. Rond 1530 verhuisde hij van Venetië naar Ferrara, een centrum van experimentele muziek. Hij diende kort als muziekleraar voor de hertog van Este terwijl hij verhandelingen schreef over de relevantie van de Oud-Griekse muziektheorie in hedendaagse muziek en over waarom, naar zijn mening, het hele systeem van Pythagoras inzake muziek, verwerpelijk was.
In de jaren 1550 ontstond in Italië nl. een sterke belangstelling voor chromatische compositie, waarvan sommige deel uitmaakten van de beweging die bekendstond als “musica reservata” en andere voortkwamen uit onderzoek naar de oude Griekse muziek, inclusief modi en genres. Componisten zoals Cipriano de Rore, Lassus en anderen componeerden muziek die onmogelijk zuiver gezongen kon worden zonder een systeem om de toonhoogte van chromatische intervallen op de een of andere manier aan te passen. Verschillende theoretici, onder wie Vicentino, pakten dit probleem aan.
In 1555, publiceerde hij zijn beroemdste werk, “L’antica musica ridotta alla moderna prattica” (Oude muziek aangepast aan de moderne praktijk), waarin hij zijn ideeën over de koppeling van de klassieke Griekse muziektheorie en -praktijk aan hedendaagse werken uitgebreid uiteenzette en rechtvaardigde. In dit werk breidde hij veel van de ideeën uit die hij voor het eerst in zijn debat met de Portugese componist en muziektheoreticus, Vicente Lusitano (ca. 1520-1561) naar voren bracht.
Lusitano was tijdens zijn leven bekend om zijn werk als theoreticus. In een debat in 1551 in Rome omarmde hij traditionele opvattingen over de rol van de drie genera in de muziek (diatonisch, chromatisch en enharmonisch) ten opzichte van de radicalere opvattingen die Nicola Vicentino naar voren had gebracht. Lusitano werd geacht het debat te hebben gewonnen en Vicentino werd beboet. In 1555 publiceerde Vicentino weliswaar een verslag van het debat. Dit had invloed op latere componisten en kan een factor zijn geweest in het weglaten van de naam Lusitano in latere werken over vroeg Europese componisten. Of Lusitano ooit heeft geprobeerd Vicentino’s uitgebreide versie te weerleggen, is niet bekend. 

Vicentino’s boek was echter wel invloedrijk voor de groep madrigalisten die de volgende twee decennia in Ferrara werkte, onder wie Luzzasco Luzzaschi en Carlo Gesualdo. Deze wereldpremière-opname van madrigalen uit zijn Vijfde Boek Madrigalen uit 1572, worden afgewisseld met instrumentale stukken die vergelijkbare chromatische universums verkennen, “Consonanze stravaganti für Cembalo” van Giovanni de Macque (1548/1550-1614), werken van Tarquinio Merula (1595-1665) (foto) en de opmerkelijke “Toccata e recercar cromatico” en de “Canzon la Bella”, de eerste instrumentale canzona ooit gepubliceerd, van Giovanni Maria Trabaci (ca. 1575-1647) (foto).
Stefano Lorenzetti studeerde orgel en klavecimbel bij Kenneth Gilbert en promoveerde in geschiedenis en cultuur aan het Europees Universitair Instituut in Florence. Momenteel is hij hoogleraar muziekgeschiedenis aan het Conservatorium van Vicenza. Lorenzetti concentreert zijn onderzoek op de geschiedenis van het onderwijs, de geschiedenis van ideeën, de geschiedenis van het Italiaanse oratorium, de relatie tussen muziek en de kunst van het geheugen, en op uitvoeringspraktijk en muzikale ruimte. Zijn monografie ‘Musica e identità nobiliare nell’Italia del Rinascimento. Educazione, mentalità, immaginario’ heeft hem een plaats bezorgd als een van de belangrijkste en meest innovatieve onderzoekers op het gebied van renaissancemuziek.


Nicola Vicentino Madrigali a cinque voci libro quinto Ensemble del Dipartimento di Musica Antica del Conservatorio di Vicenza Stefano Lorenzetti Harpsichord and Concuctor cd Dynamic CDS8064