Ludwig Feuerbach, “Het wezen van het christendom”, schitterend uitgegeven door Damon.

“Mochten dieren kunnen tekenen, dan zouden paarden bv. de goden afbeelden als paarden. Religie is weliswaar des mensen”. Geloof in het bestaan van God is waarachtig. Door de afwezigheid van bewijs voor zijn bestaan, stelt de almachtige God het geloof van de mens op de proef. Gelovigen vragen zich daarbij zelden af of hun religieuze overtuiging een redelijke grondslag heeft. Heeft God de mens geschapen of heeft de mens God geschapen? Dat is de centrale vraag in “Het wezen van het christendom” (1841), het hoofdwerk van de Duitse filosoof, Ludwig Feuerbach (1804-1872) , het boek dat algemeen beschouwd wordt als één van de belangrijkste en invloedrijkste godsdienstkritieken in de moderne filosofie. Niet te missen!

Geloof is binnen de metafysische zingeving of het zoeken naar betekenisvolle verbindingen, de schakel tussen de feitelijkheid van biologisch leven en het onvermijdelijke van niet-bestaan. Tijdelijkheid wordt getranscendeerd tot eeuwig leven na de dood. “De speculatieve godsdienstfilosofie offert de godsdienst op aan de filosofie, de christelijke mythologie offert de filosofie op aan de godsdienst”, zo lezen we.

Hoewel religie als een modern westers concept zich pas vanaf de 17de eeuw heeft ontwikkeld, opent deze uitgave met een bijzonder interessante tekst waarin Johan Braeckman het ontstaan en de duurzaamheid van religie, maar ook de filosofische twijfels aan religie, in de Oudheid situeert en verklaart. De atomisten, Leukippos, Demokritos en Epikouros, Euhemeros, Xenofanes en de pre-socratici hadden zo hun eigen opvattingen en bedenkingen over en bij fenomenen als goden, bovenmenselijke handelingen en een hiernamaals. Epicurus bv. geloofde niet in een hiernamaals of een eeuwig leven. Als de dood er is, dan ben ik er niet. Als ik er ben, dan is de dood er niet’, stelde hij. De dood doet er niet toe, de dood is simpelweg een niet-bestaan. Gevoelens als verdriet, frustratie of boosheid door zich zorgen te maken over de dood, belemmeren de weg naar innerlijke rust, belangrijk voor een gelukkig leven.

De Griekse goden waren in wezen menselijk. Euhemeros (ca. 330–260 v.C.) dacht dat de Griekse mythologie voortkwam uit reële historische figuren en gebeurtenissen. Door de kracht van de verbeelding en door overdrijving transformeerden in de loop der tijd de echt bestaande helden en hun daden, tot goden met bovenmenselijke handelingen. “Thales en andere Griekse filosofen”, schrijft Braeckman, “ontwikkelden natuurlijke verklaringen voor het bestaan van de werkelijkheid en voor vreesaanjagende en chaotische fenomenen. Sofisten zoals Protagoras en Kritias betwijfelden het bestaan van de goden en meenden dat religie het gevolg was van angst en onwetendheid, en bestendigd werd om een morele orde af te dwingen. De dichter en filosoof Xenofanes (560 – ca. 478 v.C.) bekritiseerde het antropomorfisme in de theologie van Homeros en Hesiodos. Ze stellen zich de goden voor als wezens met menselijke eigenschappen, zoals een lichaam, emoties, kledij en moreel en immoreel gedrag”.

De poging om religie te definiëren vanuit de theïstische erfenis van het jodendom, het christendom en de islam, is primair een westerse aangelegenheid. De basis van de theïstische vorm van geloof is in wezen een onderscheid tussen een transcendente godheid en al het andere, tussen de schepper en zijn schepping, tussen God en de mens. Er bestaan momenteel minstens vierduizend religies, die onwaarschijnlijke beweringen voor waar aannemen. Eén van de mogelijke verklaringen voor het ontstaan van religie is het deel willen uitmaken van een gemeenschap, van een groep. Dit verklaart het groepspsychologisch karakter van religies. Naast de persoonlijke bezinning van de individuele gelovige over de openbaring van een god die mens wordt, sterft en weer verrijst in het gebed, is het gezamenlijk delen van een onvoorwaardelijk geloof, datgene wat groepsleden onderling met elkaar verbindt. Het delen van eenzelfde religie met daaraan verbonden, voor iedereen herkenbare, rituele handelingen, garandeert de identiteit van de gemeenschap.

Los van een hoge onderwijsstandaard of een lage scholingsgraad, hielden religies, ondanks de ontwikkeling en verspreiding van de wetenschappen en de bevordering van het rationeel denken, door de eeuwen heen, t.e.m. vandaag, hardnekkig stand. Feuerbach stelde dat religie geen openbaring was van een bovennatuurlijke werkelijkheid, maar een projectie vanuit de onmacht van het menselijk wezen zelf.

“Der Glaube des Menschen an sich selbst ist die wahre Religion. Gott ist nichts anderes als das in die Unendlichkeit des Himmels projizierte Wesen des Menschen. Die Menschen sollten also aufhören, Gott als ein von ihnen getrenntes höheres Wesen zu verehren, sondern sich ihrer eigenen Gattung zuwenden. Die Menschen sollten an sich selbst glauben, statt an ein Spiegelbild ihres eigenen Wesens.” (Feuerbach – foto).

In “Het wezen van het christendom” benaderde Feuerbach religie vanuit een humanistisch perspectief. Hij beschouwde theologie als antropologie en onderzocht het idee dat goddelijkheid een uiterlijke projectie is van de idealistische menselijke aard. Feuerbachs thema was een afgeleide van Hegels speculatieve theologie, waarin de schepping een deel van de Schepper blijft, terwijl de Schepper groter blijft dan de schepping. De scherp geformuleerde standpunten van Feuerbach, die van groot belang waren voor de ontwikkeling van de moderne menswetenschappen, hadden een grote invloed op o.a. denkers en wetenschappers als Max Stirner (“Der Einzige und sein Eigentum (1845)), Friedich Engels (“Ludwig Feuerbach und der Ausgang der klassischen deutschen Philosophie” (1886)), Nietzsche (“Die fröhliche Wissenschaft” (1882-1887)) en Freud (“Die Zukunft einer Illusion” (1927)).

Het boek is verdeeld in twee grote delen. Deel 1, “Het ware, i.e. antropologische wezen van de godsdienst”, wordt ingeleid door het wezen van de mens (“Das Wesen des Menschen im allgemeinen“) en de godsdienst in het algemeen (“Das Wesen der Religion im allgemeinen”). In deel I ontwikkelde Feuerbach wat hij de ware of antropologische essentie van religie noemde, waarbij hij God in zijn verschillende aspecten behandelde als een wezen van het verstand, als een moreel wezen of wet. “God is niets anders dan de uiterlijke projectie van de innerlijke natuur van de mens en omdat de mens verbeeldingskracht heeft, krijgt God eigenschappen als wijs en rechtvaardig. God is een deel van de mens door de uitvinding van een God”, stelt Feuerbach.

In deel 2 bespreekt hij de “valse of theologische essentie van religie”, dat wil zeggen de visie die God beschouwt als een afzonderlijk bestaan ten opzichte van de mens. Hieruit ontstaan diverse onjuiste opvattingen, zoals het geloof in openbaring, waarvan hij meent dat het niet alleen het morele gevoel schaadt, maar ook “het goddelijkste gevoel in de mens, het waarheidsgevoel, vergiftigt, ja zelfs vernietigt”, en het geloof in sacramenten zoals het Avondmaal, dat voor hem een stuk religieus materialisme is waarvan de noodzakelijke gevolgen bijgeloof en immoraliteit zijn.

In deel 2 met als titel, “Het onware, dat wil zeggen het theologische wezen van de godsdienst”, volgen na “Het wezenlijke standpunt van de godsdienst”, 7 tegenstrijdigheden, de tegenstrijdigheid in het bestaan van God en in de Godsopenbaring, de tegenstrijdigheid in het wezen van God zelf en in de speculatieve Godsleer, de tegenstrijdigheid in de Drievuldigheid en in de sacramenten, en de tegenstrijdigheid van geloof en liefde. Hiermee toont Feuerbach aan dat de mens zichzelf verliest in een illusie van verlossing en genade en hij zijn eigen waarde en kracht ontkent door die over te dragen of af te staan aan een bovennatuurlijke entiteit. De mens meent dat hij door God geschapen is naar diens beeld, terwijl het in werkelijkheid de mens is die heeft God geschapen naar het zijne. “Das Wesen des Christentums” werd vertaald door Karel D’huyvetters.

Ludwig Feuerbach Het wezen van het christendom Vertaald door Karel D’huyvetters Ingeleid door Johan Braeckman 313 bladz. uitg. Damon ISBN 9789463404259