“Kurt Weill -The Seven Deadly Sins” door Wallis Giunta, Jennifer France, Katarina Andreasson, Benjamin Herzl en het Swedisch Chamber Orchestra o.l.v. Hk Gruber op het label Bis

De zeven hoofdzonden van Kurt Weill (1900-1950) en Berthold Brecht ging in juni 1933 in Parijs in première als een “gezongen ballet”. Het was een bijtende kritiek op de kapitalistische samenleving die de eeuwige strijd tussen geld en moraal raakt. Het satirisch stuk van het duo van de Weimarrepubliek zou weliswaar de laatste samenwerking tussen de twee. Daarnaast ontdekt u zijn Kantate „Der neue Orpheus“ für Sopran, Solovioline und Orchester op. 15 en zijn Konzert für Violine und Blasorchester op. 12.

Kurt Weill (1900-1950), de zoon van de voorzanger van de synagoge in Dessau, studeerde aan de Hochschule für Musik in Berlijn, waar hij les kreeg van o.a. Engelbert Humperdinck. In 1920 werd hij leerling van Ferruccio Busoni, die aan de Preussische Akademie der Kunste doceerde. Weill was veelzijdig. Hij was één van die componisten die evenveel hebben geëxperimenteerd met (klassieke) kunstmuziek als met populaire muziek. Gedurende de jaren ‘20 waren alle ogen gericht op Berlijn. Gedreven door een collectieve energie, vestigden kunstenaars van alle overtuigingen (schrijvers, schilders, architecten, filmregisseurs en componisten) de principes van “Nieuwe Objectiviteit” of “Nieuwe Zakelijkheid”, als toonbeeld van moderniteit. Berlijn was echter ook de stad van stakingen, armoede, repressie en de opkomst van het nazisme.

De naoorlogse, sociale context droeg bij tot de rage die de hoofdstad overspoelde voor cabaret, een soort veiligheidsklep voor morele en sociale bevrijding. Berlijn was hét artistiek en sociaal zenuwcentrum van de jaren twintig, een ziedende periode tussen twee wereldoorlogen. De metropool was dé culturele hoofdstad van Europa. Het was de stad waar alles mogelijk was, het meest opwindende, het meest innovatieve maar ook het gevaarlijkste. Het was het brandpunt van alle artistieke vernieuwing binnen een laatste ommekeer en klassieke muziek stond er op een keerpunt. Sommige componisten volgden de vernieuwing van de twaalf-toon muziek waarbij de tonaliteit werd verlaten, terwijl anderen, zoals Kurt Weill en Hanns Eisler (foto), in Berlijn hun politieke ideeën verplaatsten, richting een meer populistische muziek.

Kurt Weill was van 1925 tot 1950, de belangrijkste toneelcomponist van de internationale scene. Hij was uniek, vormde de theaterscène van zijn tijd, schreef in drie talen en had aan beide kanten van de Atlantische Oceaan succes. Voor de opening van het Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn in 1926, werd Weill door Brecht gevraagd om muziek te componeren bij zijn “Dreigroschenoper”. Hun “Driestuiveropera” (“Dreigroschenoper”), die in 1928 in première ging, werd hét succes van de eeuw. Nummers als “Die Moritat von Mackie Messer (“The Ballad of Mack the Knife”), de “Kanonen-Song” of “Seeräuberjenny (Pirate Jenny)”, werden wereldhits en reeds in 1931, werd het muziekdrama door G. W. Pabst verfilmd, met Jenny, vertolkt door Lotte Lenya. Als de “Threepenny Opera” maakte het werk furore op Broadway.

Maar, in 1933 verloor Duitsland deze uitzonderlijke musicus. Zijn opera “Der Silbersee-Ein Wintermärchen” op een libretto van Georg Kaiser, en alle andere muziek van Weill, werden verboden en als “entartet” bestempeld. Bij de boekverbranding in mei 1933, gingen al zijn originelen in de vlammen op. Kurt Weill vluchtte met zijn Weense vrouw, Lotte Lenya, (eigenl. Karoline Wilhelmine Charlotte Blamauer) (1898-1981) (foto) naar Parijs, (daar componeerde hij het ballet, “Die sieben Todsünden”), en emigreerde uiteindelijk naar New York. In de V.S. werd hij een succesvolle Broadway-componist (Alvin Theater, New York, Imperial, Music Box Theater en het 46th Street Theater) met conceptueel vernieuwende werken, o.a. de musicals, “Lady in the Dark”, “The Firebrand of Florence”, (beide op tekst van Ira Gershwin), “One touch of Venus”, “Love Life” en “Lost in the Stars”, met talrijke hits.

Toen Hitler aan de macht kwam, werden de joodse Weill en Brecht, een Marxist, gedwongen Duitsland in allerijl te verlaten en vonden uiteindelijk hun toevlucht in de aartskapitalistische VS, uitgerekend via Parijs. Weill kon echter beter overweg met het kapitalistische Amerika dan Brecht en schreef daar samen met andere collega’s een reeks populaire musicals voor Broadway. In The Seven Deadly Sins druipt Brechts scherpe pen van venijn als hij vrolijk de verdorven, materialistische waarden van Europa en de VS aan de kaak stelt, waarbij het bijbels-christelijke septet van ondeugden een eigentijdse herinterpretatie krijgt in lijn met zijn communistische wereldbeeld. Het verhaal gaat over het meisje Anna (Magdalena Kozená), dat door haar familie wordt weggestuurd om geld mee terug te brengen voor het bouwen van een huis aan de Mississippi. In de loop van zeven jaar en zeven steden – van Memphis en Los Angeles tot Philadelphia en San Francisco – komt Anna in aanraking met de zeven hoofdzonden en wordt ze gedwongen te kiezen tussen wat winstgevend is en wat goed is. 

Na zijn veelgeprezen opname van Kurt Weills Symfonieën nr. 1 en 2 en fragmenten uit “The Silver Lake” (BIS-2579), presenteren HK Gruber en het Zweeds Kamerorkest, nog drie werken van de beroemde muziektheatercomponist, dit keer met de sopranen Wallis Giunta en Jennifer France en de violisten Katerina Andresson en Benjamin Herzl. De opname begint met de ballet-chante-satire “The Seven Deadly Sins”, een scherpe kritiek op de kapitalistische maatschappij die de eeuwige strijd tussen geld en moraal thematiseert.De cantate The New Orpheus, die de zeer verschillende stijlen van aria en zang combineert, vertelt het trieste verhaal van de zanger die op weg gaat om de desolate muren van moderne steden te overwinnen om Eurydice te redden en, met haar, de hele mensheid. Het Concerto voor viool en blaasorkest tenslotte, een centraal werk uit Weills vroege creatieve fase, toont een theatraliteit die een voorbode is van zijn latere toneelwerken. Een opwindend programma dat de onnavolgbare taal van Weill laat horen, waarin het verfijnde en het populaire, het melodische en het dissonante, het complexe en het straatse door elkaar lopen.

Kurt Weill The Seven Deadly Sins Wallis Giunta Jennifer France Katarina Andreasson Benjamin Herzl Swedisch Chamber Orchestra Hk Gruber BIS2779