“Max Reger, Four Tone Poems after Böcklin – Romantic Suite” door het Gävle Symphonic Orchestra o.l.v. Jaime Martín, op het label Ondine. Een grandioze ontdekking!

Max Reger - Ein musikalischer Koloss | MUSIK HEUTE

Max Reger - Ein musikalischer Koloss | MUSIK HEUTE

Deze nieuwe cd van het Zweeds “Gävle Symfoniorkester” en dirigent Jaime Martín bevat twee van de mooiste orkestcycli van Max Reger (1873-1916), gecomponeerd tegen het einde van zijn leven, zijn “Vier Tondichtungen nach A. Böcklin” en zijn 3-delige “Romantische Suite”.

In het tweede kwart van de 19de eeuw leek de toekomst van de symfonie als genre onzeker. Hoewel veel componisten in de jaren 1820 en 1830, symfonieën bleven componeren, groeide het gevoel dat deze werken esthetisch veel minder waren dan deze van Beethoven. De echte vraag was niet zozeer of symfonieën nog gecomponeerd konden worden, maar of het genre nog verder zou kunnen bloeien en groeien. Mendelssohn, Schumann en Niels Gade boekten successen met hun symfonieën, waardoor het debat over de vraag of het genre dood was, op zijn minst tijdelijk werd stopgezet.

Niettemin begonnen componisten de compactere vorm van de concert ouverture te verkennen als een vorm waarin muzikale, verhalende en picturale ideeën werden vermengd. De eerste die de Duitse term “Tondichtung” gebruikte, was Carl Loewe (1796-1869) (foto). Niet voor een orkestwerk maar voor, “Mazeppa”, op. 27 (1828), een pianocompositie, gebaseerd op het gelijknamig gedicht van Lord Byron. Loewe componeerde het twaalf jaar voor Liszt hetzelfde onderwerp orkestraal behandelde.

Tussen 1845 en 1847 componeerde César Franck een opvallend orkestwerk, gebaseerd op Victor Hugo’s gedicht “Ce qu’on entend sur la montagne”. Ook dit werk vertoonde kenmerken van een symfonisch gedicht, voorafgaand aan Liszts composities. Franck heeft zijn stuk echter niet gepubliceerd of uitgevoerd, noch was hij van plan het genre te definiëren. Liszts vastberadenheid om het symfonisch gedicht te verkennen en te promoten leverde hem uiteindelijk de erkenning op als uitvinder van het genre. Om zijn werken te onderscheiden van de “Symphonische Dichtungen” van Liszt, sprak Richard Strauss over zijn “Tondichtungen”.

Max Reger (foto) was hoogleraar compositie aan de universiteit van Leipzig en was tezelfdertijd ook internationaal actief als dirigent en pianist. Tussen 1911 en 1914 was hij dirigent van het hoforkest in Meiningen. Voor Max Reger, een componist van 147 gepubliceerde opus nummers en ruim 200 niet-gepubliceerde werken, was Bach het constant referentiepunt in zijn werk. “Bach ist Anfang und Ende aller Musik”, zo stelde hij. Hoewel hij zelfs door zijn tijdgenoten als een revolutionair en avant-gardist werd beschouwd, putte hij inspiratie en kracht uit het bestuderen van de composities van de grote Thomaskantor. Ruim 160 arrangementen getuigen van het intensief en vruchtbaar debat. Mogelijk speelde ook een didactische interesse een rol, aangezien Reger oppervlakkige virtuositeit of zwoele harmonie veroordeelde ten gunste van de heldere structuur, die nog beter zichtbaar en hoorbaar is in de arrangementen van de concerto’s en de vier orkestsuites.

Reger componeerde zijn 4 symfonische gedichten naar Arnold Böcklin (foto) in 1913 en droeg ze op aan de Duitse pianist, dirigent en componist, Julius Buths, die achtereenvolgens dirigent was in Breslau, Elberfeld en uiteindelijk in Düsseldorf, waar hij van 1902 tot 1908, ook directeur was van het conservatorium. Buths was vooral bekend vanwege zijn vroege steun aan de werken van Elgar, Delius en Mahler. Hij dirigeerde bv. de Europese premières van Elgars “Enigma-variaties”, “De droom van Gerontius” en “De Apostelen” . De partituur van de “Vier Tondichtungen nach A. Böcklin” werd in september 1913 uitgegeven en Reger dirigeerde zelf in oktober van dat jaar, de première in Essen met het plaatselijk Städtisches Orchester. De werken zijn een programmatische weergave van vier schilderijen van de Zwitserse symbolistische schilder Arnold Böcklin (1827-1901). Reger koos voor beelden met afwisselend contrasterende stemmingen, verlangend, speels, meditatief en uitbundig.

De toon van  “Der geigende Eremit” bv. is stil verlangen. In Böcklins werk treedt een oude man in gewaden alleen op bij een altaar van de Madonna, terwijl nieuwsgierige cherubijnen toekijken. Regers kluizenaar speelt op de viool een eerbiedwaardige melodie die beantwoord wordt door de houtblazers en gedragen wordt door rijke sonore akkoorden in de strijkers. In “Spiel der Wellen” deinen en zwellen intense momenten in het orkest aan als evocatie van het glinsterend schuim van de branding in het zonlicht.  

Regers somber derde symfonisch gedicht is gebaseerd op Böcklins beroemdste werk, “Het Dodeneiland”, waarvan de kunstenaar tussen 1880 en 1886, wel vijf versies maakte. Het schilderij toont een in het wit gehulde figuur in een kleine roeiboot die vaart naar de schaduwrijke inham van een verlaten eiland. Het bezwerend beeld inspireerde ook Sergej Rachmaninov, die in 1908 een symfonisch symfonisch gedicht met dezelfde naam componeerde. Naast de melancholische thema’s van de eerste drie symfonische gedichten, barst het vierde, “Bacchanal” los met een waanzinnige energie en neemt het het hele orkest mee op een wervelende rit die past bij grootste heidense festivals. Na een korte rustpauze in het midden van het deel barst de feestvreugde opnieuw los en raast in volle galop naar het einde.

Reger baseerde zijn “Eine romantische Suite” op gedichten van Joseph von Eichendorff (1788-1857) (foto). De suite is opgebouwd uit drie delen, met twee langzame delen die een levendig scherzo omlijsten, die corresponderen met drie gedichten van Joseph von Eichendorff (foto): “Nachtzauber” (Nachtmagie), “Elfe” (Fee) en “Adler” (Adelaar). Hoewel Reger de delen oorspronkelijk als gedichten wilde benoemen, dacht hij aan soortgelijke titels (“Mondnacht”, “Elfentanz” en “Helios”), maar koos uiteindelijk voor neutrale titels.

Reger componeerde de suite in Meiningen in mei en juni 1912. Hij was daar nl. van 1911 tot 1914 muziekdirecteur van de Hofkapelle (foto) en componeerde in die periode de meeste van zijn composities voor orkest. Hij droeg het werk op aan de Duitse violist, componist en dirigent, Hugo Grüters (1851-1928), die 14 jaar lang de Koninklijk Muziekdirecteur was in Zierikzee, Hamm en Duisburg en daarna Muziekdirecteur werd in Bonn.

Nog tijdens het componeren bood Reger de première weliswaar al aan aan de Duitse dirigent Ernst von Schuch (1846-1914) die in 1911, met succes de première van “Der Rosenkavalier” (foto) had gedirigeerd en een passie had voor hedendaagse muziek. Schuch programmeerde vanaf 1906 met de Königliche musikalische Kapelle in Dresden regelmatig werken van Reger en had hem in 1911 aangesteld als pianist voor een uitvoering van Bachs Brandenburgs Concerto nr. 5. Reger droeg ook zijn Lustspiel-Ouvertüre, op. 120 op aan von Schuch. De partituur van “Eine romantische Suite” werd in september 1912 uitgegeven en werd voor het eerst uitgevoerd in oktober van dat jaar door de Königliche musikalische Kapelle o.l.v. Ernst von Schuch. In 1920, maakte Arnold Schönberg een arrangement van de suite voor kamerensemble.

Naast tournees als gastdirigent in Berlijn, München, Wenen en Parijs bleef von Schuch (foto) tot 1914, verbonden aan Dresden en maakte hij het operagebouw tot een van de belangrijkste muzikale podia van Europa. Hij creëerde een ongeëvenaard ensemble en breidde het orkest uit tot een van de grootste ter wereld. Gespecialiseerd in de muziekdrama’s van Wagner, leidde hij ook de originele producties van de Richard Strauss-opera’s Feuersnot (1901), Salome (1905), Elektra (1909) en Der Rosenkavalier (1911), evenals de eerste Duitse producties van opera’s van Puccini en Mascagni en de première in Dresden van Wagners Parsifal op in maart 1914, zijn laatste nieuwe productie voor zijn overlijden in mei van dat jaar. Ernst von Schuch was vanwege zijn uitvoeringen van orkestwerken van Felix Draeseke en Richard Strauss , als dirigent (“Leibdirigent” van Strauss) ook zeer geliefd in de concertzaal.

Jaime Martín (1965) is een Spaanse dirigent en fluitist, geboren in Santander in Spanje. Hij begon zijn studie dwarsfluit op 8-jarige leeftijd en werd op 13-jarige leeftijd lid van het Nationaal Jeugdorkest van Spanje. Hij werd een leerling van Antonio Arias in Madrid en later van Paul Verhey in Den Haag, bekleedde posten als eerste fluitist bij de Academy of St Martin in the Fields, het Royal Philharmonic Orchestra en het London Philharmonic Orchestra en werkte ook regelmatig als lid van het Chamber Orchestra of Europe. In 1991 maakte hij zijn debuut als solist in Carnegie Hall. In juli 2012 werd Jaime Martín artistiek adviseur van het Gävle Symfonieorkest, gevestigd in Gävle in Zweden en werd er een jaar later benoemd tot chef-dirigent. Aan het einde van het seizoen 2021-2022 trad hij af als chef-dirigent en werd opgevolgd door Christian Reif.

Tracklist:

Four Tone Poems after Arnold Böcklin, Op. 128:

No. 1, Der geigende Eremit

No. 2, Spiel der Wellen

No. 3, Die Toteninsel

No. 4, Bacchanale

Romantic Suite, Op. 125:

I. Notturno. Molto sostenuto

II. Scherzo. Vivace

III. Finale. Molto sostenuto

Max Reger Four Tone Poems after Bocklin Romantic Suite Gävle Symphonic Orchestra Jaime Martín cd Ondine ODE14622

https://www.stretto.be/2023/10/15/max-reger-requiem-gustav-mahler-orchestral-songs-door-das-neue-orchester-chorus-musicus-koln-o-l-v-christoph-spering-op-het-label-capriccio-een-ontdekking/