


De 13 boeken “Belijdenissen/Confessiones” van Aurelius Augustinus (354-430) worden terecht algemeen beschouwd als een hoogtepunt in de wereldliteratuur. Door de eeuwen heen blijft het meesterwerk zelfs tot vandaag lezers aanspreken. 
Als Augustinus een paar jaar bisschop van Hippo Regius in Noord-Afrika was, schreef hij in grote openheid over zijn persoonlijke geloofsgeschiedenis zijn Belijdenissen, een boek dat getuigde van diep inzicht en grote literaire kwaliteit. Hierin liet hij zich kennen als een zoekende mens en gelovige en riep hij zijn lezers op zich te bezinnen over de fundamentele waarden van de christelijke traditie.
“Amor mundi”, ‘liefde voor de wereld’, was bv. voor Hannah Arendt de zorg om pluraliteit, de bereidheid om samen te leven met andersdenkenden en vreemden, met wie we hoe dan ook, de wereld (moeten) delen. Maar, veel reden geeft die mundus die wereld niet om haar lief te hebben, zeker niet voor Hannah Arendt, de Joodse vluchtelinge voor de nazigruwel, de schrijfster van “The Origin of Totalitarianism” en “Eichmann in Jerusalem”, boeken waarin het woord liefde niet of nauwelijks kon voorkomen. Waar haalde Hannah Arendt die passie voor liefde dan eigenlijk wel vandaan
Een deel van het antwoord op die vraag ligt besloten in haar proefschrift, “Het liefdesbegrip bij Augustinus”. Dit proefschrift in 3 delen (“Amoir qua appetitus”, Creator-Creatura” en “Vita socialis”), was een kritische bezinning/beschouwing op de wijze waarop Augustinus de liefde doordacht en doorleefde, van de bedrieglijke amor mundi naar de onbedrieglijke amor dei, (de liefde tot God), tot de poging dit laatste in de naastenliefde te integreren in de wereld. De theoloog, filosoof en kerkvader, Augustinus van Hippo (354-430), bisschop van Hippo, was de belangrijkste kerkvader van het Westen. Tot zijn bekendste werken behoren de “Confessiones” en “De civitate Dei”.
Terwijl Augustinus in de liefde tot God, de wereld verzaakte en naastenliefde voor hem problematisch werd, begon Arendt nu net bij dit laatste, bij de “vita socialis”, het sociaal leven, dat voor haar de hele “amor mundi” opende, een kritische maar toch liefdevolle visie, want Augustinus bleef voor Hannah Arendt haar leven lang, haar goede vriend en beschermheer, aan wie ze niet alleen het begrip amor mundi, maar ook haar begrip van nataliteit, van geboortelijkheid, van het feit dat we als mens steeds de vrijheid hebben een nieuw begin te maken, te danken had. Of, zoals het bij Augustinus klonk, “Initium ut esset homo creatus est”, ‘De mens werd geschapen opdat er een begin zij’.
Dat Hannah Arent als joodse, voor de figuur van Augustinus koos, was zo maar geen lukraak toeval. Augustinus ontwikkelde nl. zelf een uiterst genuanceerd beeld van de joden. In Augustinus’ ogen was het Nieuwe Testament de vervulling van het Oude Testament, dat als de belofte kon worden gezien. Jezus Christus was de nieuwe Adam, Maria, de nieuwe Eva. Volgens die visie waren de joden de noodzakelijke wegbereiders van het christendom. Augustinus ging dan ook vol respect met hen om. Samen met de heidenen vormden ze immers het fundament van het christendom. In verschillende geschriften liet Augustinus zich trouwens over hen uit, en stelde hij hen voor als (al te) getrouwe navolgers van de wet, die alles naar de letter namen. Augustinus ontwikkelde de “getuigenisdoctrine”. Door hun aanwezigheid waren de Joden levende getuigen van de waarheid van het Oude Testament. Vervolging van de Joden wees hij daarom af, maar tegelijk verweet hij hen dat ze het bij de vernieuwing van het Verbond van God met het volk Israël, hadden laten afweten. Ze hebben zichzelf naar de zijlijn van het Heilsplan geplaatst, zo klonk het, maar dienen daar God als getuigen van het Oude Verbond.
Augustinus’ concept van liefde, het proefschrift van een 23-jarige joodse vrouw over een hoofdfiguur in de christelijke kerk, veroorzaakte een klein tumult vanaf het moment dat het in 1929 verscheen. De recensenten in het academisch milieu van die tijd waren het er nl. over eens dat de promovendus meermaals gezondigd had. Ten eerste door de theoloog Augustinus te negeren, en ten tweede door de theologische woordvoerders van die tijd te negeren. Vanuit het huidig perspectief lijkt wat haar eerste critici verkeerd beoordeelden, nu precies de kwaliteit van dit vroeg werk te zijn. Haar proefschrift was nl. niet opgevat als een theologisch, maar als een existentialistisch werk.
“De boeken 1-9”, schrijft Wim Sleddsens, “bevatten reflecties op Augustinus’ eigen leven tot aan zijn bekering. Dat maakt dat we hem daarin op twee manieren tegenkomen: de Augustinus van het verhaal en de Augustinus die erop reflecteert. De jonge Augustinus van het verhaal is ervan overtuigd dat hij zelf zijn eigen leven uitstippelt; de andere Augustinus, de oudere, die kanttekeningen maakt bij wat er gebeurt, weet dat dit niet zo is. Binnen diens perspectief heeft het leven van de jonge Augustinus een betekenis die God kent, maar waar hijzelf zich dan niet bewust van is. Daarom proef je bij de Augustinus die nu de Belijdenissen schrijft, soms een vleugje ironie. Dat valt weg in het tiende boek als deze dubbele lijn van vertellen ophoudt.”
“Het eerste deel van de Belijdenissen”, vervolgt hij, “eindigt met het negende boek. Augustinus is dan in Ostia Antica. Terwijl de groep zich voorbereidt op de overtocht naar Afrika, sterft zijn moeder Monica. Vanwege politieke onrust in Noord-Afrika wacht de groep daarna nog bijna een jaar met de daadwerkelijke oversteek. Met het tiende boek begint het tweede deel. Daar geeft Augustinus aan wat hij met het schrijven van de Belijdenissen op het oog heeft.”
In deze meest recente Nederlandse vertaling heeft Wim Sleddens (1934-2020) met veel zorg het vaak moeilijk Latijn van Augustinus in helder Nederlands vertaald. Samen met de overzichtelijke indeling en aantekeningen is deze uitgave een zeer toegankelijke uitvoering van het beroemd werk van Augustinus.


Aurelius Augustinus Belijdenissen Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien Wim Sleddens O.S.A. 344 bladz. uitg. Damon ISBN 9789463401227