


Plinius de Jongere was de neef en na het overlijden van zijn vader, ook de adoptiezoon van Plinius de Oudere, de auteur van de 37- delige, encyclopedische “Naturalis Historia”. De brieven aan kennissen en relaties van Plinius de Jongere geven bijzonder waardevolle inlichtingen over eigentijdse gebeurtenissen, o.a. 2 brieven over de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., over de Romeinse bestuursgeschiedenis en veel aspecten van de keizerlijke cultuur, over de luxueuze villa’s (o.a. over zijn eigen villa “in Tuscis” nabij San Giustino in Umbrië), boerderijen en landgoederen, en over het dagelijks leven in het Romeinse Rijk.

Gaius Plinius Caecilius Secundus, bekend als Plinius de Jongere (62-ca. 113), was achtereenvolgens quaestor en senator, die de staatsfinanciën beheerde, volkstribuun en praetor, de belangrijkste persoon op het gebied van rechtspraak. Na de 2 Dacische Oorlogen (101-102 en 105-106 n.Chr.) tussen het Romeinse Rijk en Dacië (het huidige Roemenië), werd tijdens de regeerperiode van de Romeinse keizer Trajanus (foto), Dacië hervormd tot een Romeinse provincie. De volgende jaren heerste Trajanus als burger-keizer en had hij een briefwisseling met Plinius de Jongere, o.a. over hoe om te gaan met de christenen. 


De advocaat en politicus, Plinius de Jongere, was nl. bevriend met de keizer en werd in 112 na Chr. door Trajanus aangesteld als consul van Pontus en Bythinia in Klein-Azië ten zuiden van de Zwarte Zee (Noordwest-Anatolië/Turkije). Als dank voor het verlenen van het consulaat, schreef Plinius trouwens een bewaard gebleven “Panegyricus Traiani” (een dankrede). Pompeius had in 64 v.Chr. de beide koninkrijken van Mithridates VI (bijgenaamd Eupator Dionysus) (foto), verenigd tot de Romeinse provincie “Pontus et Bithynia”, die vervolgens de status van senaatsprovincie kreeg en tot ca. 170 na Chr. door een proconsul werd bestuurd. Mozart componeerde trouwens een opera (dramma per musica) “Mitridate, Rè di Ponto” (KV. 87/K74a) over de Perzisch-Hellenistische koning.
Plinius moest orde en rust brengen in de provincie omdat de toestand er dreigde uit de hand te lopen en de financiële en politieke toestand dringende sanering behoefde. Er waren nl. diverse groeperingen die de stabiliteit in de regio bedreigden. Eén van deze groepen waren de christenen, te lezen in Plilius’ beroemde brief over de Christenen, waarin hij Trajanus om hulp vraagt.

Plinius was trouwens één van de eerste, Latijnse schrijvers die melding maakte van ‘Christiani’. In een brief aan Trajanus beschreef Plinius bv. hoe hij omging met gevallen waarbij christenen, kennelijk aanhangers van een niet-Romeinse en dus dubieuze godsdienst, werden aangeklaagd, en vroeg hij Trajanus of hij die zaken juist aanpakte. De briefwisseling tussen Plinius en Trajanus over christenen van rond het jaar 112, is trouwens het oudste overgeleverd voorbeeld van bestraffing van christenen door de Romeinse overheid.

Plinius de Jongere schreef honderden brieven, waarvan er 247 bewaard zijn gebleven. De eerste editie van Plinius’ brieven, de “Editio princeps” (9 boeken), werd in 1471 in Italië gepubliceerd. Ergens tussen 1495 en 1500, ontdekte de Italiaanse franciscaner monnik, architect, oudheidkundige, archeoloog en classicus, Giovanni Giocondo (ca. 1433-1515) (foto) in Parijs een manuscript van Plinius’ tiende brievenboek, met zijn correspondentie met Trajanus, en publiceerde het in Parijs, waarbij hij het werk opdroeg aan de Franse koning Louis XII. De eerste volledige editie werd in 1508, in Venetië gedrukt door de Italiaanse humanist, Aldus Pius Manutius (ca. 1449/1452-1515) (foto), één van de grote geleerden van de Italiaanse Renaissance.


De 10 boeken, “Epistulae”, worden gewoonlijk onderverdeeld in Boek 1 tot en met 9, die Plinius voor publicatie voorbereidde, en Boek 10, met de brieven aan of van keizer Trajanus (door Atheneum afzonderlijk uitgegeven) (foto). De brieven in deze Atheneum uitgave zijn brieven van Plinius aan meestal bevriende, hoge politici en de antwoorden die hij ontving. 

De meeste brieven zijn gericht aan o.a. Lucius Flavius Arrianus, een schrijver van voornamelijk filosofische en geschiedkundige werken, aan de Romeinse senator, Titus Calestrius Tiro, aan de edelman, Calpurnius Fabatus (de grootvader van de vrouw van Plinius), Calvisius Rufus (de gouverneur van Britannia Inferior), de vermogende landeigenaar Caninius Rufus, die een episch gedicht schreef over de verovering van Dacië, aan de Prefect, Tribunus militum en “curator rei publicae”, Gaius Cornelius Minicianus, en aan de beroemde consul, historicus, schrijver en redenaar, Publius Cornelius Tacitus (de auteur van de “Historiae”).
Daarnaast zijn er brieven gericht aan Lucius Laberius Maximus, (procurator in Judea, praefectus annonae, Praefectus Alexandreae et Aegypti en praefectus praetorio), aan de historicus en dichter, Pompeius Saturninus, aan de quaestor en senator, Titus Prifernius Rosianus Geminus, en aan de consul, Gaius Valerius Paullinus (foto).


In de tweede scène van Alban Bergs “Wozzeck„ maakt de dokter de opmerking, “Ein langer Bart unter dem Kinn … hm! … schon Plinius spricht davon“. De negen bundels persoonlijke brieven getuigen van Plinius’ bevoorrecht leven, vriendschap, goede smaak en hoge morele normen. Het zijn kleine, taalkundige kunstwerkjes, geschreven in een verzorgde, literaire stijl. In de brieven over de Vesuvius bv. was zijn aandacht voor detail zo scherp, dat moderne vulkanologen dit soort uitbarstingen gingen omschrijven als “Pliniaanse uitbarstingen”. De uitgave is voorzien van een heel interessante inleiding en een handige, alfabetische lijst van de geadresseerden.

Vincent Hunink (1962) is een Nederlands classicus en vertaler. Hij was onder meer docent Latijn aan de Universiteit van Leiden en werd in 2003, assistent-professor klassiek en vroegchristelijk Grieks en Latijn aan de Radbouduniversiteit. Hunink is vooral bekend van een inmiddels onafzienbare reeks vertalingen uit het Latijn, waarvoor hij in 2006 werd onderscheiden met de Oikos publieksprijs en in 2011, met een vertaalprijs van het Nederlands Letterenfonds. Eerder vertaalde hij van Plinius o.a. “De Vesuvius in vlammen. Brieven aan Tacitus”, “Mijn landhuizen. Brieven over Romeinse villa’s” en samen met Roald Dijkstra, “Majesteit! Correspondentie met keizer Trajanus”, alle uitgegeven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep.


Plinius de Jongere Voor altijd Een zelfportret in brieven Vertaald door Vincent Hunink 485 bladz. uitg. Atheneum – Polak & Van Gennep ISBN 9789025318284