


Georg Friedrich Händel en Johann Adolph Hasse waren twee componisten, die onder meer succesvol waren dankzij hun samenwerking met beroemde zangers en zangeressen. Op deze cd ontdekt u technisch veeleisende aria’s uit de opera’s, “Ariodante”, “Alessandro”, “Tolomeo” en “Alcina” van Händel en uit “Arminio”, “Tito Vespasiano” en “Cleofide” van Hasse, speciaal gecomponeerd voor de toenmalige diva, Faustina Bordoni (de echtgenote van Hasse) en voor de castraat, Giovanni Carestini. Spectaculair!

De 18de eeuw stond omzeggens volledig in het teken van de vocale uitmuntendheid van grote zangers, zowel mannelijk als vrouwelijk, van sopranen als Bordoni en Cuzzoni, tot castraten als Farinelli en Carestini. Zij waren als het ware de alter ego’s van ‘hun’ componisten, met wie vaak een vrijwel symbiotische relatie bestond. Naast hun absolute virtuositeit, weet dat de aria’s uit de barokperiode tot de moeilijkste en meest virtuoze in het operarepertoire behoren, fascineerden deze soms bijna mythische figuren door hun volume, razende vocalises en fenomenaal cantabile. Hoewel het bereik van hun stem gedurende hun carrière veranderde, waren ze de absolute heersers van de operapodia. Het publiek aanbad hen als goden, hun honoraria joegen menig huis naar de ondergang en hun vocale artisticiteit was zo spectaculair, dat zelfs vandaag, nu hun stemmen al lang verdwenen zijn, er nog steeds met bewondering over hen wordt gesproken. Meer nog, de grote vocale virtuozen van de barok herleven vandaag in de vele uitvoeringen en opnames van de muziek, die grote componisten speciaal voor hen componeerden.
Johann Adolf Hasse werd in 1699 in de buurt van Hamburg geboren, studeerde in Italië en was actief in muzikale centra als Napels, Wenen, Dresden en Venetië, waar hij “Serpentes ignei in deserto” componeerde. Zijn grootvader was organist in Lübeck en zijn overgrootvader was Peter Hasse ‘de Oude’, een leerling van Jan Pieterszoon Sweelinck in Amsterdam. Zijn eerste muziekonderricht ontving hij van zijn vader. Zijn muzikale loopbaan begon Hasse als tenor, eerst bij de Theater am Gänsemarkt in Hamburg. Daar voerde Reinhard Keiser de scepter en werd voornamelijk Duits repertoire uitgevoerd. Vervolgens trok Hasse naar Brunswijk, waar zijn eerste opera “Antioco” in het hoftheater werd opgevoerd (1721).
In 1722 ging hij naar Napels om verder te studeren bij Nicola Porpora en Alessandro Scarlatti. Vanaf 1727 werkte hij in Venetië aan het Conservatorio degli Incurabili, een opvangtehuis voor jonge meisjes, die er muziekonderricht kregen. Hasse was van 1735 tot 1764, ‘Ober-Hofkapellmeister’ van de keurvorst, Friedrich August II van Saksen (foto) in Dresden (Saksen), het Firenze aan de Elbe. Hij vestigde zich in 1764 in Wenen en werd er de lievelingscomponist van keizerin Maria Theresia. Hasse overleed in 1783 in Venetië.
De andere Duitse grootheid van de opera seria was Georg Friedrich Händel (foto), die weliswaar het grootste deel van zijn leven in Londen doorbracht en zelfs de Engelse nationaliteit aannam. Net als Hasse studeerde Händel aan de Hamburgse Opera, waar hij in 1705, op 19-jarige leeftijd zijn eerste opera, “Almira” componeerde
In 1710 werd Händel door bemiddeling van Ernst August II van Brunswijk-Lüneburg (foto), de jongste broer van de latere, Engelse koning George I, hofkapelmeester in Hannover. Aan het eind van dat jaar reisde hij voor de eerste keer naar Londen. Daar werd zijn voor Londen inderhaast gecomponeerde opera “Rinaldo”, meteen een succes. Met “Rinaldo” voor “Queen’s Theatre” had Handel danig succes, dat hij besloot van Hannover naar Londen te verhuizen. De keurvorst van Hannover werd immers koning van Engeland. Tussen 1712 en 1741 componeerde Handel daar jaarlijks één tot drie opera’s. In 1719 werd Händel benoemd tot muziekdirecteur van de Royal Academy of Music, een bedrijf onder koninklijk handvest, om Italiaanse opera’s in Londen te produceren. Händel zou niet alleen opera’s voor het gezelschap componeren, maar ook de sterzangers inhuren, het orkest en de muzikanten begeleiden en opera’s uit Italië aanpassen voor Londense uitvoeringen. Binnen een jaar, 1724-1725, componeerde hij voor de Royal Academy of Music, drie grote opera’s na elkaar, “Giulio Cesare”, “Tamerlano” en “Rodelinda”, elk met de castraat Senesino en Francesca Cuzzoni als de sterren.
Het debuut van Faustina Bordoni (1697-1781) (foto) in Londen, als Rossane in Händels “Alessandro”, was in mei 1726, naast Senesino en Cuzzoni. Gedurende de volgende twee seizoenen creëerde ze nog vier Händelrollen: Alceste in “Admeto” en Pulcheria in “Riccardo Primo” (beide 1727), en Emira in “Siroe” en Elisa in “Tolomeo” (1728). Ze zong ook in een heropvoering van “Radamisto” en in opera’s van Ariosti en Giovanni Bononcini. Tijdens een uitvoering van diens “Astianatte” op 6 juni 1727, brak er in het King’s Theatre, Haymarket, tussen haar volgelingen en die van haar ‘rivale’ Cuzzoni, een rel uit in het publiek, waarna Faustina Londen verliet.
In tegenstelling tot Cuzzoni, keerde ze nooit naar Engeland terug. In de jaren 1728-1732, was ze opnieuw veelvuldig te zien op de podia van grote Italiaanse steden, met name Venetië. In 1730, trouwde ze met Johann Adolf Hasse en het jaar daarop werd het paar ontboden aan het hof van Augustus de Sterke in Dresden, waar Faustina veel succes had met de opera “Cleofide” van haar man.
Hasse bleef meer dan 30 jaar aan het Saksische hof, en zijn vrouw zong in minstens 15 van de opera’s die hij componeerde tussen “Caio Fabricio” in 1734 en “Ciro Riconosciuto” (1751). Faustina (foto) maakte lange reizen naar Italië en trad o.a. opnieuw op in Napels, Venetië en Parma in opera’s van Pergolesi, Porpora en Vinci, naast die van haar man. Hoewel ze zich in 1751 terugtrok uit het theater, behield Faustina haar salaris en de titel van “virtuosa da camera” tot het overlijden van Augustus’ opvolger, Frederik Augustus II in 1763. Zij en haar man verhuisden naar Wenen, waar de 13-jarige Mozart hen een bezoek bracht. In 1773, vestigden ze zich in Venetië. Ze kregen twee dochters, die beiden opgeleid werden tot zangeressen.
De carrière van Giovanni Carestini (1700-1759) (foto) begon in 1719 in Milaan, waar hij destijds werd gesponsord door de familie Cusani (vandaar de alternatieve naam Cusanino). Hij zong voor Alessandro Scarlatti in Rome in 1721. De omvang van zijn ontluikende carrière begon zich snel uit te breiden. Hij was in 1723 aan het Weense hof en volgde dit op met optredens in Napels, Venetië en Rome, waar hij zong in opera’s van Hasse, Leonardo Vinci en Nicola Porpora. Hij creëerde de rol van Arbace in Vinci en Metastasio’s Artaserse, die bekendstaat om zijn moeilijke en virtuoze aria’s. Hij zong in 1731 in München voor hij in 1733 naar Londen kwam om voor Händel te zingen. Voor Händel zong hij de hoofdrollen in Arianna op Kreta, Ariodante en Alcina, en trad hij ook op in Händels oratoria Deborah, Esther en Athalia.
Begin jaren 1740 keerde hij terug naar Italië, waar hij in 1743 in Milaan in Glucks “Demofoonte” zong, en was vanaf 1744 was in dienst van keizerin Maria Theresa. Van 1747 tot 1749 zong hij voor Hasse in Dresden en verhuisde vervolgens naar Berlijn (1750-1754) en naar Sint-Petersburg (1754-1756). Eén van zijn laatste optredens was de vertolking van de titelrol in de wereldpremière van Gaetano Latilla’s “Ezio” in het Teatro di San Carlo in juli 1758. Volgens Charles Burney, begon Carestini als een krachtige en heldere sopraan maar werd later de volste, mooiste en diepste contratenor, ooit gehoord. Carestini was ook bekend als een uitstekend acteur en was bij het vrouwelijk publiek bovendien geliefd omwille van zijn opvallend knap uiterlijk.


De in 1989, in Johannesburg (Zuid-Afrika) geboren mezzosopraan Megan Kahts werd opgeleid aan de Universiteit voor Muziek en Podiumkunsten in Wenen, waar ze sinds 2009 woont. Ze begon haar muzikale opleiding als pianiste en haar zangcarrière als tiener/kindster (foto) in Zuid-Afrika. Op 11-jarige leeftijd zong ze het “Alleluia“ uit Mozarts “Exsultate, jubilate“ en “Pie Jesu” uit het Requiem van Andrew Lloyd Webber, met het schitterend KwaZulu Natal Philharmonisch Orkest (foto).![]()
Megan Kahts behaalde haar Bachelor zang aan de universiteit van Praetoria, kreeg zangles van Claudia Visca, behaalde haar masterdiploma in Lied- en oratoriumzang bij Robert Holl, en specialiseerde zich in de historische uitvoeringspraktijk bij Stefan Gottfried. Ze zingt op internationale podia en won felbegeerde prijzen op prestigieuze wedstrijden. Zowel thuis op de operapodia als op de concertpodia, is Megan Kahts regelmatig te horen in recitals in diverse internationale concertseries.
(© Moritz Schell)
Jeremy Joseph, geboren in Durban, is organist van de Weense Hofkapel, waar hij samen met de Wiener Sängerknaben en de Wiener Philharmoniker, de muziek van de wekelijkse zondagsmis verzorgt. Hij studeerde privé bij Hans Fagius in Kopenhagen en vervolgde zijn studie bij Martin Haselböck aan de University of Music in Lübeck en bij Jürgen Essl in Stuttgart. Als winnaar van de Gottfried Silbermann International Organ Competition in 1999, trad hij op als solist op alle mogelijke festivals. Zijn improvisatie-cd van Jeremy Joseph, opgenomen in de Metropolitan Cathedral van Mexico-Stad, werd in 2018 door Fono Forum Magazine uitgeroepen tot “cd van het jaar”. Als continuo speler trad hij op met ensembles als het Wiener Akademie Orchestra, het Freiburger Barockorchester, het Kammerorchester Basel en het Balthasar-Neumann-Ensemble. In 2019 werd hij benoemd tot hoogleraar orgel en improvisatie aan de Universiteit voor Muziek en Podiumkunsten in Wenen.


Megan Kahts Mezzo Soprano Dopo Notte Arias By Handel and Hasse for Faustina Bordoni and Giovanni Carestini Orchester Wiener Akademie Jeremy Joseph conductor cd Solo Musica SM493