


“Bartók in Space and Time” bracht een uitzonderlijke ontmoeting tussen architectuur en muziek, tussen ruimte en tijd. Het boek kijkt terug op die experimentele avond in 2014, in Bozar, waar onder leiding van Gábor Káli, het Symfonieorkest Vlaanderen, Bartóks “Muziek voor snaren, percussie en celesta” (1937) uitvoerde, terwijl de architecten Robbrecht en Daem deze klanken vertaalden in architecturale vormen.

Gecomponeerd in 1936, voor het “Basler Kammerorchester”, was “Music for Strings, Percussion and Celesta” één van de puurste voorbeelden van Bartóks synthese van volksmuziek, classicisme en modernisme. Het werk ging in januari 1937, in première in Bazel door het kamerorkest o.l.v. Paul Sacher, samen met werk van Conrad Beck en Willy Burkhard. Na de allereerste opname op Capitol Records in 1949 door het Los Angeles Chamber Symphony o.l.v. Harold Byrns (1903-1977), was het de jonge Herbert von Karajan, die het werk in hetzelfde jaar met het Philharmonia Orchestra als tweede opnam (EMI).
Sinds hun oprichting in 1975, bouwen Robbrecht en Daem architecten aan een internationaal geprezen oeuvre. Paul Robbrecht, Hilde Daem en Johannes Robbrecht zoeken steeds naar die ene bijzondere ruimte, naar die ene onvergetelijke plek. Hun architectuur is nooit louter object, maar steeds een dialoog met gebruikers, de omgeving en de geschiedenis en met kunstenaars. Met “Staging the Concert” introduceerde Bozar/Paleis voor Schone Kunsten een nieuw format waarin beeldende kunst en muziek met elkaar in dialoog traden. Nieuwe dimensies van de concertbeleving werden verkend door het spel met ruimte, licht en materialen.
De structuren en opbouw van Bartóks “Muziek voor snaren, slagwerk en celesta” nodigen uit tot vergelijking met architectonische principes. De Amerikaanse architect Steven Holl (1947), een specialist in de relatie tussen muziek en architectuur, gebruikte reeds in 1989-1992, de overlappende stretto’s in dit werk als model voor de vorm van het schitterend “Stretto House” (foto’s) in Dallas, Texas, voor een bouwheer die opgegroeid was in een huis, ontworpen door Frank Lloyd Wright.
Het huis staat in een landschap met een beekje dat drie vijvers van water voorziet. Deze vijvers waren omgeven door kleine watermuren die opsprongen onder de klank van een constant gezoem. In een gesprek met een van zijn studenten, die ook muziekles volgde aan de prestigieuze Juilliard School in New York, vroeg Steven Holl of de student muziek kende die gestructureerd is, parallel aan het water dat langs de watermuren stroomde. De student noemde Bartóks “Muziek voor snaren, slagwerk en celesta”, waarin krachtige bewegingen het onregelmatig ritme verdelen en ervoor zorgen dat de nadruk lijkt te stoppen of de tijd lijkt te versnellen.
Met “Stretto” verdeelde Steven Holl de ruimte binnen gepolijste betonblokken en een metalen constructie, zo dat elk deel belangrijk was voor het volgende. De bewegingen van de ruimte ontwikkelen zich op verschillende manieren, het grondoppervlak over het volgende niveau, de gebogen muren en dakflappen zorgen voor daglicht in het huis. Het water, dat over de dam stroomt en de overlappingen van de Stretto lijkt te symboliseren, speelt ook een rol in het spel om de overlapping van het landschap in het huis te weerspiegelen en het plezier te ervaren van architecturale sequenties als licht en ruimte, texturen, geuren en geluiden.

Bartók zag bij zijn “Muziek voor snaren, slagwerk en celesta”, een atmosferisch visioen van abstracte klanken met glissandi, martellato spel en tremoli, twee symmetrisch in een halve cirkel opgestelde strijkersgroepen, met de slaginstrumenten xylofoon, pedaalpauken, kleine trom, grote trom en gong, piano en celesta, in het midden. Twee strijkersgroepen aan weerszijden van het podium, met slag- en toetsinstrumenten in het midden en naar achteren.
Typisch voor de compositie van Bartók is de opstelling van het strijkorkest in perfecte symmetrie rond de celesta. Binnen dit project kwamen twee wiskundige reeksen samen, de Fibonacci-reeks en de Louie-reeks, de series van 3, 5 en 7, waarmee de Amerikaanse architect Louis Kahn zijn ontwerpen ordende. 3 x 5 x 7 = 105, bv. Het ritme van de xylofoonsolo waarmee het mysterieus derde deel “Adagio-Nachtmuziek” opent, is nl. een uitgeschreven accelerando/ritardando, die de Fibonaccireeks volgt. Het eerste deel Andante tranquillo, is een langzame fuga met een constant veranderende maatsoort, gebaseerd op de noot A, waarmee het begint en eindigt. Het Andante tranquillo, eindigt met de inversie van het fuga-subject. In het tweede deel Allegro, wordt een thema in snel tempo tegen het einde getransformeerd, gekenmerkt door een luide syncopische piano en percussie-accenten in een wervelende dans, evoluerend naar een langgerekte pizzicato-sectie, met een pianoconcert-achtige afsluiting. Het vierde en laatste deel, Allegro molto, dat begint met noten op de pauken en aangeslagen pizzicato-akkoorden door de strijkers, heeft verrassend genoeg het karakter van een levendige volksdans.



Robbrecht en Daem vertaalden deze speciale opstelling en het percussieve en het efemere van de ruimtelijke opbouw van de muziek in vijf zwevende objecten, geaccentueerd door een doordacht lichtontwerp als architectonische principes. Een doordacht lichtontwerp accentueerde vijf objecten die in de Henry Lebœufzaal boven het publiek en het orkest zweefden en belichtte de essentie van Bartóks muziek die zich daardoor als architectuur in de tijd, ook ruimtelijk manifesteerde.
De architecten interpreteerden de concertzaal als een micro-universum. Om de ruimtelijke ervaring te maximaliseren, kreeg het publiek de mogelijkheid om rond te lopen en het concert vanuit twee verschillende perspectieven te bekijken. Daartoe werd Bartóks muziek twee keer na elkaar gespeeld. Die herhaling liet de bezoekers toe de muziek nog beter te begrijpen, de zintuiglijke ervaring aan te scherpen en het concert tot een totale immersie te maken.
Paul Robbrecht en zijn vrouw Hilde Daem gebruikten geometrie als antwoord op de ritmische principes van Bartóks muziek. Zo werden de horizontale en verticale vlakken van de objecten muren en vloeren; de ruimtes ertussen vormden het ritme in de muziek. Door middel van een doordacht lichtontwerp werden de evoluties in de muziek zichtbaar gemaakt via de zwevende objecten en een spel met ruimte, licht en materialen gaf nieuwe dimensies aan de concertbeleving.
In het boek, een uitgave ter gelegenheid van het gouden jubileum van het uniek architectenduo Robbrecht en Daem, wordt de bijzondere dialoog tussen beide disciplines verbeeld en toegelicht met tekeningen, berekeningen, foto’s, inspiratiebronnen en notities, aangevuld met een analyse door musicoloog Mark Delaere. Niet te missen!
![]()

Robbrecht en Daem architecten Bartók in Space and Time Tweetalige editie Engels-Frans geïllustreerd uitg. Hannibal ISBN 97894 93416482