


Dmitri Sjostakovitsj begon in 1930 te werken aan zijn opera, “Lady Macbeth van het district Mtsensk”. De opera, gebaseerd op een plot van Nikolaj Leskov, vertelt over de tot moorden gedreven koopmansvrouw, Katerina Ismajlova. Na voltooiing in 1934, werd het werk gelijktijdig door twee theaters voorbereid. De ophef makende première vond plaats in het Academisch Staatstheater voor opera en ballet (Maly-Theater) in Leningrad en twee dagen later werd ze vertoond in Moskou.



In zijn tweede en derde symfonie had Sjostakovitsj geëxperimenteerd met wat hij “geometrische compositie” noemde, het muzikaal equivalent van het rayonisme van Mikhaïl Larionov, het suprematisme van Kazimir Malevitsj en El Lissitzky, en het constructivisme van Rodtsjenko en Tatlin. Daarna uitte Sjostakovitsj zich in zijn akelige maar fenomenale Vierde symfonie, een schreeuwerige maar machtige kolos van muzikale boosaardigheid, schoonheid en duister, Slavisch sarcasme, die naar het einde toe uiteindelijk plaats maakt voor iets dat klinkt als de dood zelf.
Dmitri Sjostakovitsj componeerde zijn opera “Ledi Makbet Mtsenskogo uyezda” op een deels zelf geschreven libretto, gezamenlijk met Alexander Preys. Beiden baseerden zich op de novelle “Lady Macbeth van het district Mtsensk” uit 1865, van Nikolaj Leskov (1831-1895) (foto), een gruwelijk verhaal over een vrouw in het 19de- eeuwse Rusland, die seks heeft met Sergei, één van de arbeiders van haar man, de meelhandelaar Sinowi, en tot moord wordt gedreven. Alexander Germanovitsj Preis (1905-1942) was een Sovjet-schrijver van talrijke toneelstukken en libretti.
Het verhaal is als volgt. Wanneer de rijke meelkoopman, Boris Timofejewitsch Ismailow erachter komt dat Katerina, de vrouw van zijn zoon Sinowi, een affaire heeft met hun knecht Sergei, vergiftigt Katerina haar schoonvader. Later wurgen zij en Sergej ook diens neefje, Fjodor omwille van zijn recht op de erfenis. Als alles aan het licht komt, ze door de politie gearresteerd worden en naar Siberië worden gestuurd, flirt Sergei met Sonetka, een andere vrouwelijke gevangene. Wanneer het gevangenentransport de Wolga oversteekt, werpt Katerina, Sonetka overboord, springt haar achterna en beiden verdrinken.
Hoewel Sjostakovitsj in 1934, verliefd geraakte op de vertaalster, Elena Konstantinovskaya, droeg hij zijn opera op aan zijn (eerste) vrouw, Nina Varzar (1909-1954) (samen op de foto), de moeder van hun dochter Galina (1936) en hun zoon Maxim (1938). Na haar overlijden, huwde Sjostakovitsj met de Komsomol activiste, Margarita Kainova (1956-1959) en daarna met de 28 jaar jongere, reeds gehuwde, Irina Antonovna Spunskaya (1934) (1961-1975) (samen op de foto).

Nadat Stalin in 1936 een voorstelling van de opera “Lady Macbeth” had bijgewoond en er zich vervolgens vernietigend over had uitgelaten, keerden collega’s en critici die de opera eerder hadden geprezen zich tegen Sjostakovitsj. Kort na de eerste voorstellingen moest Sjostakovitsj delen wijzigen die seksueel te expliciet waren.


Naar aanleiding van de beruchte opera (men sprak zelfs van “pornofonie”) en de futuristische vierde symfonie, publiceerde “Pravda” een editoriaal getiteld “Chaos in plaats van muziek”. Daarin stond dat Sjostakovitsj veroordeeld werd omdat hij “formalistische muziek” componeerde, een term die stond voor alles wat Stalin niet wilde, intellectualisme, abstractie, complexiteit, westerse invloeden en vooral een schrijnend gebrek aan voor de hand liggende volkslied melodieën en folkloristische kleuren. De toenmalige leiding van de Sovjet-Unie en de “Bond van componisten van de USSR”, de latere “Bond van Sovjetcomponisten”, veroordeelden deze werken officieel als decadent. Toen de première van de vierde symfonie naderde, werd de symfonie ingetrokken. Ze zou pas in 1961 voor de eerste keer uitgevoerd worden…Via deze Vierde symfonie leerde een nieuwe generatie in het Westen, de muziek van Sjostakovitsj stilaan kennen, maar, het was tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Het gaf daardoor een vertekend beeld met alle gevolgen van dien. Het Westen wilde per se aantonen dat Sjostakovitsj anti Sovjet muziek componeerde en hij een slachtoffer was van de “rode vijand”.
Rond 1936, begon de eerste periode van terreur, Grote Zuivering of “Bolsjaja tsjistka” van Stalin. Mensen werden om het minste en geringste zonder proces of met een schijnproces beschuldigd van samenzwering en ter dood veroordeeld. Sjostakovitsj’ schoonbroer, de fysicus Vsevolod Konstantinovich Frederiksen en zijn beschermheer maarschalk Michail Nikolajevitsj Toechatsjevski, werden afgevoerd naar werkkampen in Siberië. Sjostakovitsj werd dit lot bespaard omdat hij in zijn tweede symfonie (“Aan Oktober”, 1927), in zijn derde symfonie (“1 Mei”, 1929), in cantaten (bv. in “Van Karl Marx tot onze tijden”, 1932) en in filmmuziek (tussen 1927 en 1940 componeerde Sjostakovitsj de muziek voor wel 17 sovjetfilms !), de marxistisch-Leninistische doctrine trouw had bezongen en opgehemeld. Hij was in het Westen en in Sovjet-Rusland zo beroemd en gerespecteerd, dat het voor Stalin onmogelijk was om de componist op gelijkaardige wijze aan te pakken en te vervolgen.
In 1947 bv. had Sjostakovitsj reeds negen geniale symfonieën gecomponeerd, al dan niet experimenteel, avantgardistisch of propagandistisch, drie indrukwekkende balletten (“Zolotoi vek” (“The Golden Age”), “The Bolt” en “The Limpid Stream”), veel toneelmuziek, en het fantastisch, dromerig en vrolijk eerste Pianoconcerto voor piano, trompet en strijkers. Daarenboven was Sjostakovitsj toen reeds houder van verschillende functies, titels, prijzen en onderscheidingen, zoals Afgevaardigde in het Leningrads stadsdeelbestuur, Hoogleraar, Afgevaardigde van de Leningradse Arbeidersraad, Orde van het Rode Vaandel (of Rode Banier), twee Stalin prijzen 1ste klas (voor zijn pianokwintet en zijn 7de symfonie), een Stalin prijs 2de klas (voor zijn Pianotrio), de Leninorde, Afgevaardigde van de Opperste Sovjet voor het district Leningrad, en er zouden er nog vele, vele volgen. Daarnaast was de componist reeds in 1943 benoemd tot Erelid van de “American Academy and Institute of Arts and Letters”.

Pas zo’n 30 jaar later werd de opera in een aangepaste versie onder de titel “Katerina Ismailova”, opgevoerd in de Sovjet-Unie. Sjostakovitsj verving twee van de intermezzo’s, paste de omstreden derde scène van de eerste akte aan en bracht verder nog kleinere wijzigingen aan. “Katerina Izmailova” werd voor het eerst opgevoerd op 26 december 1962 in Moskou in het Stanislavski-Nemirovitsj-Dantsjenko Muziektheater (foto’s) en kreeg voor het eerst een studio-opname in 1964. Uiteindelijk kwam de originele versie in 1980 naar West-Europa. In oktober 2009, ging die in première bij de Weense Staatsopera. De veelgeprezen première van de originele versie is te horen op deze Orfeo opname.


Het duurde lang voor de Weense Staatsopera de eerste versie van Sjostakovitsj’ Lady Macbeth uit het district Mtsensk op de planken bracht. Als een van de belangrijkste werken van de 20ste eeuw werd de opera in 2009, eindelijk in de oorspronkelijke taal opgenomen in het repertoire van de Weense Staatsopera. De plot bleef en blijft weliswaar even explosief provocerend als altijd, met het verslag van de moorddadige gebeurtenissen van een gefrustreerde koopmansvrouw in het tsaristische Rusland binnen een muzikale omlijsting, die virtuoos laveert tussen bijtende sociale kritiek en het voelen van empathie met het hoofdpersonage.


Angela Denoke (foto) is een fascinerende Katerina Izmaylova, gekenmerkt door een messcherpe nauwkeurigheid en een zeer eigen timbre. Haar krachtige tegenstanders zijn de jonge heldentenor, Marian Talaba (foto)als Katerina’s bedrogen echtgenoot Zinovy en de basstem van Kurt Rydl (foto), die Katerina’s gewelddadige schoonvader Boris, een ijzingwekkende uitstraling verleent. Nadia Krasteva als het personage van Katerina’s rivale Sonetka, die in de aangrijpende slotscène in de colonne gevangenen verschijnt, is een rijkgekleurde mezzosopraan.


Misha Didyk (foto), die zijn debuut maakte in de Staatsoper, gebruikte zijn dramatisch-lyrische, doch flexibele tenor om een portret te creëren van de minnaar Sergei, waartegen de duistere en ondoorgrondelijke facetten van Angela Denoke’s vertolking nog nadrukkelijker en indrukwekkender tot uiting kwamen. De 11 solisten en de vele kleinere partijen, samen met het koor en het orkest van de Wiener Staatsoper, bezield door de dirigent Ingo Metzmacher, resulteerden in een interpretatie van Sjostakovitsj’ ijzingwekkende partituur vol uitdagende, extreem gevarieerde tempo-, dynamiek- en ritmewisselingen.
Ingo Metzmacher (1957) werd geboren in Hannover als zoon van de cellist Rudolf Metzmacher. Hij volgde zijn muzikale opleiding piano, muziektheorie en directie in Hannover, Salzburg en Keulen. In 1980, sloot hij zich aan bij het Ensemble Modern als pianist en in 1985 werd hij dirigent van het orkest. In 1987 maakte hij zijn operadebuut bij de Oper Frankfurt. In 1994 dirigeerde Metzmacher de première van de herziene versie van Henze’s Symfonie nr. 6. In 1997 dirigeerde hij op verzoek van de componist de wereldpremière van diens Symfonie nr. 9. Tussen 1995 en 1999 was Metzmacher vaste gastdirigent van de Bamberger Symphoniker en van 1997 tot 2005, was hij algemeen muziekdirecteur van de stad Hamburg, waartoe de Hamburger Staatsoper en het Filharmonisch Orkest behoorden. In 2005, werd de Hamburger Staatsoper door het toonaangevend, Duits operatijdschrift “Opernwelt” verkozen tot “Operahuis van het Jaar”.
In 2005, werd Metzmacher chef-dirigent van De Nederlandse Opera (DNO) in Amsterdam en van 2007 tot 2010, was hij chef-dirigent en artistiek leider van het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin (DSO-Berlin). Zijn contract met het DSO-Berlijn liep oorspronkelijk tot 2011. Na berichten over geschillen over de financiering en een dreigende vermindering van de omvang van het orkest, bood Metzmacher echter in maart 2009 zijn vroegtijdig ontslag aan als chef-dirigent van het DSO-Berlijn, met ingang van de zomer van 2010. Ingo Metzmacher dirigeert regelmatig in belangrijke operahuizen, waaronder het Royal Opera House Covent Garden, het Operahuis van Zürich, La Scala, het Teatro Real, de Wiener Staatsoper, de Berlijnse Staatsoper, de Opera van Parijs en de Opera van Genève.
Rolverdeling:
Angela Denoke (Katerina Lwowna Ismailowa)
Kurt Rydl (Boris Timofejewitsch Ismailow – Boris’ Geist)
Marian Talaba (Sinowi Borissowitsch Ismailow)
Misha Didyk (Sergej Fillipitsch)
Thomas Kober (Kutscher)
Donna Ellen (Axinja) 
Marcus Pelz (Hausknecht · Wächter)
Michael Roider (Der Schäbige)
Hans Peter Kammerer (Verwalter · Polizist)
Gerhard Reiterer (Erster Vorarbeiter)
Oleg Zalytskiy (Zweiter Vorarbeiter)
Johannes Gisser (Mühlenarbeiter)
Martin Müller (Dritter Vorarbeiter)
Janusz Monarcha (Paus)
Eijiro Kai (Polizeichef)
Wolfram Igor Derntl (Lehrer)
Franz Gruber (Betrunkener Gast)
Dan Paul Dumitrescu (Alter Zwangsarbeiter)
Nadia Krasteva (Sonjetka)
Sophie Marilley (Zwangsarbeiterin)
Jens Musger (Sergeant)


Lady Macbeth von Mzensk Denoke Didyk Rydl Krasteba Talaba Orchester und Chor der Wiener Staatsoper Ingo Metzmacher 2 cd Orfeo C230172

