“Johann Sebastian Bach, Die Kunst der Fuge, BWV 1080” door Maria Perrotta (piano) op het label En Phases. Hemels!

“Deze opname”, vertelt de pianiste, “is het resultaat van mijn ontmoeting met de Stephen Paulello Opus 102. Vanaf de allereerste noten was ik gefascineerd door de klank van deze piano. Ik had het heerlijk gevoel dat ik de klank kon vormgeven, erin kon duiken en de rijkdom ervan kon ontdekken – zodat, beetje bij beetje, de schoonheid en diepte zich onder mijn vingers ontvouwden. Rijk, transparant en warm tegelijk, leek de Stephen Paulello Opus 102 me het ideaal instrument om de essentie van Bachs Kunst der Fuga te onthullen.”

Bach componeerde tussen 1742 en 1750, tijdens de laatste acht à negen jaar van zijn leven, gecompliceerde contrapuntwerken, de Goldbergvariaties (1742), het Musicalisches Opfer (1747), de Canonischen Veränderungen über Von Himmel Hoch (1747) en Die Kunst der Fuge (1745-1749). Bachs “Die kunst der Fuga” is, door de grote verscheidenheid aan thematisch materiaal, even intiem in uitvoering als wetenschappelijk van aard. Het was de samenvatting van de glorieuze tradities van zowel compositietechniek als uitvoeringspraktijk.

“Die Kunst der Fuge” was zowel het contrapuntisch opus magnum van Johann Sebastian Bach als zijn laatst compleet en voltooid werk. Het werd vermoedelijk gecomponeerd tussen 1745 en 1749. Volgens het titelblad luidde de oorspronkelijke titel eigenlijk, “Die Kunst der fuga”, met gebruik van het Latijns of Italiaans woord fuga i.p.v. het Duits woord, “Fuge”, zoals in de twee gedrukte edities van 1751 en 1752. Voor de wetenschappelijke benadering van Bach is dit detail belangrijk voor Bach en de numerologie. Gematria, een vorm van numerologie, is nl. een geheime leer die woorden in getallen omzet om daarmee verborgen verbanden te ontdekken.

In de “Gematria Bachiana” speelt het getal 14 een belangrijke rol. De optelling van de cijfers die corresponderen met de letters B-A-C-H (2-1-3-8 in de volgorde van het alfabet), maakt samen 14. De letters J-S-B-A-C-H (9-18-2-1-3-8), vormen samen 41, het spiegelbeeld van 14. De letters van Bachs volledige naam, J-O-H-A-N-N-S-E-B-A-S-T-I-A-N-B-A-C-H, zijn de nummers 9-14-8-1-13-13-18-5-2-1-18-19-9-1-13-2-1-3-8 in het alfabet. De optelling van deze cijfers levert, 158 op. De alfabetische volgorde van de 15 letters van D-I-E-K-U-N-S-T-D-E-R-F-U-G-A, met de a i.p.v. de e in “Fuga”, corresponderen met de cijfers (4-9-5-10-20-13-18-19-4-5-17-6-20-7-1). De som van deze 15 cijfers is, 158. De som van de afzonderlijke cijfers van het getal 158, 1, 5 en 8=14. Dit is het getal dat overeenstemt met de som van de cijfers van de vier letters, BACH, (2-1-3 en 8) is14.

“Die Kunst der Fuga” (KdF), in de vorm en de volgorde in het Berlijns handschrift, heeft alles van een voltooid werk. Het bevat 14 fuga’s en canons, alle gebaseerd op een enkel, origineel thema, als basis van het ganse werk, waarbij de contrapuntische perfectie van de individuele stukken, toenemen qua moeilijkheidsgraad. De enkelvoudige fuga’s (simplex rectus), contrafuga’s, fuga’s met meer thema’s (a tre en a quattro soggetti), spiegelfuga’s (inversus) en de 2 canons, zijn in de gedrukte versie met de gebruikelijke Latijnse en Italiaanse namen aangeduid, per Augmentationem (in contrario motu) en Dimininutionem (met het thema in verdubbelde en gehalveerde nootwaarden), in contrario motu (in tegengestelde beweging), contrappunto simplice inversus en contrappunto duplici (rectus en inversus) (omgekeerd in spiegelbeeld), en in Fuga en Canon alla Ottava, alla Decima of Duodecima, waarbij de volgende stem een octaaf plus decime of duodecime inzet.

Bachs zoon Carl Philipp Emanuel schreef na het overlijden van zijn vader in het manuscript bij de laatste fuga “Über dieser Fuge, wo der Nahme B.A.C.H. im Contrasubject angebracht worden, ist der Verfasser gestorben”. In 1751 werd het werk postuum gepubliceerd met een heruitgave in 1752 met een uitgebreide inleiding van Friedrich Wilhelm Marpurg (1718-1795). Ook Marpurg vermeldde de plotselinge dood als oorzaak van het niet afronden van het werk. De vraag is of het onvoltooid werk door overmacht niet is afgerond of dat het onvoltooid is overgeleverd, mede doordat het zowel na Bachs dood uit de nagelaten manuscripten en gecorrigeerde delen moest worden samengevoegd en is gerangschikt door drukkers. Volgens Christoph Wolff waren er goede argumenten om te betogen dat Bach het werk, al dan niet in schetsvorm, wel degelijk heeft afgerond.

Ondanks het feit dat het handschrift, één van de 4 bestaande, Berlijnse handschriften in de Staatsbibliotheek in Berlijn, (het “Hauptautograph” en 3 losse bladzijden met een canon en contrapunctus 13 en 14, als bijlagen), al bestudeerd en samengevoegd was met de edities van 1751 en 1752, werd het handschrift als onvolledig beschouwd, als niet veel meer dan een voorbereidende fase. Pas de laatste tijd begonnen onderzoekers, onder wie Christoph Wolff, op te merken dat de KdF zoals het manuscript op het moment van voltooiing, wellicht een vergelijking zou kunnen doorstaan met de vermeende ‘definitieve versie’ van de gedrukte edities, en dus mogelijk verheven zou kunnen worden tot de volledige waardigheid van een “Alte Fassung”.

Dit zou betekenen dat het Berlijns handschrift in feite de nieuwste en dichtst bij de definitieve versie van de KdF zou zijn, terwijl de eerste gedrukte editie volledig het resultaat was van de gezamenlijke inspanningen van Bachs kinderen en studenten, daar er geen bewijs is dat Bach ooit betrokken was bij voorbereidende werken met betrekking tot zijn composities. Bovendien lijkt de volgorde die wordt weergegeven in het Berlijns handschrift, beslist logischer en zelfs artistieker dan die van de eerste gedrukte editie, die in vergelijking, minder interessant lijkt en niet zonder compilatiefouten.

Al bijna 30 jaar bouwt de voormalige pianist Stephen Paulello bijzondere piano’s en inspireert daarmee talloze musici.Stephen Paulello was docent piano en kamermuziek aan een middelbare school, concertpianist en winnaar van vele internationale pianowedstrijden. Na zijn opleiding tot pianotechnicus bij Bechstein werkte hij in Parijs als technicus voor zowel Bechstein als Steinway & Sons. Dankzij zijn tijd in Duitsland leerde hij de wereld van de pianobouw kennen en ontwikkelde hij een passie ervoor. Kort daarna begon hij met de bouw van zijn eerste staande en vleugelpiano’s: “Ik wilde iets anders doen, iets nieuws, een alternatief ontwikkelen voor pianisten…”. En dat is hem onmiskenbaar gelukt. In 1990 bouwde hij zijn eerste concertvleugel, die veel aandacht trok en wordt beschouwd als een meesterwerk in de pianobouw.

Maria Perrotta, geprezen als een bijzonder communicatieve vertolkster, kwam in de schijnwerpers te staan tijdens belangrijke internationale concoursen zoals de Shura Cherkassky Prijs in Milaan (2008) en het J.S. Bach Concours in Saarbrücken (2004), waar ze lovende kritieken ontving. Haar live-opname van Bachs Goldbergvariaties werd door critici in toonaangevende muziektijdschriften geprezen: 5 sterren in Amadeus en Musica, 5 sterren en cd van de maand in Suonare News en de Critics’ Prize in Musica & Dischi. Maria Perrotta studeerde aan het Conservatorium van Cosenza, haar geboortestad, en behaalde cum laude haar diploma aan het Conservatorium van Milaan onder Edda Ponti. Vervolgens studeerde ze af in kamermuziek aan de École Normale de Musique in Parijs. Ze studeerde ook in Imola bij Franco Scala en Boris Petrushansky en in Duitsland bij Walter Blankenheim. In 2007 behaalde ze cum laude haar diploma aan de Academie van Sint-Cecilia in Rome in de klas van Sergio Perticaroli.

Johann Sebastian Bach: Die Kunst der Fuge, BWV 1080 Maria Perrotta (piano) cd En Phases ENP023