


Leoš Janáček (1854-1928) was een zeer getalenteerd en origineel componist, toegewijd aan zijn land en cultuur. De muziek van Janáček zit vol emoties, kleuren, melodieën en harmonieën, die zijn persoonlijkheid en ervaring weerspiegelen en zijn oeuvre wordt nog steeds wereldwijd uitgevoerd en gewaardeerd. 
De componist benaderde nl. alle veranderingen in het leven met een breed scala aan emoties, de volkstraditie, de Tsjechische zaak – politiek en patriottisme, familie, leven en natuur, vriendschap met Dvořák, vrouwen, Russische literatuur en religieuze wortels.

In Hukvaldy in de regio Moravië-Silezië, staat overigens het Leoš Janáček Museum (foto). Hij werd geboren in dit dorp en woonde aan het eind van zijn leven nog in het huis voor hij in Ostrava op de grens van de historische regio’s Moravië en Silezië, overleed. Naast dit huis dat nu een museum is, is er ook het Leoš Janáček Museum in Brno (foto), naast de orgelschool die hij in Brno oprichtte. Dit museum is gevestigd in het tuinhuis waar hij woonde.
“Její pastorkyna”’ (“Haar Stiefdochter”; beter bekend als “Jenufa”) is een opera in drie akten op een Tsjechisch libretto van de componist zelf, gebaseerd op het toneelstuk “Její pastorkyna” van Gabriela Preissová (foto).
Het verhaal speelt zich af in een Moravisch dorp en volgt de lotgevallen van twee halfbroers, Števa en Laca, en de vrouw op wie ze beiden verliefd zijn, Jenůfa. Jenůfa is op haar beurt ook verliefd en is in het geheim zwanger van zijn kind. Maar nadat de jaloerse Laca haar gezicht verminkt, verlaat Števa haar, afgestoten door de verminking. De situatie voor Jenůfa verslechtert alleen maar in de tweede akte. Laca, die nu hoopt met haar te trouwen, ontdekt het kind en is woedend. In een wanhopige poging om te helpen, doodt Jenůfa’s stiefmoeder de baby – maar vertelt hen beiden dat het kind een natuurlijke dood is gestorven. Haar plan lijkt te werken en het paar besluit te trouwen, maar het lichaam van het kind wordt gevonden, waardoor Jenůfa’s stiefmoeder gedwongen wordt te bekennen. De opera eindigt met een opmerkelijk verzoenend duet tussen Laca en Jenůfa. Hier schittert Janáčeks muziek, lichtgevend en hoopvol na zo’n lange periode van duisternis.
De Zweedse sopraan Laila Elisabeth Andersson (1941) heeft ongeveer 100 rollen gezongen in een breed repertoire. Ze studeerde onder meer bij Hjördis Schymberg en debuteerde in 1963 in het Koninklijk Theater in Stockholm als Violetta in Verdi’s La traviata. Ze begon haar carrière als lyrische sopraan met een aantal coloratuurrollen, maar legde zich vervolgens toe op meer lyrisch-dramatische rollen. Ze sloot trouwens haar lange carrière af met zeer dramatische sopraanrollen zoals Brünnhilde in Der Ring des Nibelungen, Ortrud in Lohengrin, Venus in Tannhäuser en de titelrol in Richard Strauss’ Elektra.
Josef Čech (1917-1990) leerde vioolspelen van zijn vader, een lid van het operaorkest, en later van Jindřich Feld. Hij leerde ook pianospelen en studeerde muziektheorie bij de componist Josef Bartovský en Karel Janeček. Zijn leraar directie was Pavel Dědeček. Na het behalen van zijn staatsexamen in 1942 ontving hij zijn middelbareschooldiploma en begon hij les te geven aan de lerarenopleiding in Pilsen. Tegelijkertijd raakte hij betrokken bij het muzikaal leven van Pilsen. Hij was koorleider van de Bendl Zangvereniging, leidde vanaf 1942 de West-Boheemse Lerarenzangvereniging en dirigeerde het toen nog semi-amateuristische Pilsen Philharmonisch Orkest als gastdirigent.
In 1945 werd hij balletbegeleider, koorleider en operadirigent van het Nationaal Theater in Praag. In de jaren vijftig was hij gastdirigent in Bulgarije, waar hij Puccini’s La Bohème en Tsjaikovski’s De Koningin van Spades in Sofia regisseerde, en in de jaren zestig in Amsterdam, Janáčeks ‘De Avonturen van de Slimme Vos’. Hij bracht de rest van zijn leven door in Zweden, waar zijn vrouw, een uitstekende violiste, lid was van het Radio-orkest in Stockholm. Josef Čech was daar dirigent van het ballet van het Bolsjojtheater in Göteborg, maar stapte al snel over naar de opera. Na zijn eerste successen werd hij dirigent van de Koninklijke Opera in Stockholm, waar hij een erkend specialist werd in het dirigeren van de opera’s van Janáček.
Rolverdeling:
Laila Andersson-Palme (sopraan) Jenůfa
Jonny Blanc (tenor) Števa Buryja
Kolbjorn Hoiseth (tenor) Laca Klemeň
Kerstin Meyer (mezzosopraan) Kostelnička Buryjovka
Margareta Bergstrom (mezzosopraan)
Bo Lundborg (bariton)
Sten Wahlund (bas)
Kjerstin Dellert (mezzosopraan)
Hillevi Blylods (sopraan)
Solweig Lindstrom (sopraan)
Busk Margit Jonsson (sopraan)
Margareta Sundman (alt)


Leoš Janáček Jenůfa Laila Andersson Royal Swedish Orchestra Royal Swedish Choir Josef Čech 2 cd Sterling CDA1879