


Anna Freud (1895-1982), het zesde en jongste kind van Sigmund Freud, droomde ervan om als psychoanalytica te werken. In 1938, vluchtten de Freuds van Wenen naar Londen, waar Anna haar werk met kinderen voortzette en weeshuizen oprichtte. In haar roman, ‘De zeven huizen van Anna Freud’ verkent Isabelle Pandazopoulos de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van de familie en volgt Anna in haar zoektocht naar erkenning en de hechte vriendschappen die haar overeind hielden. Dit leverde een verhaal op dat leest als een familiesaga, een ontroerend verhaal over de reis van een heel, heel bijzondere vrouw op zoek naar haar plaats en stem.

Op een winternacht in Londen in 1946 belt een verpleegster aan bij de familie Freud. Anna, de dochter van de beroemde psychoanalyticus, bevindt zich tussen leven en dood. Uitgeput en koortsachtig vertrouwt ze deze vreemdeling intieme aspecten van haar leven toe, haar moeilijke adolescentie vol gedwarsboomde verlangens en schandelijke fantasieën, de jaren van analyse met haar vader en haar beslissende ontmoeting met de grillige, Duits-Russische psychoanalytica en schrijfster, Lou Andreas-Salomé (1861-1937) (foto). We ontdekken het onbemind, lelijke eendje, dat zo hard vocht om haar stem te laten horen, om haar liefde met een Amerikaanse vrouw in het grootste geheim te beleven, en om een school op te richten in Wenen, waar ze, als pionier van de kinderpsychoanalyse, deze praktijk aanpaste aan de pedagogiek. Anna Freud, bleef altijd bouwen aan een eigen leven en aan opvang voor kinderen die dat broodnodig hadden.
Toen de nazi’s Oostenrijk annexeerden en Wenen binnenvielen, slaagde ze erin zichzelf te laten arresteren in plaats van haar reeds ernstig zieke vader. Gelukkig haalde een invloedrijke prinses haar daar weg. Dus moest ze besluiten te vertrekken en er werd een ballingschap in Londen georganiseerd. Anna had al een school geopend in Wenen, zette dit werk voort in Londen en nam weeskinderen op, waarmee ze als pionier van de kinderpsychoanalyse, de rivale werd van de joods-Oostenrijks/Britse Melanie Klein (1882-1960) (foto en samen op de foto). 
Deze rivaliteit leidde zelfs tot langdurige, discussies tijdens bijeenkomsten van de “British Psychoanalytical Society”, die plaatsvonden tussen oktober 1942 en februari 1944, tussen aanhangers van de Weense school en aanhangers van Melanie Klein. In deze sessies werden de verschillen tussen de klassieke Freudiaanse analyse en de nieuwere Kleiniaanse theorie met aanzienlijke heftigheid bediscussieerd. De Freudiaanse kant werd voornamelijk vertegenwoordigd door Anna Freud, die zich verzette tegen de herzieningen van theorie en methode die Klein voorstelde als gevolg van haar werk als analiste van jonge kinderen. De verschillen leidden zelfs na de oorlog, tot een drieledige verdeling van de opleidingen binnen de vereniging, de Kleinianen, de Anna Freudianen en de Middengroep of latere Onafhankelijke Groep.
Niets maakte Anna (foto) bang, noch gewelddadige kinderen, noch andere moeilijke kinderen. Anna was zowel genereus als onbaatzuchtig en bezat een zeldzame intelligentie. Ze wist hoe ze naar kinderen moest luisteren, hoe ze te begrijpen door ze te observeren, en was daardoor in staat om opvoeders en pedagogen te begeleiden. Haar eerste publicatie had trouwens als titel, “An Introduction to Psychoanalysis: Lectures for Child Analysts and Teachers” (1922-1935).


Op basis van deze observaties publiceerde ze bv. in samenwerking met de Amerikaanse kinderpsychoanalytica en pedagoge, Dorothy Tiffany/Burlingham (1891-1979) (foto), de dochter en kleindochter van de wereldberoemde glaskunstenaars en ontwerpers in art-nouveau- en art-decostijl, een aantal onderzoeken naar de impact van stress op kinderen en de mogelijkheden om alternatieve bronnen van affectie te bieden aan kinderen wanneer de ouders dat niet meer kunnen. 


Haar artikel uit 1979, over blinde baby’s, “To Be Blind in a Sighted World”, gepubliceerd in The Psychoanalytic Study of the Child, was een mijlpaal in de ontwikkeling van empathische, wetenschappelijke observatie. In de jaren ’60 en ’70, leidde Dorothy Burlingham (foto) nl. de “Research Group on the Study of Blind Children” aan de Hampstead Clinic in Londen.
Anna was als kind echter altijd ziek en chagrijnig, was anorexiapatiënte en ongeliefd omdat ze haar ouders en leraren voortdurend irriteerde. Ze zocht bijgevolg haar toevlucht in dromen en in een fantasieleven, omdat het echte leven haar niet wilde en moest vechten om een onafhankelijke volwassene te worden en de waardige erfgenaam te worden van haar vader, de zeer gerespecteerde professor Sigmund Freud. 
Uiteindelijk ontwikkelde Anna zich tot één van de grondleggers van de psychoanalyse bij kinderen. In 1947, begon ze samen met de joods-Oostenrijks/Britse, Kate Friedlaender, eigenl Käte Frankl (1902-1949) (foto) de “Hampstead Child Therapy Courses”. Kate Friedlaender had Anna nl. aangemoedigd om de Hampstead Kliniek voor kindertherapie op te richten. Anna schreef “Infants Without Families Reports on the Hampstead Nurseries” en “Research at the Hampstead Child-Therapy Clinic and Other Papers” en hield zich gedurende de jaren ’70, voornamelijk bezig met de problemen van sociaal achtergestelde en weinig affectief opgevoede kinderen en het bestuderen van psychische afwijkingen en achterstanden in de ontwikkeling van kinderen.


Vader Freud stelde dat de mens gedreven wordt door energieën, driften, die aanzetten tot gedrag. Deze driften hebben een onbewuste oorsprong, het Es en soms botsen deze driften met cultureel bepaalde en door het superego afgedwongen normen en idealen. De spanning die dit oplevert wordt uit het bewuste gehouden door de verdedigingsmechanismen van het Ich. Dochter Anna werkte in 1936, in haar bekend geworden boekje “Das Ich und die Abwehrmechanismen” (“The Ego and the Mechanisms of Defence”), het begrip uit voor de kinderleeftijd.![]()

![]()
“De Zeven Huizen van Anna Freud” leest afwisselend als een familiesaga, een korte geschiedenis van de psychoanalyse, als de reis van een vrouw op zoek naar haar plek en haar stem, en als een roman waarin de knopen en spanningen van de geschiedenis, de vitale kracht en moed van Anna onthullen. In haar roman onderzocht Isabelle Pandazopoulos zo de belangrijkste gebeurtenissen van de Freuds, niet chronologisch maar vanuit een emotionele logica, zoals de niet-lineaire ontvouwing van het leven. “De zeven huizen van Anna Freud” is met in de marge, Lou Andreas-Salomé, Marie Bonaparte, Virginia Woolf en Rainer Maria Rilke, het aangrijpend verhaal over bevrijding, de liefde van een dochter voor haar vader, en tegelijkertijd het episch verhaal van een familie die gevangen zat in de kwellingen van oorlog en ballingschap. “Les sept maisons d’Anna Freud” werd vertaald door Hester Tollenaar. Warm aanbevolen!


Isabelle Pandazopoulos (1968) is een Franse schrijfster van kinderliteratuur. Ze was literatuurdocente en werd vervolgens fulltime auteur. Ze gaf vooral les in het Zone d’éducation prioritaire (ZEP) aan kinderen met een beperking. Isabelle Pandazopoulos heeft eerder verschillende romans voor adolescenten en jongvolwassenen gepubliceerd en heeft teksten uit de mythologie bewerkt.


Isabelle Pandazopoulos De zeven huizen van Anna Freud 303 bladz. uitg. Mozaïek ISBN 978 90 239 6274 8![]()