“Mozart, 6 String Quintets on Historical Instruments”, een authentieke uitvoering door Spunicunifait. Niet te missen!

De leden van Spunicunifait zijn kamermusici, solisten en orkestmusici met een passie voor de historische uitvoeringspraktijk. Deze 5 internationaal gerenommeerde musici wijdden zich met grote passie en historische expertise aan 6 meesterwerken van Mozart. Met deze opname nodigt Spunicunifait u nl. uit om Mozarts strijkkwintetten te (her)ontdekken. Door hun levendigheid, humor, diepgang en menselijkheid, waren Mozarts meesterlijke strijkkwintetten trouwens de reden dat de 5 musici samen een ensemble vormden. Ze bedachten echter voor hun ensemble een wel heel ongebruikelijke naam… 

Een strijkkwintet kan bestaan uit twee violen, een altviool en twee celli, twee violen, twee altviolen en een cello, of twee violen, een altviool, een cello en een contrabas. De bezetting van twee violen, twee altviolen en één cello, is in de meeste gevallen de standaard. Voor die bezetting componeerde bv. Boccherini twaalf van zijn 142 kwintetten, Mozart zes, Louis Spohr zeven, Beethoven, Bruckner en Max Bruch ieder elk één, en Mendelssohn en Brahms, elk twee. Joseph Haydn, die wel 68 strijkkwartetten componeerde, componeerde daarentegen geen enkel strijkkwintet.

De Franse componist George Onslow (1784-1853) (foto), “de Franse Beethoven”, componeerde na Boccherini het grootst aantal strijkkwintetten, nl. 34, waarvan 25 met een tweede cello, vijf met een tweede altviool en vier met een contrabas. Schuberts meesterlijk Strijkkwintet in C (D 956, op. postuum 163) uit 1828, lijkt trouwens geïnspireerd te zijn door het Strijkkwintet nr. 3 KV 515 van Mozart, het Strijkwintet op. 29 van Beethoven en door de strijkkwintetten van George Onslow. Op zijn beurt inspireerde Schuberts Kwintet, Brahms bij het componeren van zijn Pianokwintet op. 34. De derde beweging (Scherzo: Allegro) van Brahms eindigt bv. bijna identiek als Schuberts vierde beweging (Allegretto).

In 1787, het jaar dat eindigde met de première van zijn “Don Giovanni”. domineerden de Strijkkwintetten K515 en K516 het instrumentaal oeuvre van Mozart. Ze toonden een componist op het toppunt van zijn creatieve krachten in een genre waarnaar hij veertien jaar niet was teruggekeerd en dat hij nu tot een hoge mate van perfectie bracht. De zes strijkkwintetten van Mozart, vooral de laatste vier (K 515, K 516, K 593 en K 614), worden dan ook vaak genoemd als de beste voorbeelden van zijn kamermuziek. Mozart componeerde kort na de voltooiing van een reeks strijkkwartetten trouwens altijd een strijkkwintet, alsof de bezetting van een strijkkwintet, een meer ideale en definitieve realisatie was van zijn muzikale gedachten en vindingrijkheid.

Het ging bij Mozart echt niet om strijkkwartetten met een extra, vijfde partij. Zelfs zijn eerste Strijkkwintet K174 uit 1773, gecomponeerd enkele maanden na zijn eerste Weense Strijkkwartetten K. 168-173, had reeds een opvallende complexiteit. In functie van de vijf partijen, voorzag Mozart zijn kwintetten van een boeiende, grote verscheidenheid en sonore rijkdom  aan texturen en combinaties, bv. dialogen tussen twee instrumenten met driedelige begeleiding van de drie andere, de afwisseling van twee strijktrio’s (twee violen en altviool of twee altviolen en cello), of viool- en altvioolduetten, begeleid door de cello. Maar, wat schuilt er achter de raadselachtige naam “Spunicunifait”? Iedereen die Mozarts brieven kent, komt herhaaldelijk scabreuze woorden en neologismen tegen die sprankelen van verbeelding, humor en soms zelfs onzin. “Spunicunifait” is een van die verzonnen woorden die Mozart schreef, gericht aan zijn “Bäsle”, een uitdrukking waarvan nog niemand de eigenlijke betekenis heeft kunnen achterhalen.

In oktober 1777, ontmoette de 20-jarige Mozart in Augsburg, nl. zijn nichtje, Maria Anna Thekla (1758-1841) (foto), de derde en enige overlevende van de vijf dochters van Maria Viktoria Eschenbach en Franz Alois Mozart, een jongere broer van Leopold Mozart, de vader van de componist. Mozart noemde zijn nicht ‘Bäsle’ en begon haar brieven te schrijven, waarvan er negen bewaard zijn gebleven. Ze zijn de geschiedenis ingegaan als ‘de Bäsle-brieven’.

Speciaal voor Bäsle verzon Mozart een nieuw, curieus woord. Hij wilde nl. regelmatig van haar weten of ze de ‘spuni cuni fait’ nog had? De bijzondere naam “Spunicunifait” komt uit een brief die Mozart op 5 november 1777 vanuit Mannheim schreef aan zijn “Allereliebstes bäsle häsle!” Spuni betekent “gesponnen” of “geweven”, Cuni, “konijn” en fait, “gemaakt”, iets geweven van konijnenbont dus, misschien de sjaal van konijnenhaar, die Bäsle draagt op een met potlood getekend zelfportret (foto). Bäsle is trouwens het verkleinwoord van Base, een verouderd woord voor Nichte of Cousine en Häsle is het verkleinwoord van Hase. Lees voor de gelegenheid de roman, “Het Nichtje van Mozart” van Willem G. van Maanen (1920-2012) (Querido, 1983).

De zes strijkkwintetten (van K. 174 tot K. 614) behoren tot de grootste en meest veelzijdige kamermuziekwerken die Mozart ooit componeerde. De bezetting voor twee violen, twee altviolen en een cello opende nieuwe mogelijkheden voor expressie en dialoog. De drie middenstemmen stelden hem nl. in staat om zijn dramatische operastijl en de complexiteit ervan over te brengen naar dramatisch (acterend) samenspel in zijn kamermuziek. De kwintetten weerspiegelden Mozarts ontwikkeling van Salzburgs wonderkind tot een volwassen, Weense meester, van jeugdig experiment tot compositorische diepgang en formele vernieuwing. Ze waren uniek in hun expressieve diversiteit, hun klankkleurenpalet en hun artisticiteit in motivisch werk, maar bleven vaak in de schaduw van zijn bekendere strijkkwartetten. De opname weerspiegelt het volledig spectrum van Mozarts expressiviteit en onvergelijkbaar meesterschap, van zijn beginjaren in Salzburg tot zijn laatste levensjaar, van K. 174, toen zijn talent al volledig ontwikkeld was, tot de vier latere kwintetten, die nieuwe muzikale richtingen demonstreerden. De kwintetten tonen duidelijke verwijzingen naar Mozarts opera’s en vertegenwoordigden de blijvende vitaliteit van een componist die zijn ideeën over stijl en expressie voortdurend heroverwoog en optimaal ontwikkelde.

Bijzonder aan deze opname is de dubbele opname van de laatste beweging van Mozarts eerste strijkkwintet, KV 174, gecomponeerd voor 2 violen, 2 altviolen en “basso”, naar het voorbeeld van de gelijkaardige bezetting van 2 strijkkwintetten van Michaël Haydn. Mozarts KV 174 bestaat nl. in twee versies, de eerste uit het voorjaar van 1773, de tweede uit december. Met beide versies onthult Spunicunifait hoe Mozart zijn werk verder ontwikkelde en zocht naar de ideale vorm. Zo biedt de opname een fascinerende inkijk in de muzikale geest van de jonge componist en kan u Mozarts muzikale diversiteit en ontwikkeling van dichtbij meemaken. Bij de opname wilde het ensemble trouwens Mozarts strijkkwintetten met evenveel respect behandelen als zijn strijkkwartetten. Vijf gelijkwaardige stemmen of partijen zorgen samen voor een doordachte, persoonlijke en levendige interpretatie op authentieke instrumenten, om de klank uit Mozarts tijd zo dicht mogelijk te benaderen en de essentie en betekenis van deze werken vast te leggen. Puttend uit de professionele ervaring van de 5 musici als kamermusici, solisten en orkestmusici, leidden hun kennis en inzicht tot deze verbluffende uitvoeringen.

De uitvoerders zijn Lorenza Borrani en Maia Cabeza, viool, Max Mandel en Simone von Rahden, altviool en Luise Buchberger, cello. Zij bespelen violen van Antonio Gragnani uit ca. 1750 en van André Mehler uit 2022, altviolen van Timothy Johnson uit 2014 en van Eduard Schwen uit 2013, en een cello van Giacomo Gavelli uit ca. 1720. Grandioos!

Mozart 6 String Quintets on Historical Instruments Spunicunifait 3 cd Alpha 1137