


Franz Liszt was een componist die zijn eigen werken voortdurend herzag en herinterpreteerde, waardoor er talloze versies ontstonden die zijn evoluerende kunstenaarschap onthullen. Zijn 12 Grandes Études (S. 137), later omgevormd tot de Études d’exécution transcendante (S. 139), illustreren dit creatief proces. 
Deze studies, voortkomend uit zijn eerdere Étude en douze exercices (1826), tonen Liszts ontwikkeling van wonderkind tot visionair, waarbij hij de grenzen van de pianistische en harmonische kunsten verlegde. Deze Études zijn veel meer dan alleen staaltjes van techniek, ze belichamen een samensmelting van diepgaande muzikale gedachten en extreme technische eisen – een van de redenen waarom ze zelden zijn opgenomen. Deze nieuwe opname, de eerste ooit op een historisch instrument, de Steingraeber- Liszt uit 1873, biedt een frisse kijk op een van Liszts meest gedurfde prestaties.
De Transcendentale Etudes (“Études d’Exécution Transcendante”) is een indrukwekkende reeks van 12 uitzonderlijk virtuoze études voor piano solo, die haar oorsprong vond in 1824. Het complete werk werd pas na diverse revisies in 1851 voltooid, werd opgedragen aan zijn leraar, Carl Czerny (foto), en een jaar later gepubliceerd.
Deze Études behoren tot de moeilijkste werken die ooit voor de piano zijn geschreven. Ze stellen aan de pianist dan ook enorme fysieke en technische eisen. Alleen enkele van Alkans ’transcendentale’ werken kunnen er mee vergleken worden. De étude nr. 5 “Feux Follets” (vertaald: dwaallichtjes) is in technische zin wel het meest ingewikkeld en veeleisend. Dit komt door de combinatie van sprongtechniek (in voornamelijk de linkerhand), souplesse (snel dubbelgrepen-spel met een aanvullend probleem voor de rechterpink door afwisseling van witte en zwarte toetsen), en lichtheid. Samen met Chopins études dienen ze als basis voor piano-techniek, sommigen van hen prefigureerden al het muzikale impressionisme, en ze hadden een belangrijke invloed op daaropvolgende pianomuziek, met name deze van Debussy, Rachmaninov, Bartók en Ligeti.
In 1824 werd op het moment dat Liszt 13 jaar oud was, de eerste versie gecomponeerd en in 1826 gepubliceerd onder de titel Étude en Douze Exercices. Zijn oorspronkelijk idee hierbij was eigenlijk een serie van 48 etudes in alle toonaarden (oftewel alle mineurs en majeurs). Het bleef weliswaar bij 12 etudes. De etudes zijn in zekere zin aan elkaar verwant, ze volgen elkaar achtereenvolgens in toonsoort op. Er zit dus in zekere zin een bepaald systeem achter – de eerste etude is in C-majeur gecomponeerd, de tweede in a-mineur, de derde in F-majeur etc. Uiteindelijk wordt de serie bij nr. 12 in bes-mineur ‘afgebroken’, waaruit afgeleid kan worden dat de intentie van de componist een geheel andere was dan een serie van twaalf etudes. Het werk werd in latere tijd niet gecompleteerd. Wel heeft Liszt het werk in 1838 grondig herzien. Deze herziene versie verscheen in 1839 onder de titel Douze Grandes Etudes. Carl Czerny, Franz Liszt’s leermeester, heeft grote invloed op de eerste versie gehad, en het is dan ook niet verwonderlijk dat Liszt deze tweede versie aan hem heeft opgedragen.
Wederom bleef het bij twaalf etudes, ofschoon het dit keer niet de bedoeling was een serie van 48 etudes te componeren. Het idee hierachter was dan ook een duidelijk andere, namelijk een serie van 24 etudes naar Niccolò Paganini’s 24 Caprices. Dit idee kreeg uiteindelijk een andere uitwerking: in 1838 componeerde hij een vijftal etudes die onder de naam Etudes d’Execution Transcendante d’apres Paganini werden gepubliceerd. Zij zijn geïnspireerd op de hiervoor genoemde Caprices van Paganini. Ook deze serie werd in 1851 grondig herzien. Het in 1838 gecomponeerde werk La Campanella (dat overigens als enige uitzondering niet op de 24 Caprices maar op het Tweede Vioolconcert van Paganini is geïnspireerd), werd hieraan, als derde etude, toegevoegd, en verscheen onder haar naam (Six) Grandes Etudes de Paganini.
Ofschoon beide werken (Douze Grandes Etudes en Grandes Etudes de Paganini) wat betreft stijl en virtuositeit een grote overeenkomst met elkaar hebben, moeten zij zeer beslist niet met elkaar verward worden: de serie Douze Grandes Etudes was een grondige herziening van zijn eerste versie Étude en Douze Exercices. Een derde en tevens laatste versie van het gehele werk volgde in 1852 onder de titel Études d’Exécution Transcendante. Ook deze versie werd aan Czerny opgedragen. Tegelijkertijd gaf hij de etudes een programmatische naam. Wat techniek betreft heeft Liszt het nodige aangepast en vereenvoudigd, zodat, alhoewel nog steeds schrikwekkend ingewikkeld en veeleisend, een ietwat eenvoudiger versie zou ontstaan. Van een aantal etudes individueel zijn overigens meerdere versies door de tijd heen ontstaan. Zo bestaat bijvoorbeeld van de eerste étude een ‘haast onspeelbare’ tweede versie (1838) en van Mazeppa, de vierde etude, zowel een tweede versie (1840) als een orkest-versie.
Aurelia Vişovan, is een internationaal gevierde Roemeense pianiste, klaveciniste en fortepianiste, winnares van de 2019 editie van de Musica Antiqua Competition Brugge (pianoforte). Ze geeft regelmatig concerten en recitals op zowel historische instrumenten als moderne piano, in zalen als de Groer Saal van de Berliner Philharmonie, Elbphilharmonie Hamburg, BOZAR, Auditorio de Zaragoza, Brucknerhaus Linz, Die Glocke Bremen, Casa da Musica Porto, Musikverein Vienna, Roemeens Athenaeum in Boekarest, en op festivals zoals Sleeswijk-Holstein, Mecklenburg-Vorpommern, Festivals de Wallonie, om er maar een paar te noemen. In 2021 behaalde ze een doctoraat aan de Muziekacademie in Cluj-Napoca, met een proefschrift over historische klavierinstrumenten. Aurelia Vişovan, is momenteel professor piano aan de Muziekuniversiteit van Neurenberg, Duitsland.


Liszt 12 Grandes Études Aurelia Vişovan cd Passacaille PAS1151