Rameau, “Castor et Pollux” (versie 1737) met o.a. Judith van Wanroij (Télaïra), Reinoud Van Mechelen (Castor) en Tassis Christoyannis (Pollux), het Purcell Choir en het Orfeo Orchestra o.l.v. György Vashegyi, op het label Alpha. Top!

Het onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van deze tragédie en musique, dat enkele jaren geleden begon en waarin ook de huidige kennis van de uitvoeringspraktijk in de Parijse Opera ten tijde van Rameau is verwerkt, werd aangevuld met intensief werk aan de partituur met de uitvoerders. De nieuwe opname van Rameau’s werk, die in deze context werd gepubliceerd, o.l.v. György Vashegyi, stond onder het beschermheerschap van het Centre de musique baroque de Versailles.

In 1672 verkreeg Jean-Baptiste Lully (1632-1687) (foto) van Louis XIV, het Privilege van de Académie Royale de Musique. Een jaar later componeerde hij zijn eerste Tragédie lyrique, “Cadmus et Hermione”, wat een overweldigend succes was. Een Tragédie lyrique of Tragédie mise en musique, was het belangrijkste operagenre aan het Franse hof van de 17de – en 18de eeuw. Het genre werd door Lully ontwikkeld uit elementen van de Franse tragedie, het komedieballet, het ballet de cour en de Italiaanse opera, en werd later stilistisch voortgezet door Rameau.

Jean-Philippe Rameau (1683-1764) (foto) was weliswaar een organist en een belangrijke theoreticus, maar hij was in de eerste plaats toch een operacomponist. De laatste jaren van zijn leven stonden daarenboven in het teken van de uitdrukkingsmogelijkheden van de instrumentale muziek, o.a. door zijn samenwerking met de danstheoreticus, librettist en encyclopedist, Louis de Cahusac.

Als Rameau pas in het tweede deel van zijn leven zijn talent voor het componeren van theatermuziek etaleerde (hij componeerde zijn eerste opera “L’Endriague” pas in 1723, toen hij al 40 was), dan tilde hij met “Les Indes Galantes”, in 1753, het opera-balletgenre naar ongekende hoogten. André Campra (foto) had in 1697, met zijn “L’Europe galante” op een libretto van Antoine Houdar de La Motte, het genre geïntroduceerd. Rameau componeerde een werk in vier entrées of divertimento’s, die de toeschouwer meenamen naar Perzië (“Les Fleurs”), Peruaanse Inca’s (“Les Incas du Pérou”), naar Turkije (“Le Turc généreux”) en zelfs naar Amerikaanse inboorlingen (“Les Sauvages”), een spektakel met een overvloed aan decors en machines, maar bovenal met opmerkelijk aanstekelijke dansmuziek. Zijn “Ballet héroïque en un prologue et trois actes”, “Les Indes galantes”, op een libretto van Louis Fuzelier (1672/1674-1752) (foto), ging in 1735, twee jaar na zijn eerste tragédie en musique, “Hippolyte en Aricie”, in de Académie royale de musique, in première.

Als meester van de 18de-eeuwse Franse opera, componeerde Rameau drie decennia lang (1733-1764), voor het toneel. Zijn ongeveer dertig operawerken gaven veel ruimte aan de haute-contre, de kwintessens van de meeste van zijn titelrollen, Platée, Dardanus, Hippolyte of Pygmalion. Hij speelde in de jaren 1752-1753, met zijn “Lettre sur la musique française”, zelfs een belangrijke rol in de buffonistenstrijd (“Querelle des Bouffons”), de discussie over het gebruik van het Italiaans of het Frans in de opera.

Rameau’s favoriete zanger was Pierre de Jéliote (foto), waarschijnlijk de beste haute-contre (een hoge tenorstem), uit de muziekgeschiedenis. Rameau componeerde een enorme hoeveelheid muziek voor Jéliote. Als wezenlijk onderdeel van bv. “Hippolyte et Aricie”, “Les Fêtes d’Hébé”, “Platée”, “Castor et Pollux” en “Les Boréades”, componeerde hij speciaal  voor Jéliote, tal van aria’s

Pierre de Jéliotte (1713-1797) (foto), opgeleid als zanger in de maîtrise de Saint-Étienne in Toulouse, werd opgemerkt door Victor-Amédée Ier de Savoie, de prins van Carignan (foto), inspecteur-generaal van de opera. Hij maakte zijn debuut op het Concert Spirituel in Parijs in 1733, in “Hippolyte et Aricie”, de eerste Tragédie lyrique van Rameau, en nog hetzelfde jaar werd hij aangenomen aan de Académie royale de musique. In 1738 en de volgende jaren, creëerde Jéliotte veel belangrijke rollen in Rameau’s opera’s. Rameau componeerde nl. vanaf “Dardanus” (1739), zijn belangrijkste “airs de haute-contre”, speciaal voor hem. Pierre de Jéliotte (foto’s) was dan ook de belangrijkste partner van de zangeres, Marie Fel (1713-1794) (foto), in de meeste werken van Rameau.

In de hofkapel speelde hij viool en ten huize van Madame de Pompadour, in haar “Théâtre des Petits Appartements”, speelde Jéliotte cello. Hij ging in 1769 met de titel “Vétéran de la Musique du roi”, met pensioen en vestigde zich in Oloron, vandaag Oloron-Sainte-Marie (Pyrénées-Atlantiques/Nouvelle-Aquitaine). Jéliotte overleed in het nabij gelegen château Labat in Estos werd er begraven in de plaatselijke kerk.

Samen met het opéra-ballet”, Les Fêtes de Polymnie”, en de acte de ballet, “Les Fêtes de Ramire”, betekende “Le Temple de la Gloire” in 1745, het begin van Rameau’s tweede operacarrière. Na een eerste poging in 1733, tot samenwerking met Rameau rond het personage van “Samson” (uiteindelijk gecensureerd, verloren gegaan maar het muzikaal materiaal werd hergebruikt in zijn volgende opera’s), bood Voltaire (foto), Rameau een nieuwe tekst aan. Het werd uiteindelijk de prachtige, allegorische ballet opera “Le Temple de la Gloire”.

“Le Temple de la Gloire” was de enige opera op een libretto van Voltaire die in de loop van de 18de eeuw aan het hof in Versailles en vervolgens in de Opera van Parijs werd opgevoerd. Voltaire kreeg de opdracht om met zijn tekst de militaire overwinning van Louis XV in Fontenoy (1745) te vieren. De slag bij Fontenoy, tussen Doornik en Bergen, was een onderdeel van de Oostenrijkse Successieoorlog en van de Franse verovering der Zuidelijke Nederlanden. Rameau volgde met een groot orkest, waarvoor hij enkele van zijn meest originele en krachtigste stukken componeerde.

Rameau’s carrière liep ten einde toen in 1763, in de Académie Royale de Musique, de repetities begonnen van zijn laatste werk, “Les Boréades”, bedoeld voor de Fêtes Royales de Choisy, in juni van dat jaar, ter gelegenheid van het Verdrag of de Vrede van Parijs in 1763, het einde van de Zevenjarige Oorlog, de verzamelnaam van oorlogen gestreden tussen 1756 en 1763 in Europa en zijn koloniën. Op 27 april vonden de repetities plaats in Versailles, maar “Les Boréades” werd op het koninklijk festival niet opgevoerd. Het overlijden van de componist aan buiktyfus, in september 1764, verhinderde dat en deed zijn laatste lyrische tragedie twee eeuwen lang in de vergetelheid raken.

Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning Tyndareos, werd verleid door Zeus in de gedaante van een zwaan, maar sliep diezelfde nacht ook nog met Tyndareos. De zwaan legde twee eieren. Het ene bevatte Zeus’ kinderen, Polydeukes (Pollux) en Helena, het andere, Kastor (Castor) en Klytaimnestra, de kinderen van Tyndareos. Het verhaal van “Castor et Pollux” is als volgt. Ondanks dat ze tweelingbroers zijn, is Pollux onsterfelijk en is Castor sterfelijk. Ze zijn allebei verliefd op Télaïra, maar zij houdt alleen van Castor. De tweeling heeft een oorlog gevoerd tegen een vijandelijke koning, Lynceus (Lyncée), die is geëindigd in een ramp. De huwelijksvieringen werden nl. gewelddadig onderbroken door Lynceus en er brak een gevecht uit, waarbij Castor werd gedood en naar de Onderwereld werd gestuurd. De opera opende oorspronkelijk met zijn begrafenis.

Als Pollux, Jupiter ervan zou kunnen overtuigen zijn broer weer tot leven te wekken, beseft hij dat hij de kans om met Télaïra te trouwen zal verliezen. Uiteindelijk geeft hij toe aan haar smeekbeden en wanneer Jupiter afdaalt, smeekt Pollux hem om Castor weer tot leven te wekken. Jupiter antwoordt echter dat hij machteloos is om de wetten van het lot te veranderen. De enige manier om Castor te redden is als ook Pollux zijn plaats onder de doden zou innemen. Pollux – die beseft dat zijn liefde voor Telaira onbeantwoord zal blijven (in zijn aria “Nature, amour, qui partagez mon coeur”), en ondanks Phébé die hem probeert tegen te houden omdat ze op hem verliefd is – besluit zijn broer in de Onderwereld te bezoeken (derde akte), waarna Castor het land der levenden voor één dag kan bezoeken, zodat hij Telaira nog één keer kan zien. Nadat Jupiter als oplossing verklaart dat Castor en Pollux onsterfelijkheid kunnen delen, eindigt de opera met het “fête de l’univers”, waarin de sterren, planeten en de zon, de beslissing van de god vieren en de tweelingbroers in de dierenriem worden opgenomen als het sterrenbeeld Tweelingen.

“Castor et Pollux” op een libretto van Pierre-Joseph-Justin Bernard (1708-1775) (foto), bekend als Gentil-Bernard, werd voor het eerst opgevoerd in oktober 1737 door de Académie royale de musique in het Palais-Royal in Parijs. Bernard, die als  koninklijk bibliothecaris tot het entourage van Madame de Pompadour in het Château de Choisy (foto) behoorde, schreef ook de libretti voor de opera’s “Les surprises de l’Amour” (1748) en “Anacréon” (1757) van Rameau.

Voor de heropvoering van “Castor et Pollux” in 1754, maakte Rameau een substantieel nieuwe versie. Hij schrapte, bracht wijzigingen aan en voegde nieuw materiaal toe. De allegorische proloog bv., die het einde van de Poolse Successieoorlog (1733–1735) vierde, werd in de herziening van 1754 geschrapt. De proloog was nl. niet langer politiek relevant en de mode voor opera’s met een proloog was voorbij gestreefd. De opera begon niet langer met Castors begrafenis en Rameau creëerde een geheel nieuwe eerste akte die de achtergrond van het verhaal uitlegde. In de versie uit 1737 opende de eerste akte nl. met een grafscène waarin een Spartaans koor rouwde om de dood van Castor, die door Lynceus werd gedood. De derde en vierde akte werden in 1754, samengevoegd en het werk als geheel werd ingekort door een groot deel van de recitatieven te schrappen.

De tragédie en musique of tragédie lyrique, “Castor et Pollux”, bestaande uit een proloog (in de oorspronkelijke versie) en 5 akten, Rameau’s derde opera en zijn tweede in de vorm van de tragédie en musique, (de eerste was “Hippolyte et Aricie” (1733)), bevat tal van aria’s waarin de zangers hun capaciteiten ten volle kunnen ontplooien, “Tristes apprêts” voor Télaïre, “Nature, Amour” voor Pollux, “Séjour de l’éternelle paix” voor Castor en “Soulevons tous les dieux” voor Phébé. In deze nieuwe opname schitteren Judith Van Wanroij, Reinoud Van Mechelen, Tassis Christoyannis en Véronique Gens als solisten, net als het Purcell koor en het Orfeo orkest.

Györgi Vashegyi (1970) speelde aanvankelijk viool, blokfluit, hobo en klavecimbel. Op 18-jarige leeftijd studeerde hij directie bij Ervin Lukács aan de Franz Liszt Academie in Boedapest, waar hij in 1993 cum laude afstudeerde. Hij volgde masterclasses bij John Eliot Gardiner en Helmuth Rilling, en studeerde continuo bij John Toll in Dresden en kamermuziek bij Jaap ter Linden en Simon Standage. Als continuo speler speelde hij bij het Franz Liszt Chamber Orchestra en Concerto Armonico. In 1990 richtte Vashegyi in Boedapest het Purcell Choir op en een jaar later het Orfeo Orchestra. Tijdens concerten in Boedapest dirigeerde hij belangrijke werken uit de 17de-en 18de eeuw, die tot dan toe nog niet in Hongarije waren uitgevoerd. Tegelijkertijd pleitte hij voor onderzoek naar en uitvoering van werken van Hongaarse componisten uit de 18de eeuw.

Vashegyi werkt voornamelijk met zijn eigen ensemble, maar is ook gastdirigent van diverse oude muziekensembles zoals Concerto Armonico, Capella Savaria en Musica Aeterna en (moderne) symfonie- en kamerorkesten. Vashegyi dirigeert sinds 2001 regelmatig ook in de Hongaarse Staatsopera. Hij dirigeerde in 2004 het Praags Kamerorkest op het Mozartfestival in Würzburg en het Rheingau Muziekfestival in Kloster Eberbach. Vashegyi is sinds 1992 professor continuo aan de Franz Liszt Academie. Tussen 1995 en 1997 doceerde hij ook aan het Instituut voor Musicologie aan de Universiteit van Boedapest. In 2008 ontving Vashegyi de Liszt-prijs in Hongarije en in 2015 ontving hij het Kruis van Verdienste van de Hongaarse Ridderorde. In 2017 werd György Vashegyi verkozen tot voorzitter van de Hongaarse Academie voor Kunsten (MMA, Magyar Művészeti Akadémia), die in 1992 werd opgericht.

Rolverdeling:

Judith van Wanroij (Télaïre)

Véronique Gens (Phébé)

Reinoud van Mechelen (Castor)

Tassis Christoyannis (Pollux)

Olivia Doray (Minerve, une constellation)

Hasnaa Bennani (Vénus, une suivante d’Hébé, une ombre heureuse)

Jehanne Amzal, (L’Amour, un plaisir Céleste, une autre ombre heureuse)

David Witczak, (Mars, deuxième athlète, Jupiter)

Attila Varga Tóth (premier athlète, le grand-prêtre de Jupiter))

Rameau Castor en Pollux (version 1737) Judith van Wanroij Veronique Gens Reinoud Van Mechelen Tassis Christoyannis Olivia Doray Hasnaa Bennani Jehanne Amzal David Witczak Attila Varga Tóth Purcell Choir Orfeo Orchestra György Vashegyi Alpha Classics 2 cd’s ALPHA1148