


Halverwege de jaren ’60, hoorde Arvo Pärt (1935) ergens in een platenzaak in Tallinn, Estland, een flard Gregoriaanse zang. Het was de vonk die het leven van de jonge avantgarde componist veranderde. Die ene kale stem, zonder harmonie, zonder metrum, zonder alles, zette hem aan tot een jarenlange zoektocht. Op een mooie februari-ochtend in 1976 ontdekte hij zijn eigen muzikale taal. Die noemde hij Tintinnabuli, naar het geluid van klokken. Binnen enkele jaren creëerde hij een stroom aan wereldberoemde composities als Spiegel im Spiegel, Fratres en Tabula rasa. 
Als bijna geen andere, hedendaagse componist, is de Est, Arvo Pärt (1935) (foto), erin geslaagd, sacrale muziek weer onder de aandacht van een breed publiek te brengen. Door zijn meditatief karakter en zijn terugkeer naar de eenvoudigste, muzikale basisvormen, geeft zijn muziek, inzicht in belangrijke spirituele momenten. Daartoe, nog vóór zijn emigratie uit de Sovjet-Unie, bedacht Pärt wat hij de “tintinnabuli-stijl” (Latijn voor “kleine belletjes”) van componeren, noemde. Hij introduceerde deze nieuwe techniek voor het eerst in de werken “Für Alina” (1976) en “Spiegel im Spiegel” (1978). De stijl werd beïnvloed door de mystieke ervaringen van de componist met zangkunst.
Muzikaal wordt Pärts tintinnabuli muziek gekenmerkt door twee soorten stemmen, waarvan de eerste, de “tintinnabulaire stem”, een arpeggio vormt met de drieklank, en de tweede diatonisch beweegt in een stapsgewijze beweging. De werken hebben vaak een langzaam en meditatief tempo en een minimalistische notatie en uitvoering. In 1977 leverde hij een van de eerste belangrijke voorbeelden van deze stijl met de eerste versie van “Fratres”, zonder een vast of voorgeschreven instrumentarium. In zijn ascetische soberheid en bijna liturgische plechtigheid, doet het werk denken aan een gemeenschappelijk gebed of een spirituele daad.
“Fratres” was één van de werken die Pärts reputatie heeft gemaakt. Het bestaat in verschillende versies, bv. voor solo viool, strijkers en percussie. Het begint met een solo voor de viool, voor de strijkers binnenkomen met een veel langzamere versie van hetzelfde materiaal. Het werk bestaat uit cycli, telkens eindigend op een paar pizzicato-tonen en enkele tikken op de claves, (twee houten stokjes die tegen elkaar worden geslagen), voor het in de coda in stilte verdwijnt. “Passacaglia” is een ander werk dat oorspronkelijk voor Gidon Kremer is gecomponeerd en in verschillende versies bestaat.
Zijn gedetailleerde studie van orthodoxe gezangen bracht Arvo Pärt ertoe zijn meditatief en minimalistisch ’tintinnabuli’-compositiesysteem te ontwikkelen als een uitbreiding van de harmonische praktijken van orthodoxe koormuziek. Hij componeerde o.a. zijn Seven Magnificat-Antiphons in 1988, waarbij hij de tintinnabuli-techniek toepaste op teksten uit de katholieke liturgie in de Duitse taal, een opvallende Oost-West-benadering.
Pärts “Passio” bv. wordt een minimalistisch meesterwerk genoemd en was een baanbrekend werk in het oeuvre van de componist. Het was het hoogtepunt van zijn zogenaamde tintinnabuli-stijl, en de eerste in een reeks grootschalige koorwerken over religieuze thema’s. Passiezettingen hebben een lange geschiedenis, met polyfone zettingen voor kooruitvoeringen die beginnen in de 15e eeuw en doorgaan tot de hoge barok en de monumentale werken van Johann Sebastian Bach. In zijn Passie blikte Pärt weliswaar terug op een oudere traditie, de middeleeuwse traditie van een enkele stem die de tekst zingt. Als gevolg hiervan wordt het verhaal, de hoofdstukken 18 en 19 van het Johannesevangelie, de basis voor aanhoudende spirituele contemplatie in plaats van het drama van Bachs Passies.
“Tabula rasa” is het langste instrumentaal werk van Pärt. Het is een soort concerto, voor twee violen met strijkorkest en geprepareerde of prepared piano. Dit laatste was een idee van John Cage. Er worden schroeven tussen bepaalde pianosnaren ingevoegd om tijdens het spelen bel geluiden te produceren. Er zijn twee bewegingen: Ludus, wat spelen betekent, ondertiteld ‘met beweging’, en Silentium, het dubbele van de lengte van Ludus, en ondertiteld ‘zonder beweging’. Ludus begint met de twee violen aan de tegenovergestelde uiteinden van hun reeksen, maar vestigt zich op figuraties die op verre afstand lijken op barokmuziek. Silentium is karakteristieker omdat het statisch en contemplatief is. Herhalende en licht variërende figuren stijgen langzaam en dalen.
De autoriteiten in het communistisch Estland waren echter niet gediend van Pärts religieuze coming-out. In 1980 dwongen ze hem met zijn vrouw Nora en hun twee zoontjes te emigreren naar het Westen. Daar groeide Pärt uit tot de meest gespeelde nog levende componist van klassieke muziek: elke dag worden er ergens ter wereld werken van hem uitgevoerd, van New York tot Tokio.
Waarom bewegen zijn ogenschijnlijk eenvoudige composities zoveel mensen tot tranen, ongeacht hun levensovertuiging? Hoezo al die stiltes in zijn werk? Wat is het geheim van Pärts genie? Twan Geurts ging op zoek naar het levensverhaal van de componist en zijn muziek. Hij reisde door Estland en bezocht concerten in verschillende landen. Hij sprak met musici als Daniel Reuss, Gidon Kremer en Paul Hillier, met wie Pärt zijn wereldpremières beleefde, en volgde jonge performers die zich door hem lieten inspireren. Het resultaat is een fascinerende biografische reportage van een van de populairste componisten van deze tijd.
Twan Geurts (1950) schrijft over religie, muziek en cultuur. Eerder publiceerde hij Engelen van deze tijd, Rolduc (dat werd genomineerd voor de M.J. Brusseprijs 2012) en De Nederlandse Paus.



Twan Geurts, “Componist van de stilte In het spoor van Arvo Pärt 327 bladz. uitg. Balans ISBN 9789463824576