




“Storia d’Italia” is een monumentaal werk, tussen 1965 en 1997, geschreven door drie Italiaanse journalisten, verbonden aan de “Corriere della Sera”, een van de oudste en meest gelezen kranten van Italië. Het waren in de eerste plaats de beroemde maar zeer omstreden historicus, Indro Montanelli (1909-2001) en Roberto Gervaso (1937-2020), en occasioneel, Mario Cervi (1921-2015).


Indro Montanelli (foto) behaalde in 1930 zijn rechtendiploma aan de Universiteit van Florence met een proefschrift over de kieshervorming van het Italiaans fascistisch regime van Benito Mussolini. Hij schreef als journalist aanvankelijk o.a. voor het befaamd, Amerikaans internationaal persbureau “United Press”, maar meldde zich in 1935, als bewonderaar van de dictatuur van Benito Mussolini, als vrijwilliger voor de Tweede Italiaans-Ethiopische of Italiaans-Abessijnse Oorlog in Ethiopië/Eritrea. Na getuige te zijn geweest van oorlog en vernietiging op de Balkan en de rampzalige Italiaanse invasie in 1940-1941, van het door de Grieken onder protectoraat gesteld Albanië, besloot Montanelli zich aan te sluiten bij de Italiaanse verzetsbeweging, “Giustizia e Libertà”. Dit werd echter in 1944 ontdekt en samen met zijn vrouw, werd hij door de nazi-autoriteiten gearresteerd. Ter dood veroordeeld, konden zij de dag voor de geplande executie door een vuurpeloton, naar Zwitserland vluchten, dankzij de tussenkomst van de aartsbisschop van Milaan en kardinaal Ildefons Schuster en een vals overplaatsingsbevel.


In 1945, werd Montanelli de redacteur “La Domenica del Corriere”, de populaire editie van de “Corriere della Sera”. In de jaren ’50, beschikte hij over een hele pagina en ontstond de column “Montanelli pensa così”, die later “La Stanza di Montanelli” werd. In zeer korte tijd groeide het uit tot een van de meest gelezen columns in Italië en het succes ervan zette Montanelli ertoe aan om eerst over de geschiedenis van de Romeinen en vervolgens over de geschiedenis van de Grieken te schrijven. Zo begon zijn carrière als historicus, die hem tot de bestverkopende Italiaanse schrijver maakte.

Het idee voor een reeks van 22! boeken over de geschiedenis van Italië kwam bij Montanelli op na een gesprek met nog een andere collega-journalist, de romanschrijver, schilder en dichter, Dino Buzzati (1906-1972) (foto), de auteur van de roman, “Il Deserto dei Tartari” (1939). Montanelli stelde het idee aanvankelijk voor aan de uitgeverij Mondadori, maar die had geen interesse. Montanelli sprak vervolgens met de Milanese uitgeverij, Longanesi, die in 1957, instemde met de publicatie van de proloog, “Storia di Roma”, die eerder in delen gepubliceerd was in “La Domenica del Corriere”.


Na het succes van deze uitgave kocht de internationale uitgeverij Rizzoli, een uitgeverij van dagbladen, tijdschriften en boeken, radio-uitzendingen en ondertussen ook van multimedia en digitale en satelliettelevisie, de rechten van het boek op en herdrukte het in 1959. In 1965, stemde Rizzoli, door de culturele impact en het groot commercieel succes van het boek, in met de publicatie van het integraal, ambitieus project, “Storia d’Italia”. Het werk was zeer succesvol, werd meer dan een miljoen keer verkocht en groeide uit tot de populairste geschiedenisboeken in Italië. Elk deel was gewijd aan een periode uit de Italiaanse geschiedenis, van de val van het West-Romeinse Rijk (476 n.Chr.) tot het einde van de 20ste eeuw, en bevatte telkens de chronologie en de handige index van namen en plaatsen.
De eerste drie delen behandelen de Middeleeuwen. Het eerste deel, “Italië van de donkere eeuwen – De middeleeuwen tot 1000 n.Chr.” (“L’Italia dei secoli bui. Il Medio Evo sino al Mille”) behandelt in 4 grote hoofdstukken, “Het einde van het Romeinse Rijk”, “Heerschappij van de Barbaren”, “De Arabieren in Europa” en “Feodaal Italië”, de geschiedenis van Italië in de periode van de Hoge Middeleeuwen. Montanelli gebruikte als bronnen het werk van de Duitse historicus, Ferdinand Gregorovius en voor de pauselijke geschiedenis, deed hij beroep op het werk van Ludwig von Pastor.
Ferdinand Gregorovius (1821-1891) (foto), een specialist in de middeleeuwse geschiedenis van Rome, was vooral bekend om zijn “Wanderjahre in Italien”, het verslag van de voetreizen die hij in de jaren 1850 door Italië maakte, en zijn monumentale “Die Geschichte der Stadt Rom im Mittelalter” (1859–1872), die een klassieker voor de geschiedenis van de Middeleeuwen en de vroege Renaissance is geworden. Gregorovius schreef ook “Die Grabmäler der Römischen Päpste” (1857), de biografie van Lucrezia Borgia (“Lucrezia Borgia: Nach Urkunden und Correspondenzen ihrer eigenen Zeit” – 1874), schreef over de geschiedenis het middeleeuws Athene, “Geschichte der Stadt Athen im Mittelalter. Von der Zeit Justinians bis zur türkischen” (1889), en vertaalde Italiaanse auteurs in het Duits.
De Duitse historicus, Ludwig von Pastor, Freiherr von Campersfelden (1854-1928) (foto) werd vooral bekend om zijn indrukwekkende, 16-delige Geschiedenis van de Pausen, van 1417 tot 1799, “Geschichte der Päpste seit dem Ausgang des Mittelalters”, uitgegeven tussen 1886 en 1933. Hij werd door keizer Frans Jozef I in de adelstand verheven en werd wel zes keer genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur.
In het deel “Italië, de donkere eeuwen 400-1000” leest u dat in de vijfde eeuw, ondanks een benauwde overwinning in de verschrikkelijke veldslag met de Hunnen, het ooit zo glorieuze West-Romeinse rijk verder afbrokkelde en dat na plunderingen door Goten en Vandalen, in 476, het doek over het trotse Rome definitief viel. De komende eeuwen zou Italië ten prooi vallen aan opeenvolgende indringers en bezetters, Herulen, Goten, Longobarden en Franken, met tussendoor een verblijf onder de vleugels van het Oostelijk rijk. Sicilië werd Arabisch en na een periode van totale anarchie gingen in de 10de eeuw, Duitse keizers zich met het land bemoeien.
Ondertussen ontwikkelde de Kerk zich als machtsinstituut en vochten Pausen met als inzet het hoogste gezag op geestelijk gebied, ondergeschiktheid van de wereldlijke autoriteit en verwerving van eigen wereldlijke macht, tegen keizers en koningen, de Kerk in het Oosten, clans in Rome, en ketters. Italië was een groot strijdtoneel van elkaar bevechtende partijen, die alle de erfenis van het oude Rome opeisten. Pas rond het eerste millennium diende zich een nieuwe fase aan en ontwaakte de samenleving uit zijn lethargie. Steden begonnen aan een wedergeboorte, op weg naar zelfbeschikking, roem en welvaart.
Voor “De opkomst van de stadstaten van 1000 tot 1250” (“L’Italia dei Comuni. Il Medio Evo dal 1000 al 1250”) werden de auteurs o.a. geïnspireerd door “Passages From Antiquity to Feudalism” (1974) van de Britse historicus, Perry Anderson (1938). Na de rampzalige tijden die beschreven zijn in “Italië, de donkere eeuwen 400-1000”, wordt in dit deel, in 3 hoofdstukken, “Paus en keizer”, “De ontwikkelingen in Italië”, en “De culturele Revolutie”, beschreven dat Italië vanaf het millennium uit de as herrees en dat er eerder dan elders in Europa, het hart van de steden begon te kloppen. Bedrijvigheid en handel kwamen op gang, er ontstonden banken en gilden en het plattelandsvolk trok naar de stad. Het groeiend zelfbewustzijn riep weliswaar in het verdeeld Italië ook het verlangen naar autonomie en eigen instituties op. Duitse keizers probeerden met wisselend succes hun macht over het schiereiland te behouden en bemoeiden zich ook met Kerk en pausschap. 
De investituurstrijd bereikte een hoogtepunt en Zuid-Italië viel ten prooi aan de Normandiërs, die ook Sicilië veroverden op de Arabieren. De tot op het bot corrupte Kerk van Rome maakte zich los van Byzantium, rekende ongenadig af met ketterse bewegingen en wapende zich tegen de ontluikende strijd tussen geloof en rede. Achtereenvolgende pausen lieten geen middel onbenut om een vereniging van Italië, hun nachtmerrie, te voorkomen. Het was ook de tijd van Barbarossa, van de verlichte despoot Frederik II, welfen en ghibellijnen, en kruistochten. Deze laatste droegen ertoe bij dat voor steden als Venetië, Genua en Pisa de poorten naar het Oosten opengingen en dat een grotendeels vergeten cultureel en wetenschappelijk erfgoed, langzaam herontdekt werd.

De periode die in “Italië, de opkomst van de stadstaten van 1000 tot 1250” beschreven wordt, de tijd van Bernardus van Clairvaux en Abélard, Ketterij en Inquisitie, Franciscus, Dominicus en Thomas van Aquino en van de kathedralen, is een onmisbare schakel in de geschiedenis van Italië. Wie het huidige Italië wil begrijpen, moet terug naar deze tijd, want hoewel het Italië zoals wij dat kennen nog niet bestond, zijn de steeds wisselende machtsverhoudingen cruciaal geweest voor de contouren van een land dat één is in zijn verscheidenheid.

In “Italië, de bloeitijd 1250-1500”, verneemt u in 4 uitgebreide hoofdstukken, dat terwijl landen als Frankrijk, Spanje en Engeland in de late Middeleeuwen werkten aan natievorming en de bouw van staatsinstituties, Italië een intens verdeeld en verbrokkeld land bleef, waar rivaliteit en vijandigheid de boventoon voerden. Dit ook door toedoen van de Kerk, die ‘verdeel en heers’ systematisch inzette als strategie om de seculiere wereld buiten de deur te houden en de eigen macht te conserveren. De gewoonte om vreemde troepen binnen te halen en wispelturige huurlegers in te zetten droeg nog verder bij aan de algehele verwarring. Het was desondanks de tijd van Dante, Petrarca en Boccaccio en van de machtige families Medici, Visconti, Borgia, Este, Gonzaga en Sforza
Het Italië van de 16e eeuw had twee gezichten. Aan de ene kant bloeiden kunst en cultuur in de nadagen van de renaissance met artistieke grootheden als Da Vinci, Rafaël, Michelangelo en Titiaan en denkers als Machiavelli, nog volop, en in de Italiaanse staten floreerde het hofleven, niet alleen in de grote centra zoals Florence, Milaan en Venetië, maar ook in steden als Ferrara en Mantua. De Kerk deed volop mee en etaleerde meer pracht en praal dan ooit tevoren.
Aan de andere kant bleven de Italiaanse staten en staatjes net zo verdeeld als in de voorgaande eeuwen en dat eiste nu, in het krachtenveld dat zich in Europa ontwikkeld had, zijn tol. Politiek en militair raakte Italië in de greep van de grote mogendheden, die het land misbruikten als slagveld voor hun territoriale ambities, wat leidde tot o.a. de dramatische plundering van Rome in 1527. In de komende driehonderd jaar was Italië een koloniale speelbal van Frankrijk, Spanje en het Habsburgse rijk, terwijl het als slachtoffer van zichzelf, langzaam uitdoofde als een kaars.
De Hervorming, de protestantse revolutie die heel Europa op zijn grondvesten deed daveren, ging daarentegen zo goed als volledig aan Italië voorbij. Daarmee miste het land wel de kans om de verhoudingen tussen Kerk en Staat te moderniseren en het behoedde Italië niet voor de effecten van het geweld van de godsdienststrijd in andere landen. Daarenboven voorkwam het al helemaal niet dat de Kerk van Rome, eeuwenlang het belangrijkste machtsinstituut in Italië, steeds meer aan invloed verloor. Het was weliswaar wel de tijd van Machiavelli en Ariosto, de Venetiaanse schilders en Michelangelo. De boeken werden vertaald door Anton Cares. 
Indro Montanelli Roberto Gervaso Italië, de donkere eeuwen 400-1000 388 bladz. uitg. Aspekt ISBN 9789464247671
Indro Montanelli Roberto Gervaso Italië, de opkomst van de stadstaten 1000-1250 323 bladz. uitg. Aspekt ISBN 9789464628548![]()
Indro Montanelli Roberto Gervaso Italië, de bloeitijd 1250-1500 312 bladz. uitg. Aspekt ISBN 9789464871203
Indro Montanelli Roberto Gervaso Italië, de 16e eeuw 364 bladz. uitg. Aspekt ISBN 9789464872965