


Op deze nieuwe cd leidt Pierre Dumoussaud de twee kamersymfonieën op. 9 en op. 38 van Arnold Schönberg, partituren die zowel rijk aan details als ontroerend zijn, en die getuigen van de zielenroerselen en ervaringen van de componist aan het begin van de twintigste eeuw. De versie voor strijkorkest van Gerard Schwarz van Anton Weberns “Langsamer Satz”, voegt romantische en contrapuntische vurigheid toe.

Het “Skandalkonzert” van 31 maart 1913, was een concert van de Wiener Konzertverein o.l.v. Arnold Schönberg in de Grote Zaal van de Musikverein. Onder het publiek, geschokt door het expressionisme en het experimentele van de Tweede Weense School, ontstond een rel en het concert moest voortijdig worden beëindigd…
Zowel de lyrische als de muzikale kant van deze première werden als provocerend gezien. Het concert werd beëindigd, nog voor de geplande uitvoering van Gustav Mahlers “Kindertotenlieder” kon beginnen. Het was tijdens de uitvoering van de liederen van Berg, dat de gevechten begonnen… Voor Bergs werk had het Skandalkonzert blijvende gevolgen. Zijn liederen werden nl. pas in 1952 opnieuw uitgevoerd en de volledige partituur werd pas in 1966 uitgegeven. Alban Berg overleed op 50-jarige leeftijd in 1935. Ook de première in 1907, van Schönbergs Kammersymphonie op. 9 door het Rosé Quartet en blazers van de Wiener Philharmoniker, had reeds een schandaal veroorzaakt. Voor de uitvoering van 1913, maakte Schönberg een versie voor een orkest met meer strijkers en blaasinstrumenten. Deze versie was weliswaar niet identiek met de versie op. 9b, die pas in 1935, in Los Angeles, o.l.v. Schönberg zelf, in première ging.
De componist bewerkte in 1906, zelf zijn Kammersymphonie, für 15 solo-instrumente voor piano vierhandig en herzag ook de compositie voor groot orkest in 1923 en opnieuw in 1935, die werd gecatalogiseerd als Op. 9b. Alban Berg arrangeerde in 1914, de compositie voor twee piano’s en tussen 1922 en 1923, maakte Anton Webern (foto) twee verschillende arrangementen, een eerste voor viool, fluit, klarinet, cello en piano, en een tweede voor piano, twee violen, altviool en cello. Het eerste arrangement was nl. bedoeld om naast “Pierrot lunaire” te worden uitgevoerd, die voor dezelfde bezetting was gecomponeerd.
Na het overlijden van Isaac in 1517, verzamelde zijn leerling Ludwig Senfl, die lid was geweest van het koor van de keizerlijke kapel, muziek gecomponeerd voor Konstanz en voor het Habsburgs keizerlijk hof, voor de collectie die gepubliceerd werd door Hieronymus Formschneider in Neurenberg in drie delen (1550-1555), getiteld “Choralis Constantinus”. Een moderne uitgave verscheen in de volumes 10 en 32 van “Denkmäler der Tonkunst in Österreich”, uitgegeven door Anton Webern (foto), die leerling compositie was van Arnold Schönberg. Hij maakte dit deel als onderdeel van zijn proefschrift aan de Universiteit van Wenen, waarmee hij in 1906, bij Guido Adler, promoveerde.
Anton Webern merkte op dat de composities van Isaac, in zijn vele mooie, complexe vormen van polyfonie, die qua absolute beheersing van het contrapunt, vergelijkbaar waren met die van andere, illustere, Vlaamse componisten zoals Pierre de la Rue, Jacob Obrecht en Josquin des Prés, duidelijk opvielen door “de onfeilbare en uitzonderlijke levendigheid en onafhankelijkheid van de stemmen”. De grote belangstelling voor renaissancemuziek en voor de muziek van Heinrich Isaac in het bijzonder, zou een grote invloed hebben op Weberns eigen compositietechniek. Webern werd nl. één van de belangrijkste componisten van de dodecafonische en seriële school. In het voorwoord van de editie van de “Choralis Constantinus”, vestigde Webern onze aandacht op het belang van de componist uit de late 15de eeuw, en verklaarde wat hij zo bewonderde in Isaacs compositiekunst.
Naast Weberns jeugdwerken, die nog geen opusnummer hadden, waren Opus 1 en 2, een Passacaglia voor orkest en “Entflieht auf Leichten Känen”, nog tonale werken. Na composities in de vrije atonaliteit, waren vanaf op. 17 (1925), zijn werken dodecafonisch. Webern componeerde zijn 5 bewegingen of “5 Sätze”, (Heftig Bewegt, Sehr Langsam, Sehr Lebhaft, Sehr Langsam en In Zarter Bewegung) op. 5 in 1909, voor Strijkkwartet. In 1929, arrangeerde hij de bewegingen voor strijkorkest.
Anton Webern (foto) componeerde zijn Langzame beweging voor strijkkwartet in juni 1905, maar het werd pas in mei 1962, in Seattle, publiekelijk uitgevoerd. De Langsamer Satz was ontstaan tijdens een wandeltocht in Neder-Oostenrijk met zijn nicht, Wilhelmine Mörtl, die later zijn vrouw werd. Het is liefdesmuziek, zoals Webern extatisch verwoordde, een uitstorting van de 21-jarige componist, wiens studie bij Arnold Schönberg de vorige herfst was begonnen. De Langsamer Satz is tonale muziek, zij het chromatisch en stevig verankerd in een traditie die zich uitstrekte van Liszt tot Mahler. Met zijn ca.13 minuten is de Langsamer Satz marginaal de langste van alle Webern-werken, zelfs langer dan “In Sommerwind” die eraan voorafging, of de Passacaglia, op. 1, beide orkestraal, dat volgde. Het heeft een grondtoon, do klein, en een traditionele sonatestructuur.
Het programma wordt afgesloten met Schönbergs Kamersymfonie nr. 2, op. 38 (1906-1939), een werk dat de componist pas na meer dan dertig jaar voltooide en dat lange tijd in de schaduw bleef van zijn beroemdere nr. 1. Onterecht. Het eerste deel, een adagio in es mineur, begint met een vragende fluit, zo fragiel dat het je de adem beneemt. De strijkers wikkelen zich eromheen als een beschermende mantel tot ze zelf de leiding nemen en een licht Mahleriaanse stemming van melancholie ontvouwen. In het tweede deel (Con fuoco) barst de dans plotseling los: vrolijke houtblazers, wiegende ritmes, een bijna gedurfd spel met toetsen – alsof Schönberg besloten heeft dat na al dat gepieker eindelijk weer joie de vivre geoorloofd was. Dumoussaud en zijn musici vieren dit deel als een bevrijding, en het publiek deelt in de enthousiaste viering.
Als fagottist met een passie voor het symfonische repertoire volgde Pierre Dumoussaud een dirigentopleiding aan het Conservatorium van Parijs tot 2014, toen hij de eerste prijs won in de ADAMI-wedstrijd “Talents conductors”. Het jaar daarop nam hij de overstap naar Alain Lombard, waar hij het Orchestre National Bordeaux Aquitaine dirigeerde. Hij heeft een bevoorrechte relatie met dit orkest, waarvan hij assistent-dirigent was (tussen 2014 en 2016), en stond sindsdien aan het hoofd van verschillende operaproducties ( Don Carlo , Semiramide , The Turn of the Screw , La Voix Humaine, Werther voor Benjamin Bernheims roldebuut). In het buitenland dirigeert hij de Karajan Akademie van de Berliner Philharmoniker, Real Filharmonía de Galicia, Orchestra della Svizzera Italiana, Orchestre de Chambre de Lausanne… In Frankrijk dirigeert Pierre Dumoussaud het Radio France Philharmonic Orchestra, het Orchestre National du Capitole de Toulouse, het Orchestre Philharmonique de Strasbourg, het Orchestre National d’Auvergne, het Orchestre National de Metz, het Orchestre National d’Île-de-France, …
Pierre Dumoussaud werd benoemd tot muzikaal leider van het Opéra Orchestre Normandie Rouen vanaf het seizoen 2026-2027. Hij maakte zijn opwachting in de operawereld toen hij in 2017 de Internationale Competitie voor Operadirigenten won. Pierre Dumoussaud ontving de eerste Victoire de la Musique “Revelation Conductor” toen de categorie in 2022 werd gecreëerd. In datzelfde jaar kende de Franse minister van Cultuur hem de titel Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres toe. Hij bouwt aan een mooie carrière in de schouwburgen van de Europese operahuizen. Zijn enthousiasme en nauwkeurigheid hebben hem al veel successen opgeleverd in Frankrijk (Hamlet en Manon in de Opéra national de Paris, Madama Butterfly in Rouen, Iphigénie en Tauride in Montpellier…) en daarbuiten: Mignon in de Bayerische Staatsoper, Hamlet in de Komische Oper, La Belle Hélène in de Opéra de Lausanne, Pelléas in Luik, Faust en Pénélope in Athene…


Anton Webern Arnold Schönberg Wendepunkt L’Atelier de Musique Quatuor Hanson Quatuor Hermès Quatuor Magenta Ensemble Ouranos Pierre Dumoussaud cd b.records LBM 083