

De vroege middeleeuwen (300-1000) worden vaak beschouwd als louter een tussenperiode tussen het glorieus Romeinse rijk en de bloei van de late middeleeuwen. Maar dat beeld doet deze complexe tijd zwaar tekort. Dit uitzonderlijk boek bestudeert uitvoerig en in detail de politieke, socio-economische, religieuze en culturele ontwikkeling van vroegmiddeleeuws West-Europa. Grandioos.
Na de val van Rome leefde de antieke erfenis verrassend krachtig voort in ideeën, instellingen en ambities. Nieuwe, hybride politieke systemen spiegelden zich aan het oude imperium. Romeinse auteurs werden nog steeds gretig gelezen, ook in kloosters en kerken. Dit was de tijd van Clovis en Karel de Grote, maar evenzeer van honkvaste boeren en rondtrekkende handelaars, van misogyne monniken én geleerde nonnen, van gemilitariseerde bisschoppen en vorsten die zich als godenzonen lieten vereren.
“De geografische focus ligt op de provincies van het voormalige West-Romeinse Rijk” schrijft de auteur. “Andere regio’s, zoals Scandinavië, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en het Byzantijnse Rijk, komen aan bod waar zij relevant zijn voor de West-Europese geschiedenis. Verder belicht ieder hoofdstuk enkele historische debatten in het wetenschappelijke veld. Die beginnen al bij de periodisering, want de vroege middeleeuwen laten zich moeilijk afbakenen. Gezien de vele continuïteiten, besteedt dit boek uitgebreid aandacht aan de late oudheid. Vele evoluties uit die periode – het oprukkende christendom, de provincialisering van de adel, de agrarische en demografische terugval – zetten zich nog eeuwen door in het postimperiale tijdperk.”
De vraag wanneer de klassieke oudheid eindigt en het middeleeuws tijdvak aanvangt, beroert al eeuwen het historisch debat. Traditioneel associeert de geschiedwetenschap de overgang met twee historische constructies: enerzijds de ‘val’ van het West-Romeinse Rijk en anderzijds de volksverhuizingen, de grootschalige migratie van ‘barbaren’ naar het imperium. Over de richting van de causaliteit bestaat echter geen consensus. Leidde de ineenstorting van het imperium tot een toestroom van barbaarse invallers? Of zetten deze invasies het Rijk op fatale wijze onder druk?
De Alemannen bv., een verbond van Germaanse volkeren, woonden tussen de Rijn en de Donau, vanwaar ze vanaf 212 regelmatig plundertochten ondernamen op Romeins gebied. In 406-407 bezetten de Alemannen Oost-Gallië en bleven gedurende de 5de eeuw grotendeels in Zuid-Duitsland, Zwitserland en de Elzas. In 536 kwam hun rijk onder Frankisch gezag. Met enige onderbrekingen maakten de Alemannen de komende drie eeuwen deel uit van het Merovingisch en later van het Karolingisch Rijk. De vertaling van de naam Duitsland verwijst trouwens naar de Alemannen, bv. Allemagne.
Aan de hand van de recentste wetenschappelijke inzichten belicht dit boek de belangrijkste sociaaleconomische, politieke, religieuze en culturele ontwikkelingen. Het blijft cruciaal te benadrukken dat beide ontwikkelingen niet als dusdanig in contemporaine bronnen opduiken. De geschiedschrijvers van de 3de tot de 6de eeuw vermeldden nergens expliciet ‘de val van Rome’ of ‘de volksverhuizingen’. Deze termen zijn louter constructies van historici uit de 18de en de 19de eeuw, gebruikt als overkoepelende begrippen voor een reeks processen die zich over verschillende eeuwen voltrokken.
Het boek bestaat uit acht hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk ligt de focus op de periodisering en de twee, traditionele, historische constructies, de ‘val van Rome’ en de ‘volksverhuizingen’, die geassocieerd worden met de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen. Hierna behandelt de auteur de traag evoluerende agrarische economie, de ontwikkelingen in de landbouw en de sociale relaties op het platteland, van c. 300 tot 1000. In het derde hoofdstuk bespreekt hij vervolgens de Europese handel en nijverheid met vanaf ca. 700, bijzondere aandacht voor de Noordzee- en Middellandse Zeehandel.
In zijn hoofdstuk 4 belicht Ortwin Huysmans de geopolitieke, dynastieke en bestuurlijke ontwikkeling van het gefragmenteerd, postimperiaal Europa. Na een analyse van het complex en variërend samenspel van Romeinse, ‘barbaarse’ en christelijke elementen, volgt een hoofdstuk gewijd aan de dynastie, die heerste over het grootste rijk in de Europese middeleeuwen. Hierin gaat de auteur na hoe de Karolingen hun Europese hegemonie en hun theocratisch bestuurssysteem uitbouwden en hoe de familie uiteindelijk haar greep op de Frankische rijken verloor. In het zesde hoofdstuk bespreekt hij hoe klerikale instellingen tot stand kwamen en hoe deze zich verhielden met seculiere machthebbers, waarna hij het heeft over gemeenschappen van monniken, die in het vroegmiddeleeuws Europa, als een invloedrijke religieuze elite, met spanningen en tegenstrijdigheden, op velerlei wijze verwikkeld raakten in de lekenwereld. 


Ten slotte bekijkt de auteur in het laatste hoofdstuk met aandacht voor onderwijsinstellingen, het curriculum en de concrete verwezenlijkingen, de intellectuele en artistieke ontwikkeling van West-Europa en toont hij aan hoe vroegmiddeleeuwse culturen, tradities van uiteenlopende oorsprong integreerden in nieuwe, originele syntheses. Achteraan het boek is de lijst van vroegmiddeleeuwse pausen (300-1000) en koningen opgenomen, de Koningen van het Frankische Rijk (459-840) en (840-1000), de Koningen van Engeland (871-1042) en de Koningen van het Visigotische Rijk (395-721).

Ortwin Huysmans Nieuw licht op duistere eeuwen, West-Europa in de vroege middeleeuwen 341 bladz. geïllustreerd uitg. Owl Press ISBN 9789493428508