Adriana de Ridder, “Lied der Liefde, Shir Hashirim, Berijmingen van het Hooglied in de vroege zeventiende eeuw”, een bijzonder verrijkende uitgave van Amsterdam University Press.

Het Hooglied, in het Hebreeuws bekend als Shir Hashirim (‘Het Lied der Liederen’), kent geen plot, maar is een gedicht (volgens de overlevering van de hand van koning Salomo zelf) met als onderwerp de zuivere liefde tussen bruidegom en bruid in een arcadische sfeer van herders, schapen, wijngaarden, vossen en vogelzang.

Het Hooglied, het Loflied of het Lied van Salomo(n), is een van de vijf megillot (rollen), het onderdeel van het gedeelte van de Hebreeuwse Bijbel dat “Geschriften” wordt genoemd. De Vijf Rollen of de Vijf Megillot (Hamesh Megillot of Chomeish Megillos ) zijn delen van de Ketuvim (“Geschriften”), het derde grote deel van de Tanakh ( Hebreeuwse Bijbel ). De Vijf Rollen zijn het Hooglied, het boek Ruth, het boek Klaagliederen, Prediker en het boek Esther. Deze vijf Bijbelboeken worden in de Joodse traditie samen gegroepeerd. De Ketuvim is het derde en laatste deel van de Hebreeuwse Bijbel, na de Torah (“onderwijs”) en de Nevi’im (“Profeten”). In de Ketuvim vormen 1–2 Kronieken één boek, net als Ezra en Nehemia, die samen een eenheid vormen met de titel “Ezra–Nehemia”. In totaal zijn er weliswaar elf boeken opgenomen in de Ketuvim.

Het Hooglied, dat in het openingsvers wordt toegeschreven aan koning Salomo of Shelomo, beschrijft poëtische gesprekken tussen twee geliefden en hun zoektocht naar elkaar door wijngaarden en velden vol bloeiende bloemen. Het wordt traditioneel gezien als een metafoor voor de liefdevolle relatie tussen God en het volk Israël en wordt vaak in het openbaar voorgelezen tijdens Pesach of op sjabbat avond. In het modern jodendom wordt het Hooglied op de sabbat tijdens Pesach gelezen, wat zowel het begin van de graanoogst als de herdenking van de uittocht uit Egypte markeert. De joodse traditie interpreteert het als een allegorie van de relatie tussen God en Israël, in het christendom wordt het gezien als een allegorie van Christus en zijn bruid, de Kerk.

Binnen de joodse traditie werd en wordt het Hooglied gezien als een symbolisch geestelijk lied. Aan het begin van de zeventiende eeuw ontstond in de Nederlanden weliswaar een opmerkelijk, religieus poëtisch fenomeen. Het Hooglied werd nl. beïnvloed door Godefridus Cornelis Udemans (foto), herhaaldelijk door dichters en theologen, o.a. door Arminius, Jacobus Revius en Gomarus, allegorisch berijmd. Een groot deel van deze berijmingen werd daarenboven op muziek gezet om dienst te doen als zingbare tekst. Hieronymus Vogellius (ca. 1579-1654) bv. gebruikte voor zijn berijming van het Hooglied uit 1625, bestaande melodieën. Daarbij koos hij voor de schuldbelijdenis van de bruid uit Hooglied 5, de melodie van Psalm 32. De Middelburgse jurist Johan de Brune (1588-1658), raadspensionaris van Zeeland, schreef dan weer een Hoogliedberijming uit het Hebreeuws vertaald, te zingen op de melodie van het Gebed des Heeren.

Deze uitzonderlijke AUP uitgave belicht 37 van deze Hoogliedberijmingen, waarbij wordt stilgestaan bij het milieu waarin de berijmingen ontstonden, de dichters, hun beweegredenen, het proces van versificatie, en de functie van muzikale vertolking. Niet te missen!Adriana de Ridder (1959) is kunstenares en neerlandica en werkt aan de Christelijke Hogeschool Ede als afstudeerbegeleider. Tot 2020, was ze 35 jaar lang docente beeldende vorming en Nederlands aan de Jacobus Fruytier scholengemeenschap. Adriana de Ridder is verbonden aan de Theologische Universiteit Apeldoorn als geassocieerd onderzoeker in de onderzoeksgroep Theologie en Muziek.

Adriana de Ridder Lied der Liefde Shir Hashirim Berijmingen van het Hooglied in de vroege zeventiende eeuw 279 bladz. geïllustreerd uitg. Amsterdam University Press ISBN 9789048571468