“Tarquinio Merula, Concerti spirituali” door InAlto, Lambert Colson en Bernard Foccroulle op het label Ricercar.

Tarquinio Merula (1594/1595-1665) behoorde tot de generatie Italiaanse componisten, geboren rond 1600. Hij was bekend als een viool- en orgelvirtuoos en publiceerde een breed scala aan instrumentale en religieuze muziek, “per la chiesa e la camera”. Het ensemble “In Alto” verkent op hun cd Merula’s 20 religieuze werken, waaronder het opvallend wiegeliedje, “Hor che è tempo di dormire”. De stijl van Merula was innovatief en hoewel sacraal van karakter, waren zijn hier opgenomen werken, geworteld in diep menselijke emoties.

Met de ontwikkeling van de monodie in Italië rond 1600, raakten eerst vocalisten de harten van het publiek, maar al snel volgden de instrumentalisten met hun retoriek en emotionaliteit zonder woorden. Rond 1600, toen de opera in Italië werd uitgevonden, schitterde Venetië bv. met de werken van Giovanni Gabrieli in de basiliek van San Marco. Als een gedurfde samensmelting van Vlaamse en Italiaanse stijlen, vormde deze muziek een corpus van virtuoze stukken waarin stemmen wedijverden met cornetten en trombones, om een polyfonie van zeldzame schoonheid.

Sedert de publicatie in 1584, van “II vero modo di diminuir con le tutte le sorte di stromenti” (over versiering, augmentatie en diminutie), door de cornetspeler, Girolamo Dalla Casa, ontwikkelde de instrumentale muziek zich in de Italiaanse steden. Historische instrumenten als tiorba, chittarone, lirone, cornetto mutto, viola da bracchio, arciliuto en regaal zorgden voor een heel oorspronkelijk klank. Monteverdi was een meester op het gebied van de instrumentale muziek.

Florentijnse recitatiefstijl, de basso continuo om in madrigalen de tekst te accentueren en emotionele inhoud te geven, het aanwenden van decoratieve, instrumentale muziek in de dubbelkorige, godsdienstige muziekpraktijk met de introductie van tremolo en pizzicato als stile concitato, de antithese van prima en seconda prattica, portamento, het waren maar enkele van de stijlkenmerken van de muziek van Monteverdi, die verder uitgewerkt werden door zijn volgelingen. In Mantua en later in Venetië verzamelden zich rond Monteverdi, naast Salomone Rossi, Biagio Marini, Dario Castello, Francesco Cavalli, Alessandro Grandi, Tarquinio Merula of Sigismondo d’India. Zij werkten in Padua, Parma, Modena, Venetië, Ferrara, Milaan, Bologna, Mantua, Bergamo en Brescia, en werkten de canzone, ricercar en fantasia uit tot de monothematische Triosonate, Sonata da chiesa en Sonata da camera met continuo.

De canzone was ten tijde van de troubadours en later, een één- of meerstemmig lied (vergelijk met het Frans chanson), meestal een liefdeslied. Na 1530 werd de canzone verdrongen door het madrigaal en de canzonetta. Instrumentaal kwam de canzona voor het eerst voor tegen het begin van de 16de eeuw (canzona da sonar), aanvankelijk als naam voor orgeltranscripties, later weliswaar ook voor andere instrumentale navolgingen van Franse chansons. Bij Giovanni Gabrieli werd de canzona voor het eerst gefigureerd. Het belangrijkste verschil met het ricercare en de fantasie was de wat lichtere thematiek en de driedelige indeling. De Italiaanse componist, organist, luitist en klavecinist uit het begin van de barok, Giovanni Picchi (1571/72-1643) (foto) had in zijn 19 “Canzoni da sonar con ogni sorte d’istromenti” (Venetië 1625), invloed op de ontwikkeling en differentiatie van instrumentale vormen, zoals de sonate en de canzona. Uit de canzona da sonar is later de sonate ontstaan.

Tarquino Merula (foto) was eerst organist van de kerk van San Bartolomeo in Bussetto (Cremona), was daarna van 1616 tot 1621, organist van Santa Maria Incoronata (foto) in Lodi, waarna hij organist werd aan het hof van Sigismund III van Polen (foto) in Warschau. In 1627, werd hij voor een periode van vier jaar, “maestro di capella” aan de Dom (foto) van Cremona (foto). Vervolgens verhuisde hij naar Bergamo om er aan de basiliek van Santa Maria Maggiore, een soortgelijke functie te bekleden als opvolger van de overleden Alessandro Grandi (1590-1630).

In Bergamo kwam hij echter in opspraak door onfatsoenlijk gedrag met een aantal van zijn leerlingen. Hij koos er dan maar voor om terug te keren naar Cremona, waarna hij gefrustreerd terugkeerde naar Bergamo, waar hij dit keer bij een andere kerk aan de slag kon. In 1646, ging hij opnieuw terug naar Cremona, waar hij “maestro di cappella” (koorleider) werd van de Laudi della Madonna, een muziekinstelling gewijd aan Maria, die op zaterdag en tijdens de vooravonden van Mariafeesten in de kathedraal zong. De uitvoerders (InAlto) zijn Alice Foccroulle, sopraan, Marie Rouquié, viool, Lambert Colson, cornet, Guy Hanssen en Bart Vroomen, trombone, Christoph Sommer, theorbe en Bernard Foccroulle, orgel.

Lambert Colson (foto) begon zijn muzikale studies aan het Conservatoire National de Région in Aubervilliers-La Courneuve en kreeg daar blokfluitles van Francoise Defours. Aan de Escola Superior de Musica de Catalunya in Barcelona, studeerde hij bij Pedro Memelsdorff en specialiseerde zich in het repertoire van voor 1600. Hij vervolgde zijn studies aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar hij blokfluit studeerde bij Bart Coen en cornetto aan de Basler Hochschule für musik bij Bruce Dickey. Hij studeerde ook aan de Hochschule für Künste in Bremen, en werkte samen met prestigieuze ensembles en topdirigenten als Les Talens lyriques (Christophe Rousset), Le Parlement de Musique (Martin Gester), Scherzi Musicali (Nicolas Achten), Les Paladins (Jérôme Correas), L’Echelle en Oltremontano. Hij is stichtend lid van het ensemble Flos Ortus (finalist van IYAP 2006) en treedt regelmatig op met het blokfluitconsort B-FIVE. Als musicus en onderzoeker heeft hij bijgedragen aan tijdschriften, waaronder, “La pensée de midi” (Editions Actes Sud), en is hij betrokken bij de Fondation Royaumont, nabij Asnières-sur-Oise in Val-d’Oise, waar hij lesgeeft over lutherse muziek in het Heilig Roomse Rijk en assistent is van de Libanese componist, Zad Moultaka (1967).

De Belgische organist, componist en operadirecteur, Bernard Foccroulle (1953), studeerde orgel aan het Koninklijk Conservatorium van Luik, onder de leiding van Hubert Schoonbroodt. Hij studeerde verder bij Xavier Darasse, Bernard Lagacé en Gustav Leonhardt. Op het Festival van Royan voor hedendaagse kunst in 1974 begon zijn internationale carrière. Hij vestigde zijn naam zowel door het uitvoeren van barokmuziek (meer bepaald werk van Johann Sebastian Bach) als van hedendaagse muziek. Ondertussen werd hij ook voorzitter van Jeugd en Muziek en docent muziekanalyse aan het Koninklijk Conservatorium van Luik. Hij componeerde talrijke stukken voor orgel, viola da gamba en kamerorkest.

In januari 1992 volgde hij Gerard Mortier op als directeur van de Koninklijke Muntschouwburg. De opvolging was een uitdaging, want Mortier had van de ‘Munt’ een van de grote Europese operahuizen gemaakt. Volgens de algemene beoordeling slaagde Foccroulle hierin voortreffelijk. In 2007 werd hij opgevolgd door Peter De Caluwe. Hij nam vervolgens de leiding van het ‘Festival international d’art lyrique’ in Aix-en-Provence. Foccroulle heeft een rijke collectie aan uitvoeringen geproduceerd, met onder meer het integrale oeuvre voor orgel van Johann Sebastian Bach en Dietrich Buxtehude. Hij heeft opnamen gewijd aan de fugakunst.

Tracklist:

  1. Composizioni per Organo en Cembalo: Intonazione cromatica del terzo tono
  2. Canzoni a quattro voci, Op. 1: nr. 2, La Lusignuola
  3. Canzonetta Spirituale sopra alla nanna: Hor ch’è tempo di dormire
  4. Intonazione cromatica del quarto tono
  5. Canzoni da suonare, Op. 17: nr. 18, La Cavagliera
  6. Composities voor organo en cembalo: Canzon II in C
  7. Canzonetta Spirituale: Chi vuol ch’io m’innamori
  8. Composizioni per Organo en Cembalo: Capriccio cromatico
  9. Canzoni overo sonateconcert, Op. 12: nr. 24, Ballo detto Pollicio
  10. Motetti e sonateconcertati, Op. 6: Sonate prima à 2
  11. Composizioni per Organo en Cembalo: Toccata del secondo tono
  12. Motetti e sonateconcertati, Op. 6: Sonate tweede à 2
  13. Composizioni per Organo en Cembalo: Canzon “La Marca”
  14. Pegaso, op. 11: Gaudeamus omnes in Domino
  15. Canzoni a quattro voci, Op. 1: nr. 4, La Merula
  16. Composizioni per Organo en Cembalo: Intonazione cromatica del nono tono
  17. Composizioni per Organo en Cembalo: Canzon V in G
  18. Canzoni overo sonateconcert, Op. 12: nr. 4, La Treccha
  19. Composizioni per Organo en Cembalo: Capriccio
  20. Motetti e sonateconcertati, Op. 6: Favus distillans

Tarquinio Merula Concerti spirituali InAlto Lambert Colson Bernard Foccroulle cd Ricercar RIC474