


Van de Reynaert tot Moeder de Gans, van vrome liederen tot fan fiction en van een los blad perkament tot het boekenbezit van een Leidse student, in “Trouw aan de tekst” komt bijna alles aan bod dat anno 2024 het beeld van de historische Nederlandse letterkunde bepaalt. Korte artikelen over teksten, methoden en genres laten zien dat de studie van oudere literatuur in samenwerking met allerlei verwante (historische) disciplines, voortdurend en opnieuw relevant is voor inzicht in processen binnen de cultuurgeschiedenis tot op de dag van vandaag. Dit uitzonderlijk boek onder redactie van Bram Caers, Anna Dlabačová, Paul Hoftijzer, Olga van Marion en Geert Warnar, verschijnt ter gelegenheid van het afscheid van Wim van Anrooij als hoogleraar Nederlandse literatuur tot aan de Romantiek van de Universiteit Leiden.

Een uitvinding van de 12de eeuw, zo hebben sommigen de liefde ooit genoemd. Die uitspraak mag overdreven zijn, toch staat het vast dat troubadours een onuitwisbare invloed hebben uitgeoefend op de Middelnederlandse en Middelhoogduitse poëzie en de wijze waarop de liefde tijdens de middeleeuwen in heel West-Europa bezongen werd. Ook in de Nederlanden. De minnezanger, Hendrik van Veldeke, de mystieke dichteres, Hadewijch, de dichter van het Gruuthuse handschrift, ze zijn vaak gebloemleesd, maar naast hun lyriek, zijn er talrijke liederen bewaard, sommige heel conventioneel, andere uiterst geraffineerd, die begraven liggen in weinig toegankelijke tekstedities of in hypergespecialiseerde wetenschappelijke publicaties.
In de 12de- en de 13de eeuw bloeide de hoofse literatuur volop in verschillende genres. Men onderscheidt de matière de France (verhalen over Karel de Grote en zijn ridders), de matière de Bretagne (verhalen over koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel) en de matière de Rome (gebaseerd op de klassieke mythologie). In de late periode van het Oudfrans deed de ridderroman zijn intrede. Hierin werd in plaats van het verleden de voor die tijd moderne ridderwereld beschreven in geïdealiseerde vorm. De “Roman de la Rose” is hier een voorbeeld van.
De middeleeuwse trouvères traden in de voetsporen van de troubadours, verspreidden hun liefdesliederen van hof tot hof en leverden zo hun eigen bijdrage aan het idee van de middeleeuwse hoofse liefde. De periode werd gekenmerkt door “grand chant courtois à forme fixe”, zijnde de productie en de receptie van hoofse minneliederen, refrains en de virelai-ballade.
De Minnezang kende haar bloeiperiode in Duitsland, van ongeveer 1150 tot 1300, en vervolgens tot 1500. Er was een nauwe verwantschap met de Noord-Franse trouvères en de Provençaalse troubadours. De term minnezang rond de verering van de dame was een terugkerend thema. De minnezang, van het Middelhoogduitse woord “Minne”, dat liefde betekent, was in hoge mate bepaald door vaste regels. De kunst bestond vooral uit het combineren en bewerken van standaardmotieven op originele wijze, via een aantal subvormen zoals het wachterlied of daglied (het duits Tagelied of het occitaanse Alba), en het wissellied of wisselzang. Het verschil met de Franse troubadours en trouvères was vooral het nadrukkelijk hoofs karakter, waar de teksten van de Franse troubadours en trouvères, vaak meer werelds en vrijer qua vorm waren.
In een periode dat poëzie nog louter oraal was, werd de minnezang als genre binnen de hoofse literatuur, niet voorgedragen, hoewel de meeste minneliederen niettemin genoteerd werden. Veel muziek is in de loop der tijd verloren gegaan, hetgeen de reconstructie speculatief maakt. Hetzelfde geldt voor de reconstructie van de gebruikte instrumenten. Uit middeleeuwse miniaturen kan weliswaar worden afgeleid dat de luit en de fluit belangrijke instrumenten waren.
Dit uitzonderlijk boek gaat over met de hand geschreven teksten op perkament en papier, over teksten, aangebracht op een schilderij of bedoeld om in openbare ruimten zichtbaar te blijven, gedrukt voor verspreiding om te lezen, voor te dragen, te zingen of om uit te voeren. Het bundelt bijdragen van wel 28 historisch- en modern-letterkundigen, taalkundigen, codicologen, boekwetenschappers en kunsthistorici die allen op eigen wijze trouw aan de tekst zijn en met elkaar de rijkdom van een vak willen tonen aan iedereen die (actieve) interesse heeft voor de praktijk van historische letterkunde en zich daarin wil laten inspireren.
De auteurs bestaan uit 4 hoofdstukken, “Benaderingen, genres en methode”, “De materiële tekst”, “De tekst primair” en “Teksten door de tijd”. In “Benaderingen, genres en methode” hebben Frits van Oostrom, Paul Wackers en Frank Willaert het over “Benaderingswijzen van de Reynaert”. “Van den vos Reynaerde”, gebaseerd op het Latijns dierenepos, “Ysengrimus” (1148-1149), vermoedelijk van “Magister Nivardus”, geschreven in het Middelnederlands, waarschijnlijk door Willem Corthals van Boudelo, lekenbroeder in de abdij van Boudelo in Gent, dateert waarschijnlijk van 1257-1271. Een oudere versie dan de Reynaert is de vroeg-13de eeuwse, Franse “Roman de Renart”, geïnspireerd door de dierenfabels van Aesopus en Phaedrus.
Willem (“Willem die Madocke maecte”) haalde de inspiratie voor zijn roman waarschijnlijk uit de Franse tekst “Le Plaid” (het pleidooi), een onderdeel van de vroeg-13de eeuwse verzameling vossenverhalen (de Roman de Renart), waarvan de oudste, omstreeks 1174, geschreven werden door Perrout de Saint Claude. Het episch-satirisch dierdicht, “Van den vos Reynaerde”, geldt als hét meesterwerk van onze middeleeuwse letterkunde, en misschien wel van de hele Nederlandse literatuur. Maar, wat is het geheim van deze klassieker, die in elke tijd ook leest als een moderne roman, en die zoveel heeft betekend voor zovelen? In ”Over vakbeoefening, vertalen en Vroegmiddelnederlands”, bespreken Ingrid Biesheuvel, Wybren Scheepsma en Jelmar Hugen vervolgens de preek de middeleeuwse romantraditie en fan fiction studies. 


In het tweede hoofdstuk, “De materiële tekst”, gaan Jos A.A.M. Biemans, Bram Caers, Marjolein Hogenbirk en Anna Dlabacová, uitvoerig in op de stad Utrecht en het klooster (Norbertijnerabdij) Marienweerd (foto) bij Beesd aan de Linge, de twee vroegste productiecentra van Middelnederlandse handschriften in de Noordelijke Nederlanden. Fictie als geschiedenis: tekstgeleding in de Lancelotcompilatie, het Delfts Getijdenboek (1480), en op “Lieripe en Hercules op de tweesprong”, een vrije bewerking van gedeelten van François Rabelais’ “Pantagruéline Prognostication”, waarvan de eerste editie in 1532 in Lyon verscheen. “Lieripe en Hercules op de tweesprong”, over de slapende Hercules die in een droomvisioen de gepersonifieerde Deugd en Wellust ziet verschijnen, werd in 1561 in Antwerpen, gedrukt door Cornelis van den Kerckhove.

Vervolgens bespreken Paul J. Smith, Elizabeth den Hartog, Dirk Geirnaert en Paul Hoftijzer, de Nederlandse humanist, rector, pedagoog en toneelschrijver Macropedius (1487-1558) (foto), een in zijn tijd beroemde auteur van schoolboeken, kluchten, Bijbelse toneelstukken en schoolzangen, gevolgd door een duiding van de teksten op Utrechts waltorens en bolwerken, en “Een filologische kijk op “Portret van de eend Sijctghen” van Aelbert Cuyp” in het Dordrechts Museum. De eend Sijctghen (foto) legde jaarlijks wel honderd eieren, maar daar werd ze nogal moe van. Haar eigenaar was weliswaar zo trots dat hij aan de beroemde schilder Albert Cuyp vroeg zijn eend te vereeuwigen. Sijctghen werd geschilderd toen ze al twintig jaar oud was.
“Ick ben gebroet te wercken.dam
k’was jonck en goet. doen ick hier quam
in voogelen borch, sonder te paeren
heb ick geleeft, wel twintich jaren
wel hondert eijers tsjaers geleijt
daerom ben ick geconterfeijt
gebroocken beennen, tooch wt geneesen
gesondt en bont is noch mijn weesen
en als ick sijctghen steruen sal
soo schrijft hoe out,
en tjaer getal 1647”
In “Troost en raad in de Middelnederlandse Melibeus. Prudentia als persoonlijk adviseur” van het derde hoofdstuk, “De tekst primair”, heeft Geert Warnar het over “Melibeus, Het Boec van Troeste ende van Rade” (1342), een allegorisch gedicht, verdeeld in 59 kapittels, dat een tweespraak vormt tussen Melibeus en zijn vrouw Prudentia. “Melibeus” werd in Antwerpen geschreven door een lid van de Antwerpse School, mogelijk Jan van Boendale. Het was een vertaling van het Latijns troostboek Liber “Consolationis et Consilii” (1246) van de Italiaanse jurist, Albertanus van Brescia. De Latijnse prozatekst werd omgezet naar een berijmde Middelnederlandse versie. “The Tale of Melibeus” is overigens één van de 24 verhalen in “The Canterbury Tales” van Geoffrey Chaucer.
In “Boekhouden voor de hemelpoort”, bespreekt Robert Stein de vertaling van de “Somme le roi” door Jan van Brederode, één van de overgeleverde, Dietsche vertalingen. Het handschrift van “Des Coninx Summe”, in 1487 gekopieerd door Jan Symonsz, een lekenbroeder in het kartuizerklooster Nieuwlicht, is een van de Middelnederlandse vertalingen van “La Somme du Roy”, een moraliserende tekst die aan het einde van de 13de eeuw werd geschreven voor de kinderen van de Franse koning Filips III de Stoute (Philippe le Hardi) (foto), gemaakt tussen 1402 en 1409, door Jan van Brederode (ca. 1372-1415). Toegevoegd aan het handschrift zijn een aantal devote teksten, waaronder ‘Vijftien goede punten’ van de franciscaanse redenaar Johannes Brugman (ca. 1400-1473), bekend van de uitdrukking ‘Praten als Brugman’.

Andere thema’s die in dit hoofdstuk door Ludo Jongen, Jeanne Verbij-Schillings, Dieuwke van der Poel, Lieke Smits, Edwin de Vette en Bart Ramakers worden besproken zijn “Strafwonderen in heiligenlevens” (over de heilge Amelberga, de Ierse abt Sint Brandaan, Sint Servaas en de heilige Corbianus), “Een literaire pelgrimstocht” (over pelgrimages, bedevaarten en heilgdomsvaarten), “De ‘liedjes om te lezen’ van Berta Jacobs”, de Nederlandse kluizenares en dichteres, die als “Suster Bertken”, 57 jaar lang ingekluisd zat in de Utrechtse Buurkerk en die tussen 1457 en 1514, verschillende werken schreef, waaronder een passieboekje en een achttal religieuze liederen, “Dramatische ironie in een religieuze allegorie, “Der Sarachenen apostel in Der ix quaesten, Warachtighe historien Als van Jeroboan, Achab, Joram, ioden. Caym, Nero, Pylatus, heiden […], kerstenen, die alle een onsalich eynde hadden” uit 1528, gedrukt door Jan van Doesborch, en “Daer isser een, siet!’ Kijken (en luisteren) naar een tafelspel”.

In het vierde en laatste hoofdstuk, “Teksten door de tijd”, hebben Frank van Meurs en Theo Meder het in “Van Dirc Potter naar Tröckener Kecks”, eerst over het thema van de “Bocca della Verità in Der minnen loep” (1411-1412) en over een Middelnederlandse anekdote over de Bocca della Verità, (“De Mond der Waarheid”), een beroemde gebeeldhouwde afbeelding van een menselijk hoofd (mascaron) bij de Piazza Bocca della Verità in Rome. Hierna vervolgt Olga van Marion met “Lucretia van Merkens nieuwe toneelheldinnen”. Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) (foto) was een Nederlandse dichteres en toneelschrijfster van Frans-classicistische treurspelen en van het bekend, troostend leerdicht “Het Nut der Tegenspoeden” (1762)). 


De bijdrage van Olga van Marion wordt gevolgd door de tekst, “Ik ga myn’ pligt voldoen, Corporatieve ideologie en burgerschap in een Indische Verlichtingstragedie” van Tim Vergeer en door “Imperiale socialite, selfmade woman, powervrouw. De dubbeltijdigheid van Maria van Aelst” van Petra Boudewijn. Maria van Aelst (1607-1674) was een Nederlandse handelares, die samen met haar derde man, gouverneur-generaal Antonio van Diemen (samen op de foto), als één van de eerste, Europese vrouwen een belangrijke rol speelde in de handel in Oost-Azië, met name in Nederlands-Indië. Rick Honings en Thijs Porck besluiten met “Gruwelen met Moeder de Gans. Het sprookjesboek van de jonge Nicolaas Beets” (foto) en met “De Beowulf binnen de Romantiek van de Lage Landen. Mediëvisme en moderne adaptaties van historische literatuur”. De handige personenindex vervolledigt deze uiterst interessante en verrijkende uitgave. Niet te missen!
Wim van Anrooij (1957), emeritus-hoogleraar Nederlandse literatuur tot aan de Romantiek (Universiteit Leiden), publiceerde onder meer over middeleeuwse historiografie (herautenpoëzie, de Haarlemse gravenportretten, de traditie van de Negen Besten, de Kattendijke-kroniek en het Berghse kroniekenhandschrift), verzamelhandschriften, spreuken, vakgeschiedenis en de tekst- en beeldtraditie rond de “Mond der Waarheid”, een populaire bezienswaardigheid in Rome. Met Paul Hoftijzer stelde hij twee boeken samen over de Bibliotheca Thysiana te Leiden, waarvan hij jarenlang curator was.



Trouw aan de tekst Historische letterkunde in de praktijk 293 bladz. geïllustreerd uitg. Verloren ISBN 9789464551341