“Fauré, Requiem & Poulenc, Gloria” door Françoise Pollet en François Le Roux, het Südfunk-Chor en het Chor der Württembergischen Staatsoper Stuttgart en het Radio-Sinfonieorchester Stuttgart des SWR o.l.v. Georges Prêtre, op het label SWR Music. Meesterlijk!

Wat Fauré’s Requiem onderscheidt van talloze andere bewerkingen van de requiemtekst, is het intiem, ingetogen, bijna kamermuzikale karakter ervan, een ‘slaapliedje voor de dood’ zoals het ook wel is genoemd. Twee generaties later toonde Francis Poulenc een totaal andere benadering van religie.

Getekend door het overlijden van zijn vader in 1886 en vervolgens van zijn moeder in 1887, begon Gabriel Fauré (foto) in januari van het volgend jaar, een “Libera me” uit 1877, uit te werken tot muziek, “Un Petit Requiem” voor een begrafenis van een parochiaan wiens naam niet meer bekend is, in de kerk van de Madeleine in Parijs. Fauré was nl. sedert 1874, maître de chapelle van deze kerk en werd er in 1896, organist. Fauré beschikte in de Madeleine over een “maîtrise” van dertig kinderen, versterkt door vier tenoren en vier bassen. Het orkest bestond slechts uit een paar strijkers (een solo viool, gediviseerde altviolen en gediviseerde celli, en een contrabas), een harp, pauken en het orgel.

Deze eerste versie werd op 16 januari 1888 in La Madeleine uitgevoerd o.l.v. Fauré en het stuk werd opgedragen ter nagedachtenis aan de architect Joseph La Soufaché, (1804-1887) (bekend voor o.a. zijn werk aan het Château de Sceaux), die het jaar ervoor overleden was. “Pie Jesu” werd gezongen door een kind, “un enfant du chœur”, nl. de toen 11-jarige Louis Aubert, die muziekcriticus van Paris-Soir, muzikaal adviseur van Radio Luxembourg en docent aan de Schola Cantorum in Parijs zou worden. In 1889 werd het Hostias toegevoegd en een jaar later volgde het Libera Me. Deze tweede versie, voor kamerorkest, ging op 21 januari 1893, ook in de Madeleine met Fauré als dirigent, in première. De orkestratie werd vervolgens verrijkt met negen koperen blaasinstrumenten (trompetten, trombones en hoorns) voor een concert in 1892 in de kerk Saint-Gervais in Parijs. Fauré voegde weliswaar geen Sequens (“Dies Irae”) toe. Aldus voltooid, werd het Requiem op 21 januari 1893 uitgevoerd in de Madeleine. In 1899, gaf Fauré op verzoek van de uitgever Hamelle, zijn partituur zijn definitieve vorm met grote bezetting. Mogelijks was deze versie weliswaar gerealiseerd door de componist, Jean Roger-Ducasse (1873-1954) (foto), een leerling van Fauré.

Dit is een impliciete kritiek op de manier waarop het werk de angst voor de dood en het Laatste Oordeel vermijdt. Fauré antwoordde: “Maar zo denk ik over de dood: als een gelukkige bevrijding, als een streven naar geluk in het hiernamaals in plaats van als een pijnlijke overgang.” Dit beschrijft niet alleen perfect de essentiële kenmerken van zijn Requiem, maar onthult ook dat het een zeer persoonlijke uiting is van de artistieke aard van de componist.

Net als Fauré kwam Poulenc uit het zuiden van Frankrijk en was hij gevormd door zijn geboorteland in de zin van een ‘landelijk’, intens maar vreugdevol katholicisme. Hij beschouwde zijn Gloria als een uitbundiger tegenhanger van sommige van zijn andere geestelijke werken, en het is in deze geest dat het eerste deel in een feestelijke stemming begint met een opvallend, fanfare-achtig motief in het volledige orkest. Als Poulenc de fresco’s van Gozzoli met monniken die hun tong uitsteken en Benedictijnse monniken die voetballen als inspiratiebron voor zijn Gloria noemde, dan komt dit nergens zo direct tot uiting als in het tweede deel met zijn ritmisch geaccentueerde tekst van de Laudamus te.

Francis Poulenc (1899-1963) componeerde zijn Gloria in opdracht van de Koussevitzky Music Foundation en werd opgedragen ter nagedachtenis aan Nathalie en Serge Koussevitzky, componist en van 1924 tot 1949, de dirigent, en muziekdirecteur van het Boston Symphony Orchestra. De première was in aanwezigheid van de componist, in januari 1961, door het Boston Symphony Orchestra en het Pro Musica Choir, onder leiding van Charles Munch met de sopraan Adele Addison (foto) als soliste. De Europese première vond kort daarna plaats, in februari 1961, door het Nationaal Orkest van Frankrijk en de RTF-koren, onder leiding van Georges Prêtre met de sopraan Rosanna Carteri (foto).

Poulencs zesdelig ‘Gloria’ voor sopraan, koor en orkest uit 1959, biedt een fascinerende klankkosmos met een lyrische doch diepgaande religiositeit. Poulenc zelf beschreef zijn “Gloria” als het beste wat hij ooit had gecomponeerd, en de levendige, dansante ritmes en lyrische schoonheid ervan zijn in deze opname indrukwekkend uitgevoerd.

Zowel in de opera als in de concertzaal vielen Prêtre’s interpretaties op door hun levendige en zeer romantische karakter; qua stijl verschilden ze vaak van die van Franse dirigenten van de vorige generatie. Hij was een begenadigd dirigent, niet alleen van het Franse repertoire, maar ook van de muziek uit Italië en Duitsland, een feit dat weerspiegeld werd in de bewondering die hij in beide landen genoot. Als zeer ervaren en verfijnd opnameartiest had Prêtre jarenlange ervaring in de studio. Zijn discografie is omvangrijk. Vooral belangrijk waren zijn opnames van de muziek van Poulenc.

Fauré, Requiem & Poulenc: Gloria Françoise Pollet, François Le Roux, Südfunk-Chor Chor der Württembergischen Staatsoper Stuttgart, Radio-Sinfonieorchester Stuttgart des SWR Georges Prêtre cd SWR Music SWR19166

https://www.stretto.be/2017/04/24/symfonische-opnamen-van-wijlen-georges-pretre/